Tafseer van Ta-Haa · Taa-Haa · 20:75
En zij die als gelovigen naar Hem komen en waarlijk goede daden verrichten: zij zijn degenen die de hoge rangen krijgen.
De uiteenzetting van de exegese van het woord van Allah de Verhevene: إِنَّهُ مَنْ يَأْتِ رَبَّهُ مُجْرِمًا فَإِنَّ لَهُ جَهَنَّمَ لا يَمُوتُ فِيهَا وَلا يَحْيَا (vers 74)\n\nAllah, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt, terwijl Hij bericht over wat de tovenaars tegen Farao zeiden: إِنَّهُ مَنْ يَأْتِ رَبَّهُ — onder Zijn schepselen — مُجْرِمًا — dat wil zeggen: terwijl hij ongeloof (kufr) jegens Hem verwerft — فَإِنَّ لَهُ جَهَنَّمَ — dat wil zeggen: dan is de hel (jahannam) zijn verblijfplaats en woonplaats, als vergelding voor zijn ongeloof — لا يَمُوتُ فِيهَا — zodat zijn ziel hem zou verlaten — وَلا يَحْيَا — zodat zijn ziel een vaste rustplaats zou vinden en tot rust zou komen; veeleer hangt zij hen bij de kelen.