Tafseer van De Wegen van Opgang · Al-Ma'aarij · 70:11
Zij kijken naar elkaar. De misdadiger zal wensen dat hij zich van de bestraffing van die Dag kan vrijkopen met zijn kinderen.
Zijn woorden: وَلا يَسْأَلُ حَمِيمٌ حَمِيمًا يُبَصَّرُونَهُمْ ("En geen boezemvriend zal naar een boezemvriend vragen, terwijl zij elkaar te zien gekregen worden"). Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: en geen naaste verwant zal naar zijn naaste verwant vragen over diens toestand, omdat hij in beslag genomen wordt door zijn eigen toestand.
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) zich uitgesproken.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woorden: وَلا يَسْأَلُ حَمِيمٌ حَمِيمًا ("En geen boezemvriend zal naar een boezemvriend vragen"): ieder mens wordt door zichzelf in beslag genomen, weg van de mensen.