Tafseer van Ta-Haa · Taa-Haa · 20:52
Hij (Môesa) zei: "De kennis over hen is bij mijn Heer, in een Boek. Mijn Heer maakt geen fouten en vergeet niet."
De uitleg van de woorden van Allah de Verhevene: قَالَ فَمَا بَالُ الْقُرُونِ الأُولَى (20:51)
(Hij zei: en wat is dan de toestand van de vroegere geslachten?)
Allah de Verhevene zegt: farao zei tot Mozes, nadat Mozes zijn Heer — moge Zijn glorie groot zijn — had beschreven met de geweldige heerschappij en de rijkdom van Zijn weldaden aan Zijn schepselen en Zijn gunsten: en wat is dan de toestand van de vroegere volkeren vóór ons, die niet erkenden wat jij zegt en niet geloofden wat jij oproept, en Hem niet oprecht aanbaden, maar in plaats daarvan goden en afgoden aanbaden naast Hem — als de zaak is zoals jij beschrijft, namelijk dat alle dingen Zijn schepping zijn en in Zijn weldaden rondwentelen en zich in Zijn gunsten bewegen?