Tafseer van De Wegen van Opgang · Al-Ma'aarij · 70:5
Volhard daarom geduldig op gepaste wijze.
En Zijn woord fa-ṣbir ṣabran jamīlā (Wees daarom geduldig met een mooi geduld). De Verhevene in vermelding zegt: fa-ṣbir ṣabran jamīlā (Wees daarom geduldig met een mooi geduld), dat wil zeggen: een geduld waarin geen onrust schuilt. Hij zegt tot hem: wees geduldig met het leed dat deze polytheïsten (mushrikīn) jou aandoen, en laat het ongenoegen dat je van hen ondervindt jou niet afhouden van het overbrengen van datgene wat jouw Heer jou heeft bevolen aan hen door te geven van de boodschap.
Ibn Zayd placht hierover te zeggen wat Yūnus mij erover heeft verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn woord fa-ṣbir ṣabran jamīlā (Wees daarom geduldig met een mooi geduld): hij zei: dit was toen Hij hem nog beval hun te vergeven en hen niet te vergelden; maar toen hem de jihād en de strengheid tegen hen werd bevolen, werd hem de hardheid en het doden bevolen totdat zij zouden ophouden, en dit werd afgeschaft (nasakha). En dit wat Ibn Zayd zei — dat hem met deze āya was bevolen te vergeven en dat dit vervolgens werd afgeschaft — is een uitspraak waarvoor geen grond bestaat, want er is geen bewijs voor de juistheid van wat hij zei langs een van de wegen waarlangs beweringen geldig worden gemaakt. En in Allahs bevel aan Zijn Profeet ﷺ tot het mooie geduld bij het leed van de polytheïsten is niets dat noodzakelijk maakt dat dit een bevel van Hem aan hem zou zijn voor slechts sommige omstandigheden; veeleer was het een bevel van Allah aan hem voor álle omstandigheden, want hij ﷺ verkeerde van het moment dat Allah hem zond tot het moment dat Hij hem wegnam voortdurend in leed van hen, en hij was bij dat alles geduldig met wat hij van hen aan leed ondervond, zowel vóórdat Allah hem toestemming gaf hen te bestrijden als ná Zijn toestemming daartoe.