Tafseer van Ta-Haa · Taa-Haa · 20:76
De Tuinen van 'Adn ( het Paradijs), waar onder door de rivieren stromen, zij zijn eeuwig levenden daarin. Dat is de beloning voor wie zich reinigt.
وَمَنْ يَأْتِهِ مُؤْمِنًا — als éénmaker van Allah, zonder Hem deelgenoten toe te kennen (shirk) — قَدْ عَمِلَ الصَّالِحَاتِ — dat wil zeggen: hij heeft gedaan wat zijn Heer hem geboden heeft, en heeft nagelaten wat zijn Heer hem verboden heeft — فَأُولَئِكَ لَهُمُ الدَّرَجَاتُ الْعُلَى — dat wil zeggen: zij zijn degenen voor wie de hoogste rangen van het paradijs (janna) zijn.