Tafseer van De Bij · An-Nahl · 16:63
Bij Allah, voorzeker, Wij zonden (Profeten) naar de gemeenschappen vóóoor jou (O Moehammad), maar de Satan deed hun werken schoon schijnen. En hij is op deze wereld hun beschermer. En voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
Allah, verheven is Zijn vermelding, zegt — terwijl Hij bij Zichzelf zweert, geprezen en verheven zij Hij, tot Zijn Profeet Muḥammad ﷺ: Bij Allah, o Muḥammad, Wij hebben vóór u gezanten gezonden naar hun volken met hetzelfde waarmee Wij u tot uw gemeenschap hebben gezonden — namelijk de oproep tot de eenheid van Allah (tawḥīd), de oprechtheid van de aanbidding voor Hem, de onderwerping aan Zijn gehoorzaamheid, en het afleggen van afgoden en goden. فَزَيَّنَ لَهُمُ الشَّيْطَانُ أَعْمَالَهُمْ (Maar de satan maakte hun daden mooi voor hen) — dat wil zeggen: de satan verfraaide voor hen datgene waarop zij bleven staan van het ongeloof (kufr) in Allah en de aanbidding van de afgoden, totdat zij hun gezanten belogen en wat hun gezanten hen van hun Heer hadden gebracht verwierpen. فَهُوَ وَلِيُّهُمُ الْيَوْمَ (En hij is hun helper heden) — dat wil zeggen: de satan is hun helper vandaag in het wereldse leven, en hoe slecht een helper. وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ (En voor hen is een pijnlijke kwelling) — in het hiernamaals wanneer zij bij hun Heer aankomen, en dan zal de vriendschap van de satan hen niet baten, noch heeft die hen ooit gebaat in het leven van deze wereld — integendeel, hij heeft hen in het wereldse leven schade berokkend, en in het hiernamaals is hij voor hen nog schadelijker.