Tafseer van De Opening · Al-Faatiha · 1:4
De Heerser op de Dag des Oordeels.
Uitspraak over de uitleg van Zijn woord: مَالِكِ يَوْمِ الدِّينِ (Meester van de Dag des Oordeels).
Abū Jaʿfar zei: De Koranreciteurs verschillen van mening over de lezing van ملك يوم الدين. Sommigen reciteren het als "Maliki yawmi-d-dīn" (Koning van de Dag des Oordeels), anderen reciteren het als "Maliki yawmi-d-dīn" (met korte klinker), en weer anderen reciteren het als "Mālika yawmi-d-dīn" met een naṣb (accusatief-uitgang) op de kāf. Wij hebben de overlevering van degenen aan wie een lezing daarvan wordt toegeschreven uitvoerig weergegeven in het "Boek der Lezingen" (Kitāb al-Qirāʾāt), en wij hebben daarin meegedeeld welke lezing wij verkiezen, alsook de reden die de juistheid van de door ons gekozen lezing noodzakelijk maakt. Daarom achtten wij het ongepast dat hier te herhalen, aangezien wat wij ons in dit boek van ons hebben voorgenomen, de uiteenzetting is van de wijzen van uitleg van de verzen van de Koran, en niet van de wijzen waarop zij gereciteerd worden.
Er bestaat geen meningsverschil onder alle kenners van de talen der Arabieren dat het woord "malik" (koning) is afgeleid van "mulk" (koningschap), en dat "mālik" (eigenaar) is ontleend aan "milk" (eigendom). De uitleg van de lezing van degene die dit reciteert als Maliki yawmi-d-dīn is dus dat aan Allah het koningschap toebehoort op de Dag des Oordeels, uitsluitend en met uitsluiting van al Zijn schepselen die vóór die tijd in deze wereld koningen en tirannen waren, die met Hem twistten om het koningschap en Hem het alleenrecht op hoogmoed, grootheid, heerschappij en almacht betwistten. Maar zij zullen bij de ontmoeting met Allah op de Dag des Oordeels met zekerheid weten dat zij de geringen en vernederden zijn, en dat aan Hem — met uitsluiting van hen en van alle anderen — het koningschap, de grootheid, de macht en de luister toebehoort, zoals Hij, verheven is Zijn gedachtenis en geheiligd zijn Zijn namen, in Zijn openbaring zegt: يَوْمَ هُمْ بَارِزُونَ لا يَخْفَى عَلَى اللَّهِ مِنْهُمْ شَيْءٌ لِمَنِ الْمُلْكُ الْيَوْمَ لِلَّهِ الْوَاحِدِ الْقَهَّارِ [Surah Ghāfir: 16] (De Dag waarop zij tevoorschijn treden, waarop niets van hen voor Allah verborgen is. Aan wie behoort het koningschap heden toe? Aan Allah, de Ene, de Overweldigende). Zo heeft Hij, verheven is Zijn gedachtenis, bericht dat Hij op die Dag alleen het koningschap bezit, met uitsluiting van de koningen van deze wereld, die op de Dag des Oordeels van hun koningschap zijn vervallen tot vernedering en geringheid, en die van hun wereldse bezit bij de terugkeer zijn vervallen tot verlies.
Wat betreft de uitleg van de lezing van degene die reciteert Mālik yawmi-d-dīn (Eigenaar van de Dag des Oordeels), dat is wat:
166 — Abū Kurayb ons heeft verteld, hij zei: ʿUthmān ibn Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Bishr ibn ʿUmāra, die zei: Abū Rawq heeft ons verteld, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, op gezag van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās: Mālik yawmi-d-dīn — hij zegt: niemand bezit op die Dag enige beslissingsmacht naast Hem, zoals zij die in deze wereld bezaten. Vervolgens zei hij: لا يَتَكَلَّمُونَ إِلا مَنْ أَذِنَ لَهُ الرَّحْمَنُ وَقَالَ صَوَابًا [Surah al-Nabaʾ: 38] (Zij zullen niet spreken, behalve wie de Erbarmer toestemming geeft, en die het juiste zegt). En Hij zei: وَخَشَعَتِ الأَصْوَاتُ لِلرَّحْمَنِ [Surah Ṭā Hā: 108] (En de stemmen zullen zich nederig stilhouden voor de Erbarmer). En Hij zei: وَلا يَشْفَعُونَ إِلا لِمَنِ ارْتَضَى [Surah al-Anbiyāʾ: 28] (En zij zullen geen voorspraak doen, behalve voor wie Hem welgevallig is).
Abū Jaʿfar zei: Van de twee uitleggingen is naar mijn oordeel de meest gepaste voor dit vers, en van de twee lezingen de meest correcte in de recitatie, de eerste uitleg, namelijk de lezing van degene die "Malik" reciteert in de betekenis van "mulk" (koningschap). Want in de erkenning dat Hem het alleenrecht op het koningschap toebehoort, ligt de noodzakelijke bevestiging dat Hem ook het alleenrecht op het eigendom toebehoort, en bovendien de voortreffelijkheid dat "malik" (koning) meer omvat dan "mālik" (eigenaar), aangezien het bekend is dat er geen koning is of hij is tevens eigenaar, terwijl een eigenaar soms geen koning is.
Voorts: Allah, verheven is Zijn gedachtenis, heeft Zijn dienaren in het vers dat aan Zijn woord Maliki yawmi-d-dīn voorafgaat reeds bericht dat Hij de Eigenaar van alle werelden is, hun Heer, hun Verzorger, hun Beschermer, en de Barmhartige jegens hen in dit leven en het Hiernamaals, met Zijn woord: الْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ * الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ (Alle lof zij Allah, de Heer der werelden, de Erbarmer, de Meest Barmhartige).
En aangezien Hij, verheven is Zijn gedachtenis, hen aldus reeds heeft ingelicht over Zijn eigendom over hen met Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ (Heer der werelden), is de meest gepaste van Zijn eigenschappen, verheven is Zijn gedachtenis, om daarop te laten volgen datgene wat Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ * الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ nog niet omvatte — temeer gezien de nauwe aaneenschakeling en nabijheid van de twee verzen, daar Zijn wijsheid de wijsheid is waaraan geen andere wijsheid gelijk is. En in het herhalen van Zijn beschrijving, verheven is Zijn gedachtenis, met dat Hij Mālik yawmi-d-dīn (Eigenaar van de Dag des Oordeels) is, zou een herhaling liggen van wat reeds aan beschrijving van Hem is voorafgegaan in Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ, gezien de nabijheid van de twee verzen en de aaneengrenzing van de twee eigenschappen. En in die herhaling zou een herhaling liggen van verschillende bewoordingen met overeenkomstige betekenissen, die de hoorder van het herhaalde geen nut bieden waaraan hij behoefte heeft. Maar datgene wat zijn voorafgaande eigenschappen, verheven is Zijn gedachtenis, vóór Zijn woord Mālik yawmi-d-dīn nog niet omvatten, is de betekenis die in Zijn woord Malik yawmi-d-dīn ligt, namelijk de beschrijving van Hem dat Hij de Koning is.
Het is dus duidelijk dat de meest correcte van de twee lezingen, en de meest rechtmatige van de twee uitleggingen ten aanzien van het Boek, de lezing is van degene die het reciteert als Maliki yawmi-d-dīn (Koning van de Dag des Oordeels), in de betekenis dat het koningschap op de Dag des Oordeels uitsluitend aan Hem toebehoort — en niet de lezing van degene die reciteert Mālik yawmi-d-dīn, die de betekenis heeft dat Hij de beschikking over het oordeel onder hen en de uitspraak van het vonnis bezit, daarin alleen staand met uitsluiting van de rest van Zijn schepselen.
Indien iemand nu vermoedt dat Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ een bericht is over Zijn eigendom over hen in deze wereld en niet in het Hiernamaals, en dat dit noodzakelijk maakt dat daaraan een bericht over Hemzelf gehecht wordt, namelijk dat Hij Degene is die hen in het Hiernamaals bezit op de wijze van Zijn eigendom over hen in deze wereld, met Zijn woord Mālik yawmi-d-dīn — dan is hij in onachtzaamheid vervallen en koestert hij een onjuist vermoeden.
Dat is omdat, indien het iemand toegestaan zou zijn te vermoeden dat de betekenis van Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ beperkt is tot de mededeling over het Heerschap over de wereld van dit leven en niet over de wereld van het Hiernamaals — terwijl er geen aanwijzing is dat de betekenis daarvan zo is, noch in de uiterlijke bewoording van de openbaring, noch in een overgeleverd bericht van de Boodschapper ﷺ daarover, noch in een bewijs aanwezig in het verstand — het dan ook een ander toegestaan zou zijn te vermoeden dat dit beperkt is tot de wereld van de tijd waarin Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ werd geopenbaard, met uitsluiting van alle andere werelden die daarna in latere tijden ontstaan. Want het is, op grond van de uiteenzetting die wij eerder hebben gegeven, juist dat de wereld van iedere tijd een andere is dan de wereld van de tijd die daarop volgt.
Indien iemand met traagheid van begrip de kennis van de juistheid hiervan, op grond van wat wij eerder hebben gegeven, niet vat, dan ligt er in het woord van Allah, verheven is Zijn lof: وَلَقَدْ آتَيْنَا بَنِي إِسْرَائِيلَ الْكِتَابَ وَالْحُكْمَ وَالنُّبُوَّةَ وَرَزَقْنَاهُمْ مِنَ الطَّيِّبَاتِ وَفَضَّلْنَاهُمْ عَلَى الْعَالَمِينَ [Surah al-Jāthiya: 16] (En voorzeker, Wij gaven de kinderen van Israël het Boek, het oordeel en het profeetschap, en Wij voorzagen hen van de goede dingen en verkozen hen boven de werelden) een duidelijke aanwijzing dat de wereld van iedere tijd een andere is dan de wereld van de tijd die daarvóór was en de wereld van de tijd die daarná komt. Want Allah, verheven is Zijn lof, heeft de gemeenschap (umma) van onze Profeet Muḥammad ﷺ verkozen boven alle voorbije gemeenschappen, en heeft hen daarover bericht in Zijn woord: كُنْتُمْ خَيْرَ أُمَّةٍ أُخْرِجَتْ لِلنَّاسِ het vers [Surah Āl ʿImrān: 110] (Jullie zijn de beste gemeenschap die voor de mensen is voortgebracht). Het is daardoor bekend dat de kinderen van Israël in de tijd van onze Profeet — gezien hun loochening van hem ﷺ — niet de besten der werelden waren; integendeel, de besten der werelden in die tijd en daarna tot aan het aanbreken van het Uur waren degenen die in hem geloofden en zijn weg volgden, en niet de overige gemeenschappen die loochenden en van zijn weg dwaalden.
En aangezien de onjuistheid duidelijk is van de uitleg van iemand die Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ zo zou uitleggen dat daarmee bedoeld wordt dat Allah de Heer is van de werelden van de tijd van onze Profeet Muḥammad ﷺ, en niet van de werelden van alle andere tijden — zo is ook de onjuistheid duidelijk van de uitspraak van wie beweert dat de uitleg ervan is: Heer van de wereld van dit leven en niet van de wereld van het Hiernamaals, en dat Mālik yawmi-d-dīn het verdiende daaraan gehecht te worden opdat men zou weten dat Hij in het Hiernamaals hun eigenaar en heer is op dezelfde wijze als waarop Hij dat in dit leven was.
En aan degene die dat beweert wordt gevraagd: wat is het verschil tussen hem en iemand die op dezelfde wijze willekeurig oordeelt in de uitleg van Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ — die willekeurig oordeelt en zegt: hiermee wordt slechts bedoeld dat Hij de Heer is van de werelden van de tijd van Muḥammad ﷺ, en niet van de werelden van andere voorbije tijden vóór hem en latere ontstane tijden ná hem — zoals degene die deze uitspraak doet beweert dat ermee de werelden van dit leven bedoeld worden en niet de werelden van het Hiernamaals? Welk grondbeginsel of welke aanwijzing onderscheidt hen? Hij zal over de een niets kunnen zeggen of hij wordt ten aanzien van de ander tot hetzelfde verplicht.
Wat betreft degene die beweert dat de uitleg van Zijn woord Mālik yawmi-d-dīn is dat Hij Degene is die de bevoegdheid bezit de Dag des Oordeels te doen aanbreken: het bezwaar dat wij tegen de voornoemde voorgaande spreker hebben opgeworpen, geldt ook voor hem. Want het doen aanbreken van de Opstanding is niets anders dan het herstellen van de schepselen die zijn vergaan, in hun gestalten zoals zij die hadden vóór hun ondergang, in het verblijf dat Allah voor hen heeft bereid met wat Hij heeft bereid. En zij zijn de werelden waarover Hij, verheven is Zijn gedachtenis, heeft bericht dat Hij hun Heer is in Zijn woord رَبِّ الْعَالَمِينَ.
Wat betreft de uitleg daarvan volgens de lezing van degene die reciteert Mālika yawmi-d-dīn (met accusatief): hij bedoelt "O Eigenaar van de Dag des Oordeels", en hij heeft het in de naṣb (accusatief) geplaatst met de bedoeling van aanroep en aanspreking, zoals Hij, verheven is Zijn lof, zegt: يُوسُفُ أَعْرِضْ عَنْ هَذَا [Surah Yūsuf: 29] met de uitleg: "O Yūsuf, keer je hiervan af", en zoals de dichter van de Banū Asad zei — een gedicht dat, naar men zegt, uit de tijd der onwetendheid (jāhilī) stamt:
"Indien jij mij daarvan vals hebt beschuldigd, o Jazʾ, moge jij dan spoedig hetzelfde ondervinden."
Hij bedoelt: "O Jazʾ". En zoals een ander zei:
"Jullie liegen — bij het Huis van Allah — jullie zullen haar niet huwen, o zonen van haar wier beide hoorns zijn vergrijsd, die afbindt en melkt."
Hij bedoelt: "O zonen van haar wier beide hoorns zijn vergrijsd". Wat hem in deze lezing — met naṣb op de kāf van "mālik", volgens de betekenis die ik heb beschreven — heeft doen verstrikken, was zijn verwarring over hoe hij Zijn woord إِيَّاكَ نَعْبُدُ وَإِيَّاكَ نَسْتَعِينُ (U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp) moest richten, samen met de genitief-lezing van Mālik yawmi-d-dīn. Hij meende dat de betekenis daarvan niet zou kloppen na de genitief van Mālik yawmi-d-dīn, en daarom plaatste hij "Mālika yawmi-d-dīn" in de accusatief, opdat إِيَّاكَ نَعْبُدُ een aanspreking aan Hem zou zijn. Het is alsof hij bedoelde: "O Eigenaar van de Dag des Oordeels, U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp". Maar als hij de uitleg van het begin van de surah had gekend, en geweten had dat الْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ een opdracht van Allah aan Zijn dienaar is om dat te zeggen — zoals wij eerder hebben vermeld in het bericht van Ibn ʿAbbās: dat Jibrīl tot de Profeet ﷺ zei namens Allah, verheven is Zijn gedachtenis: "Zeg, o Muḥammad: الْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ * الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ * مَالِكِ يَوْمِ الدِّينِ, en zeg ook, o Muḥammad: إِيَّاكَ نَعْبُدُ وَإِيَّاكَ نَسْتَعِينُ" — en als hij van de Arabieren had begrepen dat het tot hun gewoonte behoort, wanneer zij een uitspraak weergeven of opdracht geven om een bericht weer te geven dat op een citaat volgt, om eerst aan te spreken en dan over een afwezige te berichten, en over een afwezige te berichten en dan terug te keren naar de aanspreking — vanwege de betekenis van zowel de afwezige als de aangesprokene die in de weergave door middel van het citaat besloten ligt, zoals zij tegen een man zeggen: "Ik heb tegen je broer gezegd: 'als jíj opstaat, sta ik op', en ik heb tegen je broer gezegd: 'als híj opstaat, sta ik op'" — dan zou hem gemakkelijk zijn geweest wat hem moeilijk viel: de wijze waarop hij de genitief van "Mālik yawmi-d-dīn" moest richten.
Een voorbeeld dat overeenkomt met "Mālik yawmi-d-dīn" in de genitief, gevolgd door de terugkeer naar de aanspreking met إِيَّاكَ نَعْبُدُ, vanwege wat wij eerder hebben vermeld, is het bekende vers uit het gedicht van Abū Kabīr al-Hudhalī:
"O wee mijn ziel! De jeugdige frisheid van Khālid en het wit van jouw gelaat zijn ten prooi gevallen aan het grijze stof."
Hij keerde terug tot de aanspreking met zijn woord "en het wit van jóuw gelaat", nadat het bericht over Khālid eerst was verlopen in de trant van het bericht over een afwezige.
Hiertoe behoort ook het woord van Labīd ibn Rabīʿa:
"De ziel bracht de nacht door, klagend tot mij, in snikken uitbarstend, maar voorwaar, ik heb jou zeven na zeventig jaren gedragen."
Hij keerde terug tot het aanspreken van zijn eigen ziel, nadat het bericht erover eerst was voorafgegaan in de trant van het bericht over een afwezige.
Hiertoe behoort ook het woord van Allah — en het is de meest waarachtige uitspraak en het meest vaststaande bewijs: حَتَّى إِذَا كُنْتُمْ فِي الْفُلْكِ وَجَرَيْنَ بِهِمْ بِرِيحٍ طَيِّبَةٍ [Surah Yūnus: 22] (Totdat, wanneer jullie in de schepen zijn en zij met hen voortzeilen op een gunstige wind). Hij sprak eerst aan ("jullie") en keerde toen terug tot het bericht over een afwezige ("met hen"), en zei niet "en zij met jullie voortzeilden". De bewijzen hiervoor uit de poëzie en de taal der Arabieren zijn te talrijk om op te sommen, en in wat wij hebben vermeld is voldoende voor wie de bekwaamheid is geschonken het te begrijpen.
De lezing "Mālika yawmi-d-dīn" (met accusatief) is dus verboden en niet toegestaan, vanwege de consensus van alle gezaghebbende Koranreciteurs en geleerden van de gemeenschap om de recitatie daarmee te verwerpen.
Uitspraak over de uitleg van Zijn woord, verheven is Zijn lof: يَوْمِ الدِّينِ (de Dag des Oordeels).
Abū Jaʿfar zei: "al-dīn" heeft op deze plaats de uitleg van afrekening en vergelding voor de daden, zoals Kaʿb ibn Juʿayl zei:
"Wanneer zij ons beschieten, beschieten wij hen, en wij vergelden hun gelijk datgene wat zij ons lenen."
En zoals een ander zei:
"En weet, en wees ervan overtuigd, dat jouw koningschap vergankelijk is, en weet dat, zoals jij vergeldt, jou vergolden wordt."
Hij bedoelt: zoals jij vergeldt, word jij vergolden.
Hiertoe behoort het woord van Allah, verheven is Zijn lof: كَلا بَلْ تُكَذِّبُونَ بِالدِّينِ — dat wil zeggen: de vergelding — وَإِنَّ عَلَيْكُمْ لَحَافِظِينَ [Surah al-Infiṭār: 9, 10] (Nee, maar jullie loochenen het Oordeel, en voorwaar, er zijn over jullie wakers gesteld) die optekenen welke daden jullie verrichten. En Zijn woord, de Verhevene: فَلَوْلا إِنْ كُنْتُمْ غَيْرَ مَدِينِينَ [Surah al-Wāqiʿa: 86] (Waarom dan niet, indien jullie niet vergolden zouden worden) — dat wil zeggen: niet vergolden voor jullie daden en niet ter verantwoording geroepen.
En "al-dīn" heeft in de taal der Arabieren nog andere betekenissen, anders dan die van afrekening en vergelding, die wij op hun plaatsen zullen vermelden, indien Allah het wil.
En in overeenstemming met wat wij hebben gezegd over de uitleg van Zijn woord yawmi-d-dīn zijn de overleveringen van de voorgangers onder de exegeten gekomen, met de bekrachtiging van de bewijzen voor de uitleg die zij daaraan hebben gegeven.
167 — Abū Kurayb Muḥammad ibn al-ʿAlāʾ heeft ons verteld, hij zei: ʿUthmān ibn Saʿīd heeft ons verteld, hij zei: Bishr ibn ʿUmāra heeft ons verteld, hij zei: Abū Rawq heeft ons verteld, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, op gezag van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās: yawmi-d-dīn, hij zei: de Dag van de afrekening van de schepselen, en dat is de Dag der Opstanding. Hij zal hen vergelden naar hun daden: indien goed, dan goed, en indien kwaad, dan kwaad — behalve wie Hij vergiffenis schenkt, want de beschikking is Zijn beschikking. Vervolgens zei hij: أَلا لَهُ الْخَلْقُ وَالأَمْرُ [Surah al-Aʿrāf: 54] (Voorwaar, aan Hem behoren de schepping en de beschikking toe).
168 — En Mūsā ibn Hārūn al-Hamdānī heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād al-Qannād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ ibn Naṣr al-Hamdānī heeft ons verteld, op gezag van Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Raḥmān al-Suddī, op gezag van Abū Mālik, en op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās — en op gezag van Murra al-Hamdānī, op gezag van Ibn Masʿūd — en op gezag van een aantal metgezellen van de Profeet ﷺ: Maliki yawmi-d-dīn, dat is de Dag van de afrekening.
169 — Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda over Zijn woord: Mālik yawmi-d-dīn, hij zei: de Dag waarop Allah de dienaren naar hun daden vergeldt.
170 — Al-Qāsim ibn al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn ibn Dāwūd heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: Mālik yawmi-d-dīn, hij zei: de Dag waarop de mensen door de afrekening vergolden worden.
---
Voetnoten:
(81) "al-jabriyya" en "al-jabarūt" zijn hetzelfde, en het behoort tot de eigenschappen van Allah, de Verhevene. "al-Jabbār" (de Almachtige): de Overweldigende boven Zijn dienaren, die hen overweldigt met wat Hij wil aan gebod en verbod — geheiligd en verheven is Hij.
(82) "al-ṣaghara" is het meervoud van "ṣāghir": degene die de vernedering aanvaardt en haar erkent. En "al-adhilla" is het meervoud van "dhalīl" (vernederde).
(83) Bericht 166 — er is reeds uitvoerig gesproken over de zwakte van deze isnād bij nr. 137. Dit bericht, met het overige dat onder nr. 167 volgt, heeft Ibn Kathīr (1:46) overgeleverd zonder isnād en zonder toeschrijving, en al-Suyūṭī (1:14) heeft het overgeleverd en het tevens aan Ibn Abī Ḥātim toegeschreven. Ibn Kathīr zei: "Zo hebben ook anderen onder de metgezellen, de Volgers en de voorgangers gezegd. En het is duidelijk."
(84) In het manuscript staat: "al-milk ʿalā al-malik" (eigendom boven koning), en beide komen op hetzelfde neer.
(85) Zijn woord "aghfala" is een onovergankelijk werkwoord, niet transitief. De betekenis ervan is: hij verviel in onachtzaamheid en vergetelheid en raakte daarin verstrikt. Het is welgeworteld Arabisch, ook al staat het niet in de woordenboeken, vergelijkbaar met hun uitdrukking "anjada" (hij betrad de Najd) en dergelijke. Het volstaat als bewijs voor de Arabiciteit ervan dat het de taal van al-Shāfiʿī is, die het veelvuldig gebruikte in de Risāla en de Umm. Daartoe behoort zijn woord in de Risāla (42, nr. 136): "En door blinde navolging (taqlīd) is onachtzaam geworden wie van hen onachtzaam is geworden."
(86) De volgorde van de zin is: "En aan degene die dat beweert wordt gevraagd: het verschil ... welk grondbeginsel of welke aanwijzing", en wat daartussen staat is een inlassing.
(87) Het gedicht is van een dichter uit de overgangstijd (mukhaḍram), namelijk Ḥaḍramī ibn ʿĀmir al-Asadī, die met een groep van de Banū Asad bij de Boodschapper van Allah ﷺ kwam, waarna zij allen de islam aannamen. De aanleiding tot dit gedicht: zijn broers waren met hun negenen, en zij zaten bij een put die met hen instortte, waarna hij van hen erfde. Zijn neef Jazʾ ibn Mālik ibn Mujammiʿ benijdde hem en zei tot hem: "Wie is als jij? Je broers zijn gestorven en jij hebt van hen geërfd, zodat je in weelde en vreugde verkeert." Het duurde niet lang of Jazʾ zat met negen broers van hem bij een put, die met zijn broers instortte terwijl hij zelf werd gered. Dit bereikte Ḥaḍramī, die zei: "Voorwaar, aan Allah behoren wij toe en tot Hem keren wij terug — een woord dat met het lot overeenkwam en wrok deed voortleven", doelend op zijn woord tot Jazʾ: "moge jij dan spoedig hetzelfde ondervinden". "Azannahu bi-shayʾ" betekent: hij beschuldigde hem ervan. Zie Amālī al-Qālī (1:67), al-Kāmil (1:41-42) en andere.
(88) Het wordt in de Lisān (lemma "qarn") en in Majāz al-Qurʾān (100) toegeschreven aan een man van de Banū Asad. Het vers staat in Sībawayh (1:295 / 2:7, 65) en is een bekend bewijsvers. "Banū shāba qarnāhā" doelt op een volk; hij zegt: zonen van haar die genoemd wordt "shāba qarnāhā", dat wil zeggen: o zonen van de oude herderin, die geen andere zorg heeft dan het afbinden ("taṣurru", dat wil zeggen: zij bindt de afbindkoord om de uier vast totdat de melk zich verzamelt) en dan melken. Dit is een smadelijke beschrijving van haar. "al-Qarn" is hier de gevlochten haarlok.
(89) Zie nrs. 151 en 155.
(90) Aangesloten op zijn woord: "Maar als hij gekend had ...".
(91) Het antwoordzinsdeel van "Maar als hij gekend had ... en begrepen had".
(92) Dīwān al-Hudhaliyyīn (2:101). In de gedrukte editie staat "jalda", en dat is een fout; zijn woord "jidda" betekent zijn frisse jeugd. "al-Jidda" is het tegendeel van het verval. "al-turāb al-aʿfar" is het witte stof, dat de mensen zelden betreden vanwege zijn dorheid. Khālid was een vriend van hem uit zijn stam, die hij beweent.
(93) Het tweede deel van zijn Dīwān (46). Ibn Sallām zei in Ṭabaqāt fuḥūl al-shuʿarāʾ (p. 50), waar hij dit vers en een ander vers ermee vermeldt, dat beide op gezag van al-Shaʿbī zijn overgeleverd (Ibn Saʿd 6:178), en dat zij aan Labīd worden toegeschreven; vervolgens zei hij: "En er is geen meningsverschil over dat dit een verzinsel is waarmee de overleveringen worden vermeerderd en waarmee men zich helpt om wakker te blijven bij de koningen — en koningen onderzoeken niet grondig." "Ajhasha bi-l-bukāʾ": hij maakte zich gereed om te wenen en het wenen verstikte hem.
(94) Al-Kāmil van al-Mubarrad (1:191), Waqʿat Ṣiffīn van Naṣr ibn Muzāḥim (1:52), al-Mukhaṣṣaṣ (17:155).
(95) Al-Kāmil van al-Mubarrad (1:192), toegeschreven aan Yazīd ibn Abī al-Ṣaʿq al-Kilābī; eveneens in Jamharat al-amthāl van al-ʿAskarī (196) en al-Mukhaṣṣaṣ (17:155); in de Lisān (lemma's "znʾ" en "dān") toegeschreven aan Khuwaylid ibn Nawfal al-Kilābī, en in al-Khizāna (4:230) aan een zekere Kilābī. Men zegt: al-Ḥārith ibn Abī Shamir al-Ghassānī placht, wanneer een vrouw van Qays ʿAylān hem beviel, naar haar te zenden en haar te roven. Hij nam de dochter van Yazīd ibn al-Ṣaʿq al-Kilābī terwijl haar vader afwezig was; toen deze terugkeerde, werd hij ingelicht. Hij begaf zich naar hem, ging vóór hem staan en zei:
"O verheven koning, ziet gij niet hoe nacht en ochtend elkaar afwisselen?
Kunt gij de zon des nachts doen verschijnen? En hebt gij macht over de Koning der koningen?
O Ḥāriṯ, wees ervan overtuigd dat jouw koningschap vergankelijk is . . . . . . . . . . . . . . . . . . ."
(96) Bericht 167 — de bronvermelding ervan is reeds gegeven bij bericht 166.
(97) Bericht 168 — deze isnād is een van de meest voorkomende isnāden in de tafsīr van al-Ṭabarī, zo niet de meest voorkomende; nauwelijks een verstafsīr is vrij van een overlevering met deze isnād. Al-Ṭabarī zelf heeft erover gesproken (p. 121 Būlāq, regel 28 e.v.), waar hij — nadat hij het bericht op gezag van Ibn Masʿūd en Ibn ʿAbbās met deze isnād had vermeld — zei: "Indien dat juist is — en ik weet niet of het juist is, daar de isnād ervan twijfelachtig is ...". Hij heeft de oorzaak van zijn twijfel over de isnād niet uiteengezet, en ondanks zijn twijfel heeft hij er veelvuldig mee overgeleverd. Maar hij heeft het nooit tot bewijs gemaakt.
Toch acht ik het een isnād die nauwkeurig onderzoek behoeft. De imams van de ḥadīth hebben er kritiek op geuit, en op sommige overleveraars erin. Ik heb nagespeurd wat zij hebben gezegd en waartoe het onderzoek ervan oproept, voor zover ik kon, en ik ben tot een oordeel gekomen waarvan ik hoop dat het juist is, indien Allah het wil. En mijn welslagen ligt slechts bij Allah:
Wat betreft de leermeester van al-Ṭabarī, namelijk "Mūsā ibn Hārūn al-Hamdānī": ik heb voor hem geen biografie of vermelding gevonden in iets van de naslagwerken die ik bij de hand heb, behalve wat al-Ṭabarī eveneens op zijn gezag overlevert in zijn geschiedeniswerk, op meer dan vijftig plaatsen in de eerste twee delen daarvan. Wij hebben geen behoefte aan zijn biografie vanuit het oogpunt van kritiek en betrouwbaarheidsbeoordeling (al-jarḥ wa-l-taʿdīl), want deze tafsīr die hij overlevert op gezag van ʿAmr ibn Ḥammād is bekend bij de kenners van de ḥadīth-wetenschap. Het is niet meer dan de overlevering van een boek, niet de overlevering van een afzonderlijke ḥadīth.
"En ʿAmr ibn Ḥammād": dat is ʿAmr ibn Ḥammād ibn Ṭalḥa al-Qannād, soms toegeschreven aan zijn grootvader, zodat men zegt ʿAmr ibn Ṭalḥa. Hij is betrouwbaar (thiqa); Muslim heeft op zijn gezag overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ; Ibn Saʿd gaf zijn biografie in de Ṭabaqāt (6:285) en zei: "Hij was betrouwbaar, indien Allah het wil." Hij stierf in het jaar 222. Ibn Abī Ḥātim gaf zijn biografie in al-Jarḥ wa-l-taʿdīl (3/1/228) en leverde op gezag van zijn vader en Yaḥyā ibn Maʿīn over dat zij over hem zeiden: "oprecht (ṣadūq)".
Asbāṭ ibn Naṣr al-Hamdānī: over hem is meningsverschil; Aḥmad verklaarde hem zwak, Ibn Ḥibbān vermeldde hem onder de betrouwbaren (al-Thiqāt: 410), al-Bukhārī gaf zijn biografie in al-Kabīr (1/2/53) zonder kritiek te vermelden, en Ibn Abī Ḥātim gaf zijn biografie in al-Jarḥ wa-l-taʿdīl (1/1/332) en leverde op gezag van Yaḥyā ibn Maʿīn over dat hij zei: "Asbāṭ ibn Naṣr is betrouwbaar." Wij hebben zijn betrouwbaarheid voor het juiste gehouden in Sharḥ al-Musnad, bij ḥadīth 1286.
Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Raḥmān ibn Abī Karīma al-Suddī: dat is al-Suddī de Oudere, een Qurashiet door cliëntschap, vrijgelatene van Zaynab bint Qays ibn Makhrama, van de Banū ʿAbd Manāf, zoals al-Bukhārī uitdrukkelijk vermeldt in zijn beide geschiedeniswerken: al-Ṣaghīr (141-142) en al-Kabīr (1/1/361). Hij is een Volger (tābiʿī), die Anas hoorde, zoals al-Bukhārī eveneens uitdrukkelijk vermeldt, en die op gezag van andere metgezellen overleverde en van veel Volgers. Hij is betrouwbaar; Muslim heeft op zijn gezag overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ; Aḥmad ibn Ḥanbal verklaarde hem betrouwbaar, volgens wat Ibn Abī Ḥātim overleverde in al-Jarḥ wa-l-taʿdīl (1/1/184). Hij leverde ook over op gezag van Aḥmad, die zei: "Yaḥyā ibn Maʿīn zei eens tegen mij in aanwezigheid van ʿAbd al-Raḥmān ibn Mahdī: 'al-Suddī is zwak', waarop ʿAbd al-Raḥmān vertoornd raakte en afkeurde wat hij zei." In de Mīzān en de Tahdhīb staat: "dat tot al-Shaʿbī werd gezegd: 'Aan al-Suddī is een deel van de kennis van de Koran geschonken', waarop hij zei: 'Aan hem is een deel van de onwetendheid over de Koran geschonken!'" Naar mijn mening kan dit woord van al-Shaʿbī de grondslag zijn van de uitspraak van eenieder die al-Suddī ten onrechte heeft bekritiseerd. Daarom heeft al-Bukhārī zich niets aangetrokken van dit woord van al-Shaʿbī en het niet overgeleverd; integendeel, hij leverde in al-Kabīr over op gezag van Musaddad, op gezag van Yaḥyā, die zei: "Ik hoorde Ibn Abī Khālid zeggen: 'al-Suddī is kundiger in de Koran dan al-Shaʿbī.'" En hij leverde in zijn beide geschiedeniswerken over op gezag van Ibn al-Madīnī, op gezag van Yaḥyā — dat is al-Qaṭṭān — die zei: "Ik heb niemand al-Suddī zien vermelden anders dan met het goede, en niemand heeft hem verworpen." In de Tahdhīb staat: "al-ʿIjlī zei: 'betrouwbaar, kundig in de tafsīr, een overleveraar daarvan.'" Wij hebben zijn betrouwbaarheid voor het juiste gehouden in Sharḥ al-Musnad (807). Al-Suddī stierf in het jaar 127.
En "al-Suddī": met een ḍamma op de sīn en een verdubbeling van de onbestippelde dāl, een toeschrijving aan "al-sudda", dat is de deur, omdat hij placht te zitten bij de deur (sudda) van de hoofdmoskee te Kūfa en daar hoofddoeken verkocht.
Abū Mālik: dat is al-Ghifārī, en zijn naam is Ghazwān. Hij is een betrouwbare Volger uit Kūfa. Al-Bukhārī gaf zijn biografie in al-Kabīr (4/1/108), Ibn Saʿd in de Ṭabaqāt (6:206), en Ibn Abī Ḥātim in al-Jarḥ wa-l-taʿdīl (3/2/55), en Yaḥyā ibn Maʿīn leverde zijn betrouwbaarverklaring over.
Abū Ṣāliḥ: dat is de vrijgelatene van Umm Hāniʾ bint Abī Ṭālib, en zijn naam is Bādhām, ook wel Bādhān. Hij is een betrouwbare Volger; wij hebben zijn betrouwbaarheid voor het juiste gehouden in Sharḥ al-Musnad (2030). Al-Bukhārī gaf zijn biografie in al-Kabīr (1/2/144) en leverde over op gezag van Muḥammad ibn Bashshār, die zei: "Ibn Mahdī verwierp de ḥadīth van Abū Ṣāliḥ." Eveneens leverde Ibn Abī Ḥātim in zijn biografie in al-Jarḥ wa-l-taʿdīl (1/1/431-432) dit over op gezag van Aḥmad ibn Ḥanbal, op gezag van Ibn Mahdī. Maar hij leverde ook over op gezag van Yaḥyā ibn Saʿīd al-Qaṭṭān, die zei: "Ik heb niemand van onze metgezellen Abū Ṣāliḥ, de vrijgelatene van Umm Hāniʾ, zien verwerpen, en ik heb niemand van de mensen iets nadeligs over hem horen zeggen; noch Shuʿba, noch Zāʾida, noch ʿAbdullāh ibn ʿUthmān heeft hem verworpen." En hij leverde ook over op gezag van Yaḥyā ibn Maʿīn, die zei: "Abū Ṣāliḥ, de vrijgelatene van Umm Hāniʾ, is niet zwak; maar wanneer al-Kalbī op zijn gezag overlevert, dan is het niets waard, en wanneer een ander dan al-Kalbī op zijn gezag overlevert, dan is het niet zwak — want al-Kalbī verhaalt het soms naar eigen mening, soms op gezag van Abū Ṣāliḥ, en soms op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās." Hij bedoelt hiermee dat de kritiek op wat op zijn gezag wordt overgeleverd, zich richt op de overlevering van al-Kalbī, zoals duidelijk is.
Dit over het eerste deel van deze isnād. Want het zijn in werkelijkheid twee of drie isnāden. De eerste daarvan is deze, die aansluit op Ibn ʿAbbās.
Het tweede deel, of de tweede isnād: "en op gezag van Murra al-Hamdānī, op gezag van Ibn Masʿūd". Degene die op gezag van Murra al-Hamdānī overlevert, is al-Suddī zelf.
En Murra: dat is Ibn Sharāḥīl al-Hamdānī al-Kūfī, een betrouwbare Volger, een van de oudere Volgers; over hem bestaat geen meningsverschil onder hen.
Het derde deel, of de derde isnād: "en op gezag van een aantal metgezellen van de Profeet ﷺ". Ook dit is van de overlevering van al-Suddī zelf op gezag van een aantal metgezellen.
Al-Suddī levert deze tafsīr-uitleggingen van Koranverzen dus over: op gezag van twee Volgers op gezag van Ibn ʿAbbās, op gezag van één Volger op gezag van Ibn Masʿūd, en uit zijn eigen overlevering op gezag van een aantal metgezellen.
De oude gezaghebbende geleerden hebben uitspraken over deze tafsīr met deze isnāden, die de indruk zouden kunnen wekken dat hij is samengesteld door iemand beneden al-Suddī onder de overleveraars op zijn gezag; maar ik ben er nadien zeker van geworden dat het een boek is dat door al-Suddī zelf is samengesteld.
Daartoe behoort de uitspraak van Ibn Saʿd in de biografie van "ʿAmr ibn Ḥammād al-Qannād" (6:285): "de bezitter van de tafsīr van Asbāṭ ibn Naṣr op gezag van al-Suddī". En hij zei in de biografie van "Asbāṭ ibn Naṣr" (6:261): "Hij was de overleveraar van al-Suddī, hij leverde de tafsīr op zijn gezag over." En daarvóór zei hij in de biografie van "al-Suddī" (6:225): "Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Raḥmān al-Suddī, de bezitter van de tafsīr." En daarvóór zei hij ook, in de biografie van "Abū Mālik al-Ghifārī" (6:206): "Abū Mālik al-Ghifārī, de bezitter van de tafsīr, en hij was schaars in ḥadīth."
Maar wat het meest aannemelijk maakt dat het een boek is dat al-Suddī heeft samengesteld, waarin hij de tafsīr langs deze drie wegen verzamelde, is de uitspraak van Aḥmad ibn Ḥanbal in de Tahdhīb (1:314), in de biografie van al-Suddī: "Hij vertelt de ḥadīth voortreffelijk, maar deze tafsīr waarmee hij komt, daaraan heeft hij een isnād gegeven en zich daartoe ingespannen." En de uitspraak van de Ḥāfiẓ (Ibn Ḥajar) eveneens in de Tahdhīb (1:315): "Al-Ṭabarī, Ibn Abī Ḥātim en anderen hebben in hun tafsīrwerken de tafsīr van al-Suddī, verspreid over de surahs, overgeleverd langs de weg van Asbāṭ ibn Naṣr op zijn gezag."
En de uitspraak van al-Suyūṭī in al-Itqān (2:224), naar wat hij op gezag van al-Khalīl in al-Irshād overleverde: "En de tafsīr van Ismāʿīl al-Suddī, die hij aanvoert met isnāden tot Ibn Masʿūd en Ibn ʿAbbās. En de imams hebben op gezag van al-Suddī overgeleverd, zoals al-Thawrī en Shuʿba. Maar de tafsīr die hij verzamelde, heeft Asbāṭ ibn Naṣr overgeleverd, en over Asbāṭ is men het niet eens. Niettemin is de voortreffelijkste der tafsīrwerken de tafsīr van al-Suddī." Vervolgens zei al-Suyūṭī: "En de tafsīr van al-Suddī waarnaar hij verwees, daaruit voert Ibn Jarīr veel aan, langs de weg van al-Suddī op gezag van Abū Mālik en van Abū Ṣāliḥ op gezag van Ibn ʿAbbās, en van Murra op gezag van Ibn Masʿūd, en van een aantal metgezellen. Aldus. En Ibn Abī Ḥātim heeft er niets uit aangevoerd, omdat hij zich verplicht had alleen het meest authentieke dat is overgeleverd aan te voeren. En al-Ḥākim voert er in zijn Mustadrak zaken uit aan en verklaart ze authentiek, echter alleen langs de weg van Murra op gezag van Ibn Masʿūd en een aantal metgezellen, zonder de eerste weg. En Ibn Kathīr heeft gezegd: dat al-Suddī met deze isnād zaken overlevert waarin vreemdheid (gharāba) zit."
Het eerste waarop wij in deze uitspraken wijzen, is de tegenstrijdigheid tussen de uitspraken van de Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar en al-Suyūṭī: namelijk dat Ibn Abī Ḥātim de tafsīr van al-Suddī verspreid in zijn tafsīr heeft aangevoerd, zoals al-Ṭabarī deed — volgens de overlevering van de Ḥāfiẓ — terwijl hij zich er juist van afwendde — volgens de overlevering van al-Suyūṭī. Ik kan daarover niets met stelligheid beweren, daar ik de tafsīr van Ibn Abī Ḥātim niet heb gezien. Maar ik neig ertoe de overlevering van Ibn Ḥajar voor het juiste te houden, omdat hij nauwkeuriger en preciezer is in de overlevering dan al-Suyūṭī.
Vervolgens heeft al-Suyūṭī gelijk gehad in wat hij op gezag van al-Ḥākim overleverde. Want deze levert een deel van deze tafsīr in de Mustadrak over, met zijn isnād, tot Aḥmad ibn Naṣr: "ʿAmr ibn Ṭalḥa al-Qannād heeft ons verteld, Asbāṭ ibn Naṣr heeft ons verteld, op gezag van Ismāʿīl ibn ʿAbd al-Raḥmān al-Suddī, op gezag van Murra al-Hamdānī, op gezag van ʿAbdullāh ibn Masʿūd, en op gezag van een aantal metgezellen van de Profeet ﷺ". Vervolgens verklaart hij het authentiek volgens de maatstaf van Muslim, en al-Dhahabī stemt met hem in in zijn Talkhīṣ. Daartoe behoort wat staat in de Mustadrak (2:258, 260, 273, 321).
En al-Ḥākim heeft daarin gelijk, want Muslim heeft van alle overleveraars van deze isnād overgeleverd — van ʿAmr ibn Ḥammād ibn Ṭalḥa al-Qannād tot Murra al-Hamdānī. Maar hij heeft niet overgeleverd van Abū Ṣāliḥ Bādhām, noch van Abū Mālik al-Ghifārī, in het eerste deel van de isnād waarmee al-Suddī zijn tafsīr-uitleggingen overleverde.
Wat betreft het woord van de imam Aḥmad ibn Ḥanbal over al-Suddī: "maar deze tafsīr waarmee hij komt, daaraan heeft hij een isnād gegeven en zich daartoe ingespannen" — daarmee bedoelt hij niet wat uit de uiterlijke betekenis ervan zou kunnen worden begrepen, namelijk dat hij een isnād verzon die geen grondslag had; want als dat zo was, zou hij — naar zijn oordeel — een leugenaar en vervalser van overlevering zijn. Hij bedoelt veeleer — naar mijn mening, en Allah weet het het beste — dat hij deze tafsīr-uitleggingen verzamelde uit zijn overlevering op gezag van deze mensen: van Abū Mālik en Abū Ṣāliḥ op gezag van Ibn ʿAbbās, en van Murra op gezag van Ibn Masʿūd, en van een aantal metgezellen, en dat hij ze vervolgens alle gedetailleerd aanvoerde bij de verzen waarbij iets aan tafsīr was overgeleverd van deze of gene of dezen, en dat hij ze alle deze ene isnād gaf en zich inspande ze alle volgens één en dezelfde aanvoering te presenteren.
Ik bedoel: dat hij de verspreide delen van deze tafsīr-uitleggingen verzamelde in één boek, waaraan hij aan het begin deze isnāden gaf, daarmee bedoelend dat wat hij in dit boek aan tafsīr overlevert, niet buiten deze isnāden valt. Ik kan nauwelijks begrijpen dat hij ieder woord van deze tafsīr-uitleggingen op aller gezag tezamen overlevert. Het is dus een samengesteld boek over de tafsīr, waarin in algemene zin — niet in detail — wordt teruggegrepen op de overlevering van dezen.
Wat de mensen slechts in deze verwarring heeft gebracht, is het verspreiden van deze tafsīr-uitleggingen over hun plaatsen, zoals het procedé van al-Ṭabarī dat wij vóór ons hebben, en het procedé van Ibn Abī Ḥātim — volgens wat de Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar overleverde — en het procedé van al-Ḥākim in de Mustadrak. Ik durf bijna met stelligheid te beweren dat dit verspreiden een fout van hen is, omdat het de lezer de indruk geeft dat ieder woord van deze tafsīr-uitleggingen met al deze isnāden tezamen wordt overgeleverd, daar zij ze volledig aanvoeren bij iedere isnād. En al-Ḥākim kiest er één isnād uit die hij vermeldt bij iedere tafsīr-uitleg ervan die hij wil overleveren. Het kan zijn dat wat al-Ḥākim — bijvoorbeeld — met de isnād tot Ibn Masʿūd heeft overgeleverd, niet behoort tot wat al-Suddī woordelijk op gezag van Ibn Masʿūd heeft overgeleverd; veeleer behoort het misschien tot wat hij van de tafsīr van Ibn ʿAbbās heeft overgeleverd, of tot wat een aantal metgezellen hebben overgeleverd, van elk van wie hij iets heeft overgeleverd, zodat hij het geheel met een isnād voorzag, maar niet de details.
En al-Suddī was hierin geen nieuwlichter, en dit is geen kritiek op hem en geen smet. Hij bedoelt slechts deze tafsīr-uitleggingen terug te voeren op de metgezellen, sommige op gezag van Ibn ʿAbbās, sommige op gezag van Ibn Masʿūd, en sommige op gezag van anderen onder hen. En anderen dan hij onder de ḥadīth-geheugenmeesters en hun imams hebben iets dergelijks gedaan als wat hij deed, en dat was geen kritiekpunt tegen hen; integendeel, de geheugenmeesters na hen hebben het aanvaard en in hun verzamelwerken aangevoerd. Mij komt thans hiervan voor de geest het procedé van zijn tijdgenoot: de imam Ibn Shihāb al-Zuhrī. Want hij leverde het verhaal van de ḥadīth van de laster (al-ifk) over en zei: "Saʿīd ibn al-Musayyib, ʿUrwa ibn al-Zubayr, ʿAlqama ibn Waqqāṣ en ʿUbaydullāh ibn ʿAbdillāh ibn ʿUtba ibn Masʿūd hebben mij bericht over de ḥadīth van ʿĀʾisha, de echtgenote van de Profeet ﷺ, toen de mensen van de laster over haar zeiden wat zij zeiden, waarna Allah haar vrijpleitte van wat zij zeiden. En zij allen vertelden mij een deel van haar verhaal, en sommigen onthielden haar verhaal beter dan anderen en gaven het nauwkeuriger weer. En ik heb van ieder van hen het verhaal onthouden dat hij mij vertelde, en een deel van hun verhaal bevestigt het andere deel", enzovoort.
Zo vermeldde hij de ḥadīth in zijn volle lengte. Hij staat in Ṣaḥīḥ Muslim (2:333-335), en hij zal komen in de tafsīr van al-Ṭabarī (18:71-74 Būlāq). De imam Aḥmad en al-Bukhārī hebben hem in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd, zoals in de tafsīr van Ibn Kathīr (6:68-73). Vervolgens zei Ibn Kathīr: "En zo heeft ook Ibn Isḥāq hem op gezag van al-Zuhrī overgeleverd, die zei: 'En Yaḥyā ibn ʿAbbād ibn ʿAbdillāh ibn al-Zubayr heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van ʿĀʾisha; en ʿAbdullāh ibn Abī Bakr ibn Muḥammad ibn ʿAmr ibn Ḥazm heeft mij verteld, op gezag van ʿAmra, op gezag van ʿĀʾisha.'" De laatste isnād van Ibn Isḥāq staat eveneens in al-Ṭabarī. Beide isnāden heeft Ibn Isḥāq op gezag van al-Zuhrī overgeleverd, in de Sīra (p. 731 van de Sīra van Ibn Hishām).
En de voorbeelden hiervan zijn talrijk; het is thans moeilijk ze na te speuren.
En dit onderzoek heeft ons het voordeel opgeleverd dat de tafsīr van al-Suddī behoort tot de eerste boeken die zijn samengesteld in het overleveren van de ḥadīth en de overleveringen (āthār).
En hij behoort tot een hoge generatie, tot de generatie van de leermeesters van Mālik onder de Volgers.
Voorts: wat dit bericht zelf betreft, dat heeft al-Ḥākim in de Mustadrak (2:258) overgeleverd, met de isnād waarnaar wij hebben verwezen, van de overlevering van al-Suddī op gezag van Murra op gezag van Ibn Masʿūd, en op gezag van een aantal metgezellen. En hij zei: "Dit is een authentieke ḥadīth volgens de maatstaf van Muslim, maar zij hebben hem niet overgeleverd." Al-Dhahabī stemde met hem in. En al-Suyūṭī leverde hem over in al-Durr al-manthūr (1:14) op gezag van Ibn Jarīr en al-Ḥākim, en verklaarde hem authentiek, op gezag van Ibn Masʿūd en een aantal metgezellen.
(98) Overlevering 169 — al-Suyūṭī leverde haar over (1:14) en schreef haar toe aan ʿAbd al-Razzāq en ʿAbd ibn Ḥumayd. En het is duidelijk in deze overlevering van al-Ṭabarī — dat zij uit de Muṣannaf van ʿAbd al-Razzāq stamt. En al-Shawkānī (1:12) schreef haar aan beiden toe, alsook aan al-Ṭabarī.
(99) Overlevering 170 — er is reeds over deze isnād gesproken bij nr. 144. Wat de bewoording betreft, niemand van hen heeft die vermeld.