Tafseer van De Ingehulde · Al-Muddaththir · 74:48
De voorspraak van de voorsprekers baat hen niet.
فَمَا تَنْفَعُهُمْ شَفَاعَةُ الشَّافِعِينَ (Dan zal de voorspraak van de voorsprekers hun niet baten). Hij zegt: dan zullen degenen aan wie Allah voorspraak heeft toegestaan ten gunste van de zondaars onder de mensen van het zuivere godsgeloof (ahl al-tawḥīd), geen voorspraak voor hen kunnen doen zodat hun voorspraak hun zou baten. En in dit vers ligt een duidelijke aanwijzing dat Allah, de Verhevene wiens lof verheven is, sommigen van Zijn schepselen voorspraak laat doen voor anderen.
En in overeenstemming met wat wij hierover hebben gezegd, hebben de uitleggers van de Koran (ahl al-taʾwīl) zich uitgesproken.
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Salama ibn Kuhayl, hij zei: Abū al-Zaʿrāʾ heeft ons verteld, op gezag van ʿAbd Allāh, in een verhaal dat hij vermeldde over de voorspraak (shafāʿa), hij zei: vervolgens doen de engelen, de profeten, de getuigen (martelaren), de rechtschapenen en de gelovigen voorspraak, en Allah laat hun voorspraak gelden en zegt: Ik ben de Barmhartigste der barmhartigen. Dan haalt Hij uit het Vuur meer mensen dan al wat uit het hele schepsel uit het Vuur is gehaald. Vervolgens zegt Hij: Ik ben de Barmhartigste der barmhartigen. Daarna reciteerde ʿAbd Allāh: o gij ongelovigen — مَا سَلَكَكُمْ فِي سَقَرَ * قَالُوا لَمْ نَكُ مِنَ الْمُصَلِّينَ * وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ الْمِسْكِينَ * وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ الْخَائِضِينَ * وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ الدِّينِ ("Wat heeft jullie in Saqar gebracht? Zij zullen zeggen: Wij behoorden niet tot hen die het gebed verrichtten, en wij voedden de behoeftige niet, en wij verdiepten ons in ijdele praat met hen die zich daarin verdiepten, en wij loochenden de Dag des Oordeels"), en hij telde er vier af op zijn hand. Vervolgens zei hij: zien jullie in dezen enig goed? Voorzeker, er wordt daarin niemand achtergelaten in wie nog goed is.
Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Ibn Idrīs heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde mijn oom en Ismāʿīl ibn Abī Khālid, op gezag van Salama ibn Kuhayl, op gezag van Abū al-Zaʿrāʾ, hij zei: ʿAbd Allāh zei: er blijven slechts vier in het Vuur achter, of: de bezitter van de vier — de twijfel komt van Abū Jaʿfar al-Ṭabarī — vervolgens reciteert hij: مَا سَلَكَكُمْ فِي سَقَرَ * قَالُوا لَمْ نَكُ مِنَ الْمُصَلِّينَ * وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ الْمِسْكِينَ * وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ الْخَائِضِينَ * وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ الدِّينِ ("Wat heeft jullie in Saqar gebracht? Zij zullen zeggen: Wij behoorden niet tot hen die het gebed verrichtten, en wij voedden de behoeftige niet, en wij verdiepten ons in ijdele praat met hen die zich daarin verdiepten, en wij loochenden de Dag des Oordeels").
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, فَمَا تَنْفَعُهُمْ شَفَاعَةُ الشَّافِعِينَ (Dan zal de voorspraak van de voorsprekers hun niet baten): weet dat Allah voor de gelovigen voorspraak zal doen gelden op de Dag der Opstanding. Er is ons verteld dat de profeet van Allah ﷺ placht te zeggen: "Voorwaar, onder mijn gemeenschap is er een man door wiens voorspraak Allah er meer het Paradijs (janna) zal binnenlaten dan de Banū Tamīm."
Al-Ḥasan zei: meer dan Rabīʿa en Muḍar. Ons werd verteld dat de martelaar (al-shahīd) voorspraak doet voor zeventig leden van zijn huisgezin.
Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, فَمَا تَنْفَعُهُمْ شَفَاعَةُ الشَّافِعِينَ (Dan zal de voorspraak van de voorsprekers hun niet baten), hij zei: weet dat Allah sommigen van hen voorspraak voor anderen laat doen.
Hij zei: Abū Thawr heeft ons verteld, Maʿmar zei: en iemand die Anas ibn Mālik hoorde, heeft mij bericht dat hij zei: voorwaar, een man doet voorspraak voor twee mannen, voor drie en voor één man.
Hij zei: Abū Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Ayyūb, op gezag van Abū Qilāba, hij zei: door de voorspraak van één man uit deze gemeenschap laat Allah het Paradijs binnengaan zoveel als de Banū Tamīm — of hij zei: meer dan de Banū Tamīm. En al-Ḥasan zei: zoveel als Rabīʿa en Muḍar.