Tafseer van De Ontrukkenden · An-Naazi'aat · 79:40
En wat betreft degene die de macht van zijn Heer vreesde en zijn ziel weerhield van slechte begeerten.
En Zijn woord: وَأَمَّا مَنْ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِ وَنَهَى النَّفْسَ عَنِ الْهَوَى ("en wat betreft wie het staan voor zijn Heer vreesde en de ziel de begeerte verbood") — Hij zegt: En wat betreft wie het ondervraagd worden door Allah vreesde bij zijn staan op de Dag der Opstanding in Zijn aanwezigheid, en daarom Hem vreesde door het verrichten van Zijn verplichtingen (farāʾiḍ) en het vermijden van Zijn ongehoorzaamheden, وَنَهَى النَّفْسَ عَنِ الْهَوَى ("en de ziel de begeerte verbood") — Hij zegt: en die zijn ziel haar begeerte verbood in datgene wat Allah verafschuwt en niet van haar aanvaardt, zodat hij haar daarvan weerhield en haar begeerte tegenwerkte, gericht op datgene wat zijn Heer hem geboden had.