Tafseer van Ta-Haa · Taa-Haa · 20:109
Op de Dag is bemiddeling niet van nut, behalve voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen.
Het woord inzake de uitleg van de woorden van Allah de Verhevene: يَوْمَئِذٍ لا تَنْفَعُ الشَّفَاعَةُ إِلا مَنْ أَذِنَ لَهُ الرَّحْمَنُ وَرَضِيَ لَهُ قَوْلا (»Op die dag baat de voorspraak niet, behalve ten behoeve van degene aan wie de Barmhartige toestemming heeft gegeven en wiens woord Hij heeft goedgekeurd«) (20:109)
Allah de Verhevene zegt: يَوْمَئِذٍ لا تَنْفَعُ الشَّفَاعَةُ إِلا de voorspraak van (degene aan wie de Barmhartige toestemming heeft gegeven) om voorspraak te doen, وَرَضِيَ لَهُ قَوْلا — en daarin is opgenomen in het woord een aanwijzing voor de toeschrijving van het woord (qawl) aan het voornaamwoordsachtervoegsel dat naar »man« (degene) verwijst. Dit is zoals de uitdrukking van een spreker: ik keurde jouw handeling goed voor jou, en ik keurde het van jou goed. De plaats van »man« in zijn woord إِلا مَنْ أَذِنَ لَهُ is de accusatief (naṣb), omdat het het tegendeel vormt van de voorspraak (al-shafāʿa).