Tabari
Terug naar surah 8, ayah 73

Tafseer van De Buit · Al-Anfaal · 8:73

وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَآءُ بَعْضٍ ۚ إِلَّا تَفْعَلُوهُ تَكُن فِتْنَةٌۭ فِى ٱلْأَرْضِ وَفَسَادٌۭ كَبِيرٌۭ

En degenen die ongelovig zijn, zijn elkaars bondgenoten. Als jullie dat niet doen (elkaar steunen en beschermen), den zal er chaos en een groot verderf op aarde ontstaan.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de verklaring van Zijn uitspraak: وَالَّذِينَ كَفَرُوا بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْضٍ إِلا تَفْعَلُوهُ تَكُنْ فِتْنَةٌ فِي الأَرْضِ وَفَسَادٌ كَبِيرٌ (8:73) ("En de ongelovigen zijn beschermheren (awliyāʾ) van elkaar; indien gij dit niet doet, zal er beproeving (fitna) op aarde zijn en grote verderfelijkheid." (8:73))

    Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: (en de ongelovigen), namelijk zij die ongelovig zijn aan Allah en Zijn boodschapper =(zijn beschermheren van elkaar), dat wil zeggen: zij zijn elkaars helpers en bondgenoten, en zij hebben meer recht op elkaar dan de gelovigen in Allah en Zijn boodschapper.

    * * *

    Wij hebben reeds de uitspraak vermeld van degene die zei: "Hiermee wordt bedoeld dat sommigen van hen meer recht hebben op de erfenis (mīrāth) van anderen dan hun verwanten onder de gelovigen", en wij zullen de rest vermelden van wat ons aan overleveringen daarover ter beschikking staat.

    16343 — Muḥammad ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, op gezag van Abū Mālik, die zei: Een man zei: "Laten wij onze bloedverwanten onder de polytheïsten (mushrikīn) doen erven!" Toen werd geopenbaard: (en de ongelovigen zijn beschermheren van elkaar), de vers.

    16344 — Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn uitspraak: (en de ongelovigen zijn beschermheren van elkaar; indien gij dit niet doet, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid) — deze werd geopenbaard over de erfenissen van de polytheïsten onder de mensen van het verdrag.

    16345 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: وَالَّذِينَ آمَنُوا وَلَمْ يُهَاجِرُوا مَا لَكُمْ مِنْ وَلايَتِهِمْ مِنْ شَيْءٍ حَتَّى يُهَاجِرُوا ("En zij die geloofd hebben maar niet zijn uitgeweken, gij hebt geen enkele beschermplicht jegens hen totdat zij uitwijken"), tot aan Zijn uitspraak: (en grote verderfelijkheid), hij zei: De uitgeweken gelovige (muhājir) en de gelovige die niet was uitgeweken, erfden niet van elkaar, ook al waren zij twee gelovige broers. Hij zei: En dat was omdat deze religie in dat land gering in aantal was, totdat de dag van de Verovering (van Mekka) kwam; en toen de dag van de Verovering kwam en de uitwijking (hijra) ophield, erfden zij van elkaar door bloedverwantschap, waar zij zich ook bevonden. En de Profeet ﷺ zei: "Er is geen uitwijking na de Verovering", en hij reciteerde: وَأُولُو الأَرْحَامِ بَعْضُهُمْ أَوْلَى بِبَعْضٍ فِي كِتَابِ اللَّهِ ("En de bloedverwanten hebben in het Boek van Allah meer recht op elkaar").

    * * *

    Anderen zeiden: De betekenis daarvan is: dat de ongelovigen elkaars helpers zijn = en dat wie verblijf houdt in het gebied van oorlog (dār al-ḥarb) en niet uitwijkt, geen gelovige is.

    * Vermelding van wie dat zei:

    16346 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: (en de ongelovigen zijn beschermheren van elkaar), hij zei: Een man placht zich te vestigen tussen de moslims en de polytheïsten, en zei dan: "Als dezen de overhand krijgen, ben ik met hen, en als genen de overhand krijgen, ben ik met hen!" Maar Allah weigerde hun dat, en Allah openbaarde daarover; dus het vuur van een moslim en het vuur van een polytheïst zullen elkaar niet zien (d.w.z. zij zullen niet naast elkaar wonen), behalve een houder van hoofdgeld (jizyah) die de heffing (kharāj) erkent.

    16347 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, hij zei: Allah spoorde de gelovigen aan tot onderlinge verbondenheid, en Hij maakte de uitgewekenen (muhājirūn) en de helpers (anṣār) tot mensen van wederzijdse beschermrelatie (walāya) in de religie, met uitsluiting van anderen, en Hij maakte de ongelovigen tot beschermheren van elkaar.

    * * *

    Wat betreft Zijn uitspraak: (indien gij dit niet doet, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid) — de mensen van de uitleg (taʾwīl) verschilden over de verklaring daarvan.

    Sommigen van hen zeiden: De betekenis daarvan is: indien gij niet doet, o gelovigen, wat u is bevolen aangaande het van elkaar doen erven van de uitgewekenen onder u — sommigen van hen van anderen, op grond van de uitwijking, en de helpers op grond van het geloof — met uitsluiting van hun verwanten onder de bedoeïenen-moslims en met uitsluiting van de ongelovigen =(zal er beproeving zijn), dat wil zeggen: er ontstaat onheil op aarde als gevolg daarvan =(en grote verderfelijkheid), dat wil zeggen: en ongehoorzaamheden jegens Allah.

    * Vermelding van wie dat zei:

    16348 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: (indien gij dit niet doet, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid): indien gij dit niet doet, en hen laat erven van elkaar zoals zij van elkaar plachten te erven =(zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid). Hij zei: En de boodschapper van Allah ﷺ placht het geloof slechts te aanvaarden door middel van de uitwijking, en zij rekenden hen slechts tot de hunnen door middel van de uitwijking.

    16349 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn uitspraak: (en de ongelovigen zijn beschermheren van elkaar), namelijk in de erfenis =(indien gij dit niet doet), dat wil zeggen: indien gij in de erfenis niet handelt naar wat Ik u heb bevolen =(zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid).

    * * *

    Anderen zeiden: De betekenis daarvan is: indien gij elkaar niet helpt, o gelovigen, in de religie, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid.

    * Vermelding van wie dat zei:

    16350 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, hij zei: Hij maakte de uitgewekenen en de helpers tot mensen van wederzijdse beschermrelatie in de religie, met uitsluiting van anderen, en Hij maakte de ongelovigen tot beschermheren van elkaar, en daarna zei Hij: (indien gij dit niet doet, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid), namelijk: indien de gelovige niet de gelovige tot beschermheer neemt met uitsluiting van de ongelovige, ook al is deze een bloedverwant van hem =(zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid), dat wil zeggen: verwarring tussen waarheid en valsheid, en het zichtbaar worden van verderf op aarde, doordat de gelovige de ongelovige tot beschermheer neemt met uitsluiting van de gelovige. Daarna bracht Hij de erfenissen terug naar de bloedverwanten.

    16351 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, hij zei: Ibn Jurayj zei over Zijn uitspraak: (indien gij dit niet doet, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid), hij zei: indien gij elkaar niet bijstaat en helpt in de religie =(zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid).

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: En de meest aannemelijke van de twee verklaringen van Zijn uitspraak: (en de ongelovigen zijn beschermheren van elkaar), is de uitspraak van wie zei: de betekenis ervan is dat sommigen van hen helpers van anderen zijn, met uitsluiting van de gelovigen, en dat het een aanwijzing is dat Allah aan de gelovige het verblijf in het gebied van oorlog en het nalaten van de uitwijking heeft verboden; want wat bekend is in de taal der Arabieren omtrent de betekenis van "al-walī" (beschermheer), is dat het de helper en bijstander is, óf: de neef en de aanverwant. Wat betreft de erfgenaam, die betekenis is daaruit niet bekend, behalve in de zin dat hij hem opvolgt in het in bezit nemen van zijn erfenis na hem. En dat is een verre betekenis, ook al kan de woordkeuze het toelaten. En het richten van de betekenis van Allahs woord naar het meest voor de hand liggende en bekende, is aannemelijker dan het richten ervan naar het tegenovergestelde daarvan.

    En aangezien dat zo is, is het duidelijk dat de meest aannemelijke van de twee verklaringen van Zijn uitspraak: (indien gij dit niet doet, zal er beproeving op aarde zijn en grote verderfelijkheid), de verklaring is van wie zei: indien gij niet doet wat Ik u heb bevolen aangaande onderlinge bijstand en hulp ter wille van de religie, zal er beproeving op aarde zijn = aangezien het begin van de vers, vanaf Zijn uitspraak: إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَهَاجَرُوا وَجَاهَدُوا بِأَمْوَالِهِمْ وَأَنْفُسِهِمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ ("Voorwaar, zij die geloofd hebben en uitgeweken zijn en gestreden hebben met hun bezittingen en hun levens op de weg van Allah"), gekomen is met de aansporing tot wederzijdse beschermrelatie ter wille van de religie en tot onderlinge bijstand; zo ook is het noodzakelijk dat het slot ervan daarmee eindigt.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : وَالَّذِينَ كَفَرُوا بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْضٍ إِلا تَفْعَلُوهُ تَكُنْ فِتْنَةٌ فِي الأَرْضِ وَفَسَادٌ كَبِيرٌ (73) قال أبو جعفر: يقول تعالى ذكره: (والذين كفروا)، بالله ورسوله =(بعضهم أولياء بعض)، يقول: بعضهم أعوان بعض وأنصاره, وأحق به من المؤمنين بالله ورسوله. (27) * * * وقد ذكرنا قول من قال: " عنى بذلك أن بعضهم أحق بميراث بعض من قرابتهم من المؤمنين ", (28) وسنذكر بقية من حضرنا ذكره. 16343- حدثنا محمد بن بشار قال، حدثنا عبد الرحمن قال، حدثنا سفيان, عن السدي, عن أبي مالك قال، قال رجل: نورّث أرحامنا من المشركين! فنـزلت: (والذين كفروا بعضهم أولياء بعض)، الآية. 16344- حدثني محمد بن سعد قال، حدثني أبي قال، حدثني عمي قال، حدثني أبي, عن أبيه, عن ابن عباس قوله: (والذين كفروا بعضهم أولياء بعض إلا تفعلوه تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، نـزلت في مواريث مشركي أهل العهد. 16345- حدثني يونس قال، أخبرنا ابن وهب قال، قال ابن زيد في قوله: وَالَّذِينَ آمَنُوا وَلَمْ يُهَاجِرُوا مَا لَكُمْ مِنْ وَلايَتِهِمْ مِنْ شَيْءٍ حَتَّى يُهَاجِرُوا ، إلى قوله: (وفساد كبير)، قال: كان المؤمن المهاجر والمؤمن الذي ليس بمهاجر، لا يتوارثان وإن كانا أخوين مؤمنين. قال: وذلك لأن هذا الدين كان بهذا البلد قليلا حتى كان يوم الفتح، فلما كان يوم الفتح، وانقطعت الهجرة توارثوا حيثما كانوا بالأرحام. وقال النبي صلى الله عليه وسلم: " لا هجرة بعد الفتح "، وقرأ: وَأُولُو الأَرْحَامِ بَعْضُهُمْ أَوْلَى بِبَعْضٍ فِي كِتَابِ اللَّهِ . * * * وقال آخرون: معنى ذلك: إن الكفار بعضهم أنصار بعض = وأنه لا يكون مؤمنًا من كان مقيمًا بدار الحرب لم يهاجر. (29) * ذكر من قال ذلك: 16346- حدثنا بشر قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد, عن قتادة قوله: (والذين كفروا بعضهم أولياء بعض)، قال: كان ينـزل الرجل بين المسلمين والمشركين، فيقول: إن ظهر هؤلاء كنت معهم, وإن ظهر هؤلاء كنت معهم! فأبى الله عليهم ذلك, وأنـزل الله في ذلك، فلا تراءى نار مسلم ونار مشرك، (30) إلا صاحب جزية مُقِرّ بالخراج. 16347- حدثنا ابن حميد قال، حدثنا سلمة, عن ابن إسحاق قال: حض الله المؤمنين على التواصل, فجعل المهاجرين والأنصار أهل ولاية في الدين دون سواهم, وجعل الكفار بعضهم أولياء بعض. (31) * * * وأما قوله: (إلا تفعلوه تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، فإن أهل التأويل اختلفوا في تأويله. فقال بعضهم: معناه: إلا تفعلوا، أيها المؤمنون، ما أمرتم به من موارثة المهاجرين منكم بعضهم من بعض بالهجرة، والأنصار بالإيمان، دون أقربائهم من أعراب المسلمين ودون الكفار =(تكن فتنة)، يقول: يحدث بلاء في الأرض بسبب ذلك (32) =(وفساد كبير)، يعني: ومعاصٍ لله. (33) * ذكر من قال ذلك: 16348- حدثني يونس قال، أخبرنا ابن وهب قال، قال ابن زيد في قوله: (إلا تفعلوه تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، إلا تفعلوا هذا، تتركوهم يتوارثون كما كانوا يتوارثون =(تكن فتنة في الأرض وفساد كبير). قال: ولم يكن رسول الله صلى الله عليه وسلم يقبل الإيمان إلا بالهجرة, ولا يجعلونهم منهم إلا بالهجرة. (34) 16349- حدثني المثنى قال، حدثنا عبد الله بن صالح قال، حدثني معاوية, عن علي, عن ابن عباس,قوله: (والذين كفروا بعضهم أولياء بعض)، يعني في الميراث =(إلا تفعلوه)، يقول: إلا تأخذوا في الميراث بما أمرتكم به =(تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، * * * وقال آخرون: معنى ذلك: إلا تَناصروا، أيها المؤمنون، في الدين، تكن فتنة في الأرض وفساد كبير. * ذكر من قال ذلك: 16350- حدثنا ابن حميد قال، حدثنا سلمة, عن ابن إسحاق, قال: جعل المهاجرين والأنصار أهلَ ولاية في الدين دون من سواهم, وجعل الكفار بعضهم أولياء بعض, ثم قال: (إلا تفعلوه تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، إلا يوالِ المؤمن المؤمن من دون الكافر، وإن كان ذا رحم به =(تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، أي: شبهة في الحق والباطل، وظهور الفساد في الأرض، بتولّي المؤمن الكافرَ دون المؤمن. (35) ثم رد المواريث إلى الأرحام. (36) 16351- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج قال، قال ابن جريج قوله: (إلا تفعلوه تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، قال: إلا تعاونوا وتناصروا في الدين =(تكن فتنة في الأرض وفساد كبير). * * * قال أبو جعفر: وأولى التأويلين بتأويل قوله: (والذين كفروا بعضهم أولياء بعض)، قول من قال: معناه: أن بعضهم أنصار بعض دون المؤمنين, وأنه دلالة على تحريم الله على المؤمن المقامَ في دار الحرب وترك الهجرة، لأن المعروف في كلام العرب من معنى " الوليّ"، أنه النصير والمعين، أو: ابن العم والنسيب. (37) فأما الوارث فغير معروف ذلك من معانيه، إلا بمعنى أنه يليه في القيام بإرثه من بعده. وذلك معنى بعيد، وإن كان قد يحتمله الكلام. وتوجيه معنى كلام الله إلى الأظهر الأشهر, أولى من توجيهه إلى خلاف ذلك. وإذ كان ذلك كذلك, فبيِّنٌ أن أولى التأويلين بقوله: (إلا تفعلوه تكن فتنة في الأرض وفساد كبير)، تأويلُ من قال: إلا تفعلوا ما أمرتكم به من التعاون والنصرة على الدين، تكن فتنة في الأرض = إذْ كان مبتدأ الآية من قوله: إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَهَاجَرُوا وَجَاهَدُوا بِأَمْوَالِهِمْ وَأَنْفُسِهِمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ . بالحث على الموالاة على الدين والتناصر جاء, فكذلك (38) الواجب أن يكون خاتمتها به. ------------------- الهوامش : (27) انظر تفسير " ولي " فيما سلف من فهارس اللغة ( ولي ) (28) في المطبوعة : " عنى بيان أن بعضهم " ، وهو سياق فاسد . وفي المخطوطة : " عنى بيان بعضهم " ، غير منقوط ، مضطرب أيضا فاسد . والصواب ما أثبت . (29) في المطبوعة : " ولم " بزيادة الواو . (30) قوله : " لا تراءى نار مسلم ومشرك " ، أسند الترائي إلى النار ، كناية عن الجوار ، وانظر التعليق السالف ص : 83 ، رقم : 1 . (31) الأثر : 16347 - سيرة ابن هشام 2 : 332 ، وهو تابع الأثر السالف رقم : 16318 . (32) انظر تفسير " الفتنة " فيما سلف 13 : 537 ، تعليق : 3 ، والمراجع هناك . (33) انظر تفسير " الفساد " فيما سلف 13 : 36 ، تعليق : 3 ، والمراجع هناك . (34) في المخطوطة : " ولا يجعلونهم مقيم " ، والصواب ما في المطبوعة . (35) كان في المطبوعة بعد قوله " فساد كبير " ما نصه : " إن يتول المؤمن الكافر دون المؤمن ، ثم رد المواريث إلى الأرحام " ، ومثلها في المخطوطة إلا أنه كتب " إن يتولى " . وهو كلام مضطرب ، سببه أن " المؤمن " ذكر في الكلام مرات ، فأسقط ما بين " المؤمن " في قوله " إلا يوال المؤمن المؤمن " ، إلى قوله بعد : " بتولي المؤمن الكافر " ، فاضطراب الكلام ، وسقته على الصواب من سيرة ابن هشام . (36) الأثر : 16350 - سيرة ابن هشام 2 : 332 ، 333 ، وهو تابع الأثر السالف رقم : 16347 ، وفيه جزء منه . (37) انظر تفسير " الولي " فيما سلف من فهارس اللغة ( ولي ) . (38) في المطبوعة والمخطوطة " وكذلك " بالواو ، والفاء حق السياق .