Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:197
En zij (de afgoden) die zij buiten Hem aanroepen, zijn niet in staat jullie te helpen, noch (kunnen) zij zichzelf helpen."
De uitleg van Zijn woord: wa-lladhīna tadʿūna min dūnihi lā yastaṭīʿūna naṣrakum wa-lā anfusahum yanṣurūn (197) (En degenen die jullie naast Hem aanroepen, zijn niet in staat jullie te helpen en zij helpen zichzelf evenmin) (197).
Abū Jaʿfar zei: Ook dit is een bevel van Allah, verheven zij Zijn lof, aan Zijn profeet om het tot de polytheïsten (mushrikīn) te spreken. Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt tot hem: Zeg tot hen: Voorwaar, Allah is mijn helper en mijn rugsteun, en degenen die jullie, o polytheïsten, naast Allah aanroepen — de goden — zijn niet in staat jullie te helpen, en zij zijn, naast hun onvermogen om jullie te helpen, evenmin in staat zichzelf te helpen. Welke van deze twee is dan meer waardig om aanbeden te worden en heeft het meeste recht op goddelijkheid? Hij die zijn beschermeling helpt en zichzelf afweert tegen wie hem kwaad wil, of hij die niet in staat is zijn beschermeling te helpen en niet bij machte is zichzelf te beschermen tegen wie hem kwaad wil en hem met onheil belaagt?