Tafseer van De Nachtkomeling · At-Taariq · 86:4
Voorwaar, er is geen ziel of er is een bewaker over aangesteld.
Zijn uitspraak: إِنْ كُلُّ نَفْسٍ لَمَّا عَلَيْهَا حَافِظٌ ("er is geen ziel of er is over haar een bewaker"). De koranlezers verschilden over de lezing daarvan. Van de lezers van Medina las Abū Jaʿfar, en van de lezers van Kūfa Ḥamza, het als لَمَّا عَلَيْهَا met een verdubbeling (tashdīd) van de mīm. En het is over al-Ḥasan vermeld dat hij het eveneens zo las.
Aḥmad ibn Yūsuf heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿUbayd heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, op gezag van Hārūn, op gezag van al-Ḥasan, dat hij het las إِنْ كُلُّ نَفْسٍ لَمَّا عَلَيْهَا حَافِظٌ met verdubbeling, en hij zei: er is niets of er is over haar een bewaker; en zo is alles in de Koran met de verzwaring (tathqīl). En het lazen van de lieden van Medina Nāfiʿ, en van de lieden van Basra Abū ʿAmr, het als لَمَا met verlichting (takhfīf), in de betekenis: voorwaar, over elke ziel is een bewaker, en op grond dat de lām het antwoord op "in" (voorwaar) is, en "mā" die erna volgt overtollig (ṣila) is. En wanneer dat zo is, dan is daarin geen verdubbeling.
En de lezing waarvan ik geen andere kies, is daarin de verlichting (takhfīf), omdat dat de bekende uitdrukking is uit de taal der Arabieren, en een groep van de kenners van de taal der Arabieren heeft de verdubbeling verworpen, dat zij bekend zou zijn uit de taal der Arabieren. Alleen al-Farrāʾ placht te zeggen: wij kennen de aard van de verzwaring daarin niet, en wij menen dat het een dialect is bij de stam Hudhayl, die "illā" met de verlichte "in" maken tot "lammā", en niet verdergaan dan dat, alsof hij zei: "er is geen ziel of over haar is een bewaker". Indien dan juist is wat al-Farrāʾ vermeldde, dat het een dialect van Hudhayl is, dan is het lezen daarmee toegestaan en juist, ofschoon de voorkeur — wanneer dat bij ons als juist vaststaat — toch de andere lezing is, namelijk de verlichting, omdat dat het bekende is uit de taal der Arabieren, en het niet behoort dat men het meest bekende verlaat voor het meest vreemde.
En Aḥmad ibn Yūsuf heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿUbayd heeft ons verteld, hij zei: Muʿādh heeft ons verteld, op gezag van Ibn ʿAwn, hij zei: ik las in aanwezigheid van Ibn Sīrīn: إِنْ كُلُّ نَفْسٍ لَمَّا عَلَيْهَا حَافِظٌ , waarop hij het verwierp en zei: "Subḥān Allāh, Subḥān Allāh."
De uitleg van de woorden is dan: er is geen ziel of over haar is een bewaker van haar Heer, die haar handelen bewaart en tegen haar optekent wat zij verricht aan goed of kwaad.
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken.
* Vermelding van wie dat zei:
Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn uitspraak: إنْ كُلُّ نَفْسٍ لَمَا عَلَيْهَا حَافِظٌ , hij zei: over elke ziel zijn er bewakers van de engelen.
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: إنْ كُلُّ نَفْسٍ لَمَا عَلَيْهَا حَافِظٌ : bewakers die jouw handelen, jouw levensonderhoud en jouw levenstermijn bewaren; wanneer jouw termijn voltooid is, o zoon van Adam, word je tot je Heer weggenomen.