Tabari
Terug naar surah 92, ayah 19

Tafseer van De Nacht · Al-Lail · 92:19

وَمَا لِأَحَدٍ عِندَهُۥ مِن نِّعْمَةٍۢ تُجْزَىٰٓ

En niet om voor een gunst aan iemand beloond te worden.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: En niemand bezit bij hem een gunst die vergolden moet worden (19)

    Sommige taalkundigen richtten de uitleg daarvan op (de betekenis): En niemand van Allahs schepselen heeft bij deze persoon, die zijn bezit uitgeeft op de weg van Allah om zich te louteren, ( een gunst die vergolden moet worden ) — dat wil zeggen: een (eerdere) weldaad waarvoor hij hem zou belonen. Hij zegt: hij geeft niet uit wat hij daarvan uitgeeft, en schenkt niet wat hij schenkt, als vergelding aan een mens die hij beloont voor een weldaad die deze bij hem heeft, en evenmin als compensatie voor een gunst die eerder van hem naar hem (de gever) is uitgegaan en die hij hem heeft bewezen, maar hij geeft het uit in het kader van de rechten van Allah, strevend naar het Aangezicht van Allah. Hij zei: en "illā" ("behalve") heeft op deze plaats de betekenis van "lākin" ("maar"). En hij zei: het is mogelijk dat het werkwoord (yafʿal) op de toekomstige beloning betrekking heeft, zodat de betekenis is: en hij beoogde met wat hij uitgaf geen beloning van iemand. En de plaats van de lām die in "aḥad" zit, hoort thuis bij het achtervoegsel "-hu" (in "ʿinda-hu") dat hij in de genitief heeft gezet, alsof je zou zeggen: en hij heeft bij niemand, voor wat hij heeft uitgegeven, een gunst waarvan hij de beloning verlangt. Hij zei: en de Arabieren plaatsen het partikel soms op een andere dan zijn (eigenlijke) plaats wanneer (de bedoeling) bekend is. En zij voerden daarvoor als bewijs aan het vers van al-Nābigha:

    En ik heb gevreesd, zozeer dat mijn vrees niet meer toenam boven (de vrees voor) een steenbok in de berg al-Maṭāra, verstandig (2)

    En de betekenis is: zozeer dat de vrees voor een steenbok niet meer toenam boven mijn vrees. En dit is wat hij zei wiens uitspraak wij van de taalkundigen hebben overgeleverd, en zijn bewering dat het toegestaan is, is het juiste, dat overeenstemt met wat in de overleveringen van de uitleggers is gekomen; en zij zeiden: het werd geopenbaard over Abū Bakr vanwege zijn vrijlating (ʿitq) van wie hij vrijliet.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: ( En niemand bezit bij hem een gunst die vergolden moet worden * behalve het streven naar het Aangezicht van zijn Heer, de Allerhoogste * en waarlijk, hij zal tevreden zijn ). Hij zegt: het is bij hem niet (een kwestie van) de beloning van de mensen, noch hun vergelding; zijn gave is slechts (omwille van) Allah.

    Muḥammad ibn Ibrāhīm al-Anmāṭī heeft mij verteld, hij zei: Hārūn ibn Maʿrūf heeft ons verteld, hij zei: Bishr ibn al-Sarī heeft ons verteld, hij zei: Muṣʿab ibn Thābit heeft ons verteld, op gezag van ʿĀmir ibn ʿAbd Allāh, op gezag van zijn vader, hij zei: Dit vers werd geopenbaard over Abū Bakr al-Ṣiddīq: ( En niemand bezit bij hem een gunst die vergolden moet worden * behalve het streven naar het Aangezicht van zijn Heer, de Allerhoogste * en waarlijk, hij zal tevreden zijn ).

    Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, hij zei: Saʿīd heeft mij bericht, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: ( En niemand bezit bij hem een gunst die vergolden moet worden ) zei hij: het werd geopenbaard over Abū Bakr, die mensen vrijliet van wie hij geen vergelding noch dank verlangde, zes of zeven (in getal), onder hen Bilāl en ʿĀmir ibn Fuhayra.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : وَمَا لأَحَدٍ عِنْدَهُ مِنْ نِعْمَةٍ تُجْزَى (19) كان بعض أهل العربية يوجه تأويل ذلك إلى: وما لأحد من خلق الله عند هذا الذي يؤتي ماله في سبيل الله يتزكى ( مِنْ نِعْمَةٍ تُجْزَى ) يعني: من يد يكافئه عليها، يقول: ليس ينفق ما ينفق من ذلك، ويعطي ما يعطي، مجازاة إنسان يجازيه على يد له عنده، ولا مكافأة له على نعمة سلفت منه إليه، أنعمها عليه، ولكن يؤتيه في حقوق الله ابتغاء وجه الله. قال: وإلا في هذا الموضع بمعنى لكن، وقال: يجوز أن يكون يفعل في المكافأة مستقبلا فيكون معناه: ولم يرد بما أنفق مكافأة من أحد، ويكون موقع اللام التي في أحد في الهاء التي خفضتها عنده، فكأنك قلت: وما له عند أحد فيما أنفق من نعمة يلتمس ثوابها، قال: وقد تضع العرب الحرف في غير موضعه إذا كان معروفا، واستشهدوا لذلك ببيت النابغة: وَقَـدْ خِـفْتُ حـتى مـا تَزِيدُ مخافَتِي عـلى وَعِـلٍ فِـي ذِي الَمطَارَةِ عاقِلِ (2) والمعنى: حتى ما تزيد مخافة وعل على مخافتي وهذا الذي قاله الذي حكينا قوله من أهل العربية، وزَعْمُ أنه مما يجوز هو الصحيح الذي جاءت به الآثار عن أهل التأويل وقالوا: نـزلت في أبي بكر بعِتْقه من أعتق. * ذكر من قال ذلك: حدثنا بشر، فال: ثنا يزيد، قال: ثنا سعيد، عن قتادة ( وَمَا لأحَدٍ عِنْدَهُ مِنْ نِعْمَةٍ تُجْزَى * إِلا ابْتِغَاءَ وَجْهِ رَبِّهِ الأعْلَى * وَلَسَوْفَ يَرْضَى) يقول: ليس به مثابة الناس ولا مجازاتهم، إنما عطيته لله. حدثني محمد بن إبراهيم الأنماطي، قال: ثنا هارون بن معروف. قال: ثنا بشر بن السَّريّ، قال: ثنا مصعب بن ثابت، عن عامر بن عبد الله عن أبيه، قال: نـزلت هذه الآية في أبي بكر الصدّيق: ( وَمَا لأحَدٍ عِنْدَهُ مِنْ نِعْمَةٍ تُجْزَى * إِلا ابْتِغَاءَ وَجْهِ رَبِّهِ الأعْلَى * وَلَسَوْفَ يَرْضَى) . حدثنا ابن عبد الأعلى، قال: ثنا ابن ثور، عن معمر، قال: أخبرني سعيد، عن قتادة، في قوله ( وَمَا لأحَدٍ عِنْدَهُ مِنْ نِعْمَةٍ تُجْزَى ) قال: نـزلت في أبي بكر، &; 24-480 &; أعتق ناسا لم يلتمس منهم جزاء ولا شكورا، ستة أو سبعة، منهم بلال، وعامر بن فُهَيرة.