Tafseer van Noeh (Noach) · Nooh · 71:1
Voorwaar, Wij hebben Nôeh tot zijn volk gezonden (en zeiden tot hem): "Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt."
Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: إِنَّا أَرْسَلْنَا نُوحًا ("Voorwaar, Wij hebben Nūḥ gezonden") — en dat is Nūḥ ibn Lamak — إِلَى قَوْمِهِ أَنْ أَنْذِرْ قَوْمَكَ مِنْ قَبْلِ أَنْ يَأْتِيَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ ("tot zijn volk: 'Waarschuw jouw volk voordat hen een pijnlijke bestraffing overkomt'"). Hij zegt: Wij zonden hem tot hen met: waarschuw jouw volk. Het woord "an" staat in de naṣb-positie volgens de opvatting van sommige Arabische taalgeleerden, en in de khafḍ-positie volgens de opvatting van sommigen van hen.
Ik heb de argumenten voor elke groep van hen reeds uiteengezet, alsook wat naar onze mening hierover het juiste is, in een eerder deel van dit boek van ons, op een wijze die het overbodig maakt het op deze plaats te herhalen. En in de lezing van ʿAbd Allāh staat — naar wat overgeleverd is — إنَّا أرْسَلْنا نُوحًا إلى قَوْمِهِ أنْذِرْ قَوْمَكَ ("Voorwaar, Wij hebben Nūḥ tot zijn volk gezonden: waarschuw jouw volk") zonder "an"; en dat is toegestaan, omdat het zenden de betekenis van het spreken heeft, alsof gezegd is: Wij zeiden tegen Nūḥ: waarschuw jouw volk voordat hen een pijnlijke bestraffing overkomt. En die pijnlijke bestraffing is de zondvloed waarmee Allah hen verdronk.
----------------------
Voetnoten:
(4) Hij is ʿAbd Allāh ibn Masʿūd, de verheven metgezel, recitator van de Qurʾān en leraar van de mensen van Kūfa.