Tafseer van Ta-Haa · Taa-Haa · 20:91
Zij (de aanbidders van het kalf) zeiden: "Wij zullen nooit ophouden hein (te aanbidden), totdat Môesa tot ons terugkeert."
En Zijn woorden وَلَقَدْ قَالَ لَهُمْ هَارُونُ مِنْ قَبْلُ — dat wil zeggen: Hārūn heeft werkelijk, vóór de terugkeer van Mozes naar hen en vóór zijn woorden tot hen over wat Allah van hem heeft bericht, gezegd tot de aanbidders van het kalf uit de Kinderen van Israël: إِنَّمَا فُتِنْتُمْ بِهِ — dat wil zeggen: Allah heeft uw geloof en uw vasthouden aan uw godsdienst door dit kalf — dat het loeien tot stand bracht — op de proef gesteld, opdat Hij daarmee de gelovige van u zou onderscheiden van degene met een ziek hart die twijfelt aan zijn godsdienst.
Zoals Moeza mij heeft verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van Al-Suddī: Hārūn zei tot hen: إِنَّمَا فُتِنْتُمْ بِهِ — hij zegt: u bent erdoor op de proef gesteld — hij zegt: door het kalf.
En Zijn woorden وَإِنَّ رَبَّكُمُ الرَّحْمَنُ فَاتَّبِعُونِي وَأَطِيعُوا أَمْرِي — dat wil zeggen: uw Heer is de Barmhartige wiens weldaden alle schepselen omvatten, volgt mij dan in wat ik u opdraag aan aanbidding van Allah en het nalaten van de aanbidding van het kalf, en gehoorzaamt mijn bevel inzake wat ik u opdraag aan gehoorzaamheid aan Allah en zuiver oprechte aanbidding aan Hem.