Tabari
Terug naar surah 7, ayah 179

Tafseer van De Hoogten · Al-A'raaf · 7:179

وَلَقَدْ ذَرَأْنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرًۭا مِّنَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ ۖ لَهُمْ قُلُوبٌۭ لَّا يَفْقَهُونَ بِهَا وَلَهُمْ أَعْيُنٌۭ لَّا يُبْصِرُونَ بِهَا وَلَهُمْ ءَاذَانٌۭ لَّا يَسْمَعُونَ بِهَآ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ كَٱلْأَنْعَٰمِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْغَٰفِلُونَ

En voorzeker, Wij hebben velen van de Djinn's en de mensen voor de Hel geschapen. Zij bezitten harten waarmee zij niet begrijpen en zij bezitten ogen waarmee zij niet zien en zij bezitten oren waarmee zij niet horen, zij zijn degenen die als het vee zijn. Zij dwalen zelfs nog erger. Zij zijn degenen die de achtelozen zijn.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van Zijn woord: وَلَقَدْ ذَرَأْنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرًا مِنَ الْجِنِّ وَالإِنْسِ لَهُمْ قُلُوبٌ لا يَفْقَهُونَ بِهَا وَلَهُمْ أَعْيُنٌ لا يُبْصِرُونَ بِهَا وَلَهُمْ آذَانٌ لا يَسْمَعُونَ بِهَا (En Wij hebben waarlijk voor de hel (jahannam) velen van de djinn en de mensen geschapen; zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen, en zij hebben ogen waarmee zij niet zien, en zij hebben oren waarmee zij niet horen).

    Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: En Wij hebben waarlijk voor de hel (jahannam) velen van de djinn en de mensen geschapen.

    * * *

    Men zegt hiervan: "dharaʾa Allāh khalqahu yadhraʾuhum dharʾan" (Allah heeft Zijn schepselen voortgebracht, Hij brengt hen voort, met een voortbrenging).

    * * *

    En overeenkomstig hetgeen wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers van de Schrift gesproken.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    15443 — ʿAlī ibn al-Ḥusayn al-Azdī heeft mij verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Yamān heeft ons verteld, op gezag van Mubārak ibn Faḍāla, op gezag van al-Ḥasan, aangaande Zijn woord: (En Wij hebben waarlijk voor de hel velen van de djinn en de mensen geschapen) zei hij: van datgene wat Wij geschapen hebben.

    15444 — Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Ibn Abī Zāʾida heeft ons verteld, op gezag van Mubārak, op gezag van al-Ḥasan, aangaande Zijn woord: (En Wij hebben waarlijk voor de hel geschapen) zei hij: Wij hebben geschapen.

    15445 — Hij zei: Zakariyyā heeft ons verteld, op gezag van ʿAttāb ibn Bishr, op gezag van ʿAlī ibn Badhīma, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, hij zei: De kinderen van ontucht (zinā) behoren tot datgene wat Allah voor de hel heeft voortgebracht.

    15446 — Hij zei: Zakariyyā ibn ʿAdī en ʿUthmān al-Aḥwal hebben ons verteld, op gezag van Marwān ibn Muʿāwiya, op gezag van al-Ḥasan ibn ʿAmr, op gezag van Muʿāwiya ibn Isḥāq, op gezag van een metgezel van hem te Ṭāʾif, op gezag van ʿAbd Allāh ibn ʿAmr, op gezag van de Profeet ﷺ, hij zei: "Toen Allah voor de hel voortbracht wat Hij voortbracht, behoorde het kind van ontucht tot degenen die Hij voor de hel voortbracht."

    15447 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: (En Wij hebben waarlijk voor de hel geschapen), hij zegt: Wij hebben geschapen.

    15448 — Al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons verteld, hij zei: Abū Saʿd heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde Mujāhid zeggen aangaande Zijn woord: (En Wij hebben waarlijk voor de hel geschapen), hij zei: Wij hebben waarlijk voor de hel velen van de djinn en de mensen geschapen.

    15449 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās: (En Wij hebben waarlijk voor de hel geschapen): Wij hebben geschapen.

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: En Hij, verheven zij Zijn lof, zei: (En Wij hebben waarlijk voor de hel velen van de djinn en de mensen geschapen), vanwege de werkzaamheid van Zijn kennis aangaande hen, dat zij daarheen zouden komen wegens hun ongeloof aan hun Heer.

    * * *

    En wat betreft Zijn woord: (zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen), de betekenis daarvan is: dezen die Allah uit Zijn schepselen voor de hel heeft voortgebracht, hebben harten waarmee zij niet nadenken over de tekenen van Allah, en waarmee zij Zijn bewijzen voor Zijn eenheid niet overpeinzen, en waarmee zij geen lering trekken uit Zijn argumenten ten gunste van Zijn boodschappers, zodat zij de eenheid van hun Heer zouden kennen en de werkelijkheid van het profeetschap van hun profeten zouden erkennen. Zo beschreef onze Heer, verheven zij Zijn lof, hen als degenen die "daarmee niet begrijpen", wegens hun afwending van de waarheid en hun nalaten om de juistheid van het [profeetschap] van de boodschappers te overpeinzen, en wegens het lang voortduren van hun ongeloof. En zo is ook Zijn woord: (en zij hebben ogen waarmee zij niet zien), de betekenis daarvan is: en zij hebben ogen waarmee zij niet kijken naar de tekenen van Allah en Zijn bewijzen, om die te overdenken en daarover na te denken, zodat zij daarmee de juistheid zouden inzien van datgene waartoe hun boodschappers hen oproepen, en de verdorvenheid van datgene waarin zij volharden, te weten het toekennen van deelgenoten aan Allah (shirk) en het loochenen van Zijn boodschappers; zo beschreef Allah hen, wegens hun nalaten om die ogen voor de waarheid te gebruiken, als degenen die daarmee niet zien.

    En zo is ook Zijn woord: (en zij hebben oren waarmee zij niet horen) naar de tekenen van het Boek van Allah, om daaruit lering te trekken en daarover na te denken; maar zij wenden zich daarvan af en zeggen: لا تَسْمَعُوا لِهَذَا الْقُرْآنِ وَالْغَوْا فِيهِ لَعَلَّكُمْ تَغْلِبُونَ (Luistert niet naar deze Koran en maakt er rumoer doorheen, opdat gij de overhand krijgt) [Soera Fuṣṣilat: 26]. En dat is gelijk aan de beschrijving die Allah elders van hen geeft met Zijn woord: صُمٌّ بُكْمٌ عُمْيٌ فَهُمْ لا يَعْقِلُونَ (Doof, stom, blind, dus zij begrijpen niet) [Soera al-Baqarah: 171]. En de Arabieren zeggen dat van iemand die nalaat sommige van zijn ledematen te gebruiken voor datgene waarvoor het geschikt is, en daartoe behoort het woord van Miskīn al-Dārimī:

    "Blind ben ik wanneer mijn buurvrouw naar buiten gaat, totdat de sluier mijn buurvrouw verbergt,

    en doof voor wat er tussen hen beiden was is mijn gehoor, en aan dat gehoor mankeert niets."

    Zo beschreef hij zichzelf, wegens zijn nalaten om te kijken en te luisteren, met blindheid en doofheid. En daartoe behoort ook het woord van een ander:

    "En de schandelijke taal der laaghartigen — daarvoor heb ik mij doof gehouden, hoewel ik, indien ik het wilde, haar wel degelijk zou kunnen horen.

    En menige overhaaste opwelling heb ik van mijn ziel afgehouden, terwijl de ribben reeds vol waren van toorn."

    En dat is veelvuldig in de spraak en de gedichten van de Arabieren. En overeenkomstig hetgeen wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers van de Schrift gesproken.

    * * *

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    15450 — Al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons verteld, hij zei: Abū Saʿd heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde Mujāhid zeggen aangaande Zijn woord: (zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen) zei hij: zij begrijpen daarmee niets van de zaak van het hiernamaals = (en zij hebben ogen waarmee zij niet zien) de leiding = (en zij hebben oren waarmee zij niet horen) de waarheid; vervolgens maakte Hij hen gelijk aan het vee, daarna maakte Hij hen erger dan het vee, en Hij zei: بَلْ هُمْ أَضَلُّ (Nee, zij zijn nog verder afgedwaald), vervolgens berichtte Hij dat zij de achtelozen zijn.

    * * *

    De uitleg van Zijn woord: أُولَئِكَ كَالأَنْعَامِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ أُولَئِكَ هُمُ الْغَافِلُونَ (Zij zijn als het vee, nee, zij zijn nog verder afgedwaald; zij zijn de achtelozen) (7:179).

    Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn lof, bedoelt met Zijn woord: (Zij zijn als het vee), dezen die Hij voor de hel heeft voortgebracht zijn als het vee, en dat zijn de beesten die niet begrijpen wat tot hen gezegd wordt, en niet bevatten wat zij zien aangaande wat geschikt is en wat niet geschikt is, en met hun harten het goede niet van het kwade onderscheiden, zodat zij tussen beide zouden kunnen scheiden. Zo vergeleek Allah hen met het vee, daar zij geen lering trokken uit de bewijzen die zij met hun ogen zagen, en niet nadachten over de verzen van Zijn Boek die zij hoorden. Vervolgens zei Hij: (nee, zij zijn nog verder afgedwaald), Hij zegt: deze ongelovigen die Hij voor de hel heeft voortgebracht zijn nog verder van de waarheid verwijderd en houden nog hardnekkiger vast aan de weg van de valsheid dan de beesten, omdat de beesten geen keuze en geen onderscheidingsvermogen hebben waarmee zij zouden kunnen kiezen en onderscheiden, maar slechts dienstbaar gemaakt zijn; en desondanks vluchten zij voor het schadelijke en zoeken voor zichzelf het meest geschikte voedsel. Terwijl degenen wier eigenschap Allah in dit vers beschreven heeft, ondanks het verstand en de onderscheidende rede die hun gegeven zijn om tussen het nuttige en het schadelijke te onderscheiden, datgene laten varen waarin het welzijn van hun aardse en hun toekomstige leven ligt, en datgene najagen waarin hun schade ligt. Zo zijn de beesten juister handelend dan zij, en zijn zij verder afgedwaald dan de beesten, gelijk onze Heer, verheven zij Zijn lof, hen heeft beschreven.

    En Zijn woord: (zij zijn de achtelozen), de Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: dezen wier eigenschap ik beschreven heb, zijn het volk dat achteloos was = dat wil zeggen: in vergetelheid = aangaande Mijn tekenen en Mijn bewijzen, en die hun overpeinzing, het trekken van lering daaruit, en het afleiden van datgene waarop zij wijzen aangaande de eenheid van hun Heer, hebben nagelaten — niet de beesten, die hun Heer reeds heeft doen kennen waartoe Hij hen dienstbaar gemaakt heeft.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : وَلَقَدْ ذَرَأْنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرًا مِنَ الْجِنِّ وَالإِنْسِ لَهُمْ قُلُوبٌ لا يَفْقَهُونَ بِهَا وَلَهُمْ أَعْيُنٌ لا يُبْصِرُونَ بِهَا وَلَهُمْ آذَانٌ لا يَسْمَعُونَ بِهَا قال أبو جعفر: يقول تعالى ذكره: ولقد خلقنا لجهنّم كثيرًا من الجن والإنس. * * * يقال منه: ذرأ الله خلقه يذرؤهم ذَرْءًا. (1) * * * وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: 15443 - حدثني علي بن الحسين الأزدي قال: حدثنا يحيى بن يمان, عن مبارك بن فضالة, عن الحسن, في قوله: (ولقد ذرأنا لجهنم كثيرًا من الجن والإنس) قال: مما خلقنا. (2) 15444 - .... حدثنا أبو كريب قال: حدثنا ابن أبي زائدة, عن مبارك, عن الحسن, في قوله: (ولقد ذرأنا لجهنم) قال: خلقنا. 15445 - .... قال: حدثنا زكريا, عن عتاب بن بشير, عن علي بن بذيمة, عن سعيد بن جبير قال: أولاد الزنا ممّا ذرأ الله لجهنم. 15446 - قال: حدثنا زكريا بن عدي، وعثمان الأحول, عن مروان بن معاوية, عن الحسن بن عمرو, عن معاوية بن إسحاق, عن جليس له بالطائف, عن عبد الله بن عمرو, عن النبي صلى الله عليه وسلم قال: " إن الله لما ذرأ لجهنم ما ذرأ, كان ولدُ الزنا ممن ذرأ لجهنم ". (3) 15447 - حدثني محمد بن الحسين قال: حدثنا أحمد بن المفضل قال: حدثنا أسباط, عن السدي: (ولقد ذرأنا لجهنم)، يقول: خلقنا. 15448 - حدثني الحارث قال: حدثنا عبد العزيز قال: حدثنا أبو سعد قال: سمعت مجاهدًا يقول في قوله: (ولقد ذرأنا لجهنم) قال: لقد خلقنا لجهنم كثيرًا من الجن و الإنس. 15449 - حدثني المثنى قال: حدثنا عبد الله قال: حدثني معاوية, عن علي, عن ابن عباس: (ولقد ذرأنا لجهنم)، خلقنا. * * * قال أبو جعفر: وقال جل ثناؤه: (ولقد ذرأنا لجهنم كثيرًا من الجن والإنس )، لنفاذ علمه فيهم بأنهم يصيرون إليها بكفرهم بربِّهم. * * * وأما قوله: (لهم قلوبٌ لا يفقهون بها)، فإن معناه: لهؤلاء الذين ذرأهم الله لجهنم من خلقه قلوب لا يتفكرون بها في آيات الله, ولا يتدبرون بها أدلته على وحدانيته, ولا يعتبرون بها حُجَجه لرسله, (4) فيعلموا توحيد ربِّهم, ويعرفوا حقيقة نبوّة أنبيائهم. فوصفهم ربُّنا جل ثناؤه بأنهم: " لا يفقهون بها "، لإعراضهم عن الحق وتركهم تدبُّر صحة [نبوّة] الرسل، (5) وبُطُول الكفر. وكذلك قوله: (ولهم أعين لا يبصرون بها)، معناه: ولهم أعين لا ينظرون بها إلى آيات الله وأدلته, فيتأملوها ويتفكروا فيها, فيعلموا بها صحة ما تدعوهم إليه رسلهم, وفسادِ ما هم عليه مقيمون، من الشرك بالله، وتكذيب رسله; فوصفهم الله بتركهم إعمالها في الحقّ، بأنهم لا يبصرون بها. (6) وكذلك قوله: (ولهم آذان لا يسمعون بها)، آيات كتاب الله، فيعتبروها ويتفكروا فيها, ولكنهم يعرضون عنها, ويقولون: لا تَسْمَعُوا لِهَذَا الْقُرْآنِ وَالْغَوْا فِيهِ لَعَلَّكُمْ تَغْلِبُونَ ، [سورة فصلت: 26]. وذلك نظير وصف الله إياهم في موضع آخر بقوله: صُمٌّ بُكْمٌ عُمْيٌ فَهُمْ لا يَعْقِلُونَ ، [سورة البقرة: 171] .والعرب تقول ذلك للتارك استعمالَ بعض جوارحه فيما يصلح له, ومنه قول مسكين الدارمي: أَعْمَــى إِذَا مَــا جَـارَتِي خَرَجَـتْ حَــتَّى يُــوَارِيَ جَــارَتِي السِّـتْرُ (7) وَأَصَــمُّ عَمَّـا كَـــانَ بَيْنَهُمَــا سَــمْعِي وَمَـا بِالسَّـمْعِ مِـنْ وَقْــرِ فوصف نفسه لتركه النظر والاستماع بالعمى والصمم. ومنه قول الآخر: (8) وَعَــوْرَاءُ اللِّئَــامِ صَمَمْـتُ عَنْهَـا وَإِنِّــي لَــوْ أَشَــاءُ بِهَـا سَـمِيعُ (9) وَبَـادِرَةٍ وَزَعْـــتُ النَّفْـسَ عَنْهَـا وَقَـدْ تَثِقَـتْ مِـنَ الْغَضَـبِ الضُّلُـوعُ (10) وذلك كثير في كلام العرب وأشعارها. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * * * * ذكر من قال ذلك: 15450 - حدثني الحارث قال: حدثنا عبد العزيز قال: حدثنا أبو سعد قال: سمعت مجاهدًا يقول في قوله: (لهم قلوب لا يفقهون بها) قال: لا يفقهون بها شيئًا من أمر الآخرة =(ولهم أعين لا يبصرون بها)، الهدى=(ولهم آذان لا يسمعون بها) الحقَّ، ثم جعلهم كالأنعام سواءً, ثم جعلهم شرًّا من الأنعام, (11) فقال: بَلْ هُمْ أَضَلُّ ، ثم أخبر أنهم هم الغافلون. * * * القول في تأويل قوله : أُولَئِكَ كَالأَنْعَامِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ أُولَئِكَ هُمُ الْغَافِلُونَ (179) قال أبو جعفر: يعني جل ثناؤه بقوله: (أولئك كالأنعام)، هؤلاء الذين ذرأهم لجهنم، هم كالأنعام, وهي البهائم التي لا تفقه ما يقال لها، (12) ولا تفهم ما أبصرته لما يصلح وما لا يَصْلُح، (13) ولا تعقل بقلوبها الخيرَ من الشر، فتميز بينهما. فشبههم الله بها, إذ كانوا لا يتذكَّرون ما يرون بأبصارهم من حُججه, ولا يتفكرون فيما يسمعون من آي كتابه. ثم قال: (بل هم أضل)، يقول: هؤلاء الكفرة الذين ذَرَأهم لجهنم، أشدُّ ذهابًا عن الحق، وألزم لطريق الباطل من البهائم، (14) لأن البهائم لا اختيار لها ولا تمييز، فتختار وتميز, وإنما هي مسَخَّرة، ومع ذلك تهرب من المضارِّ، وتطلب لأنفسها من الغذاء الأصلح. والذين وصفَ الله صفتهم في هذه الآية, مع ما أعطوا من الأفهام والعقول المميِّزة بين المصالح والمضارّ, تترك ما فيه صلاحُ دنياها وآخرتها، وتطلب ما فيه مضارّها, فالبهائم منها أسدُّ، وهي منها أضل، كما وصفها به ربُّنا جل ثناؤه. وقوله: (أولئك هم الغافلون)، يقول تعالى ذكره: هؤلاء الذين وصفتُ صفتهم, القومُ الذين غفلوا =يعني: سهوًا (15) عن آياتي وحُججي, وتركوا تدبُّرها والاعتبارَ بها والاستدلالَ على ما دلّت عليه من توحيد ربّها, لا البهائم التي قد عرّفها ربُّها ما سخَّرها له. ---------------- الهوامش : (1) انظر تفسير (( ذرأ )) فيما سلف 12 : 130 ، 131 ، وهناك زيادة في مصادره . (2) ( 1) الأثر : 15443 - (( على بن الحسن الأزدي )) ، وفي المطبوعة والمخطوطة : (( على بن الحسين )) ، وتبعت ما مضى برقم 10258 ، لموافقته لما في تاريخ الطبري . وقد ذكرت هناك أنى لم أجد له ترجمة ، وبينت مواضع روايته عنه في التاريخ . ووقع هناك خطأ ، فإن الذي في الإسناد (( على بن الحسن )) ، وكتبت أنا في الهامش والتعليق : (( على بن الحسين )) ، وكذلك فعلت في الفهارس ، فليصحح ذلك . ووقع خطأ آخر في الفهارس ، كتبت رقم : ( 10285 ) ، وصوابه ( 10258 ) . (3) الأثر : 15446 - (( زكريا بن عدى بن زريق التيمى )) ، شيخ أبي كريب ، وهو راوى الخبر ، ثقة جليل ، مضى برقم : 1566 . (( عثمان الأحول )) ، شيخ أبي كريب ، هو (( عثمان بن سعيد القرشي )) ، الزيات الأحول الطيب الصائغ . مضى برقم : 137 ، 11547 . و (( مروان بن معاوية الفزارى )) ، الحافظ الثقة ، مضى برقم : 1222 ، 3322 ، 3842 ، 7685 . و (( الحسن بن عمرو الفقيمى التميمى )) ، ثقة أخرج له البخاري في صحيحه ، مضى برقم : 3765 . و (( معاوية بن إسحق بن طلحة التيمى )) ، تابعى ثقة ، مضى برقم : 3226 . وهذا إسناد ضعيف ، لجهالة من روى عنه (( معاوية بن إسحق )) ، وهو(( جليس له بالطائف )) . وخرجه السيوطي في الدر المنثور 3 : 147 ، وزاد نسبته إلى ابن أبي حاتم ، وأبي الشيخ وابن مردويه . (4) انظر تفسير (( الفقه )) فيما سلف 11 : 572 ، تعليق : 2 ، والمراجع هناك . (5) في المطبوعة والمخطوطة : (( صحة الرشد )) ، ولا معنى لها ، واستظهرت الصواب من سياق تفسيره ، وزدت ] نبوة [ بين القوسين ، لتطلب الكلام لها . (6) في المطبوعة : (( بأنهم لا يبصرون )) ، وأثبت ما في المخطوطة . (7) أمالي المرتضى 1: 43 : 44 ثم 474 ، من قصيدة رواها وشرحها ، وخزانة الأدب 1 : 468 ، وصواب رواية البيت الأول : (( جارتى الخدر )) ، لأن قبله : مــا ضــر جــارى إذ أجـاوره أن لا يكـــون لبيتـــه ســـتر ورواية الشطر الثاني : (( سمعى ، وما بى غيره وقر )) ، بغير إقواء . (8) هو عبد الله بن مرة العجلي . (9) حماسة البحترى : 172 ، وأنسيت أين قراتها في غير الحماسة . والذي في حماسة البحترى : (( وعوراء الكلام )) ، وكانت في المخطوطة : و (( عوراء اللام )) ، وكأن الصواب ما في الحماسة . و (( العوراء )) ، الكلمة القبيحة ، أو التي تهوى جهلا في غير عقل ولا رشد . ومن أجود ما قيل في ذلك ، قول حاتم الطائي ، أو الأعور الشني :وعَـوْرَاءُ جَـاءَتْ مِــنْ أخٍ فَرَدَدْتُهـا بسَــالِمَةِ العَيْنيــن طَالِبــة عُـذْرَا ولــو أنَّنـى إذ قَالهـا قلـتُ مثلَهـا ولـم أعْـفُ عنهـا، أوْرَثتْ بيْنَنَا غَمْرَا فـأعْرَضْتُ عَنْــهُ وانتظـرتُ به غَدا لعــلَّ غــدًا يُبْـدِي لمنتظـرٍ أمْـرَا وقلــتُ لـه: عـد بـالأخوة بينَنـا! ولـم أتَّخِـذ مـا كـان من جَهْلِه قمرَا لأنــزع ضبًّـا كامنًـا فـي فــؤادِه وأُقَلِّـمُ أظفـارًا أطَـالَ بهــا الحـفرَا (10) في المطبوعة : (( ولو بنيت من العصب )) ، وهو كلام فاسد ، غير ما في المخطوطة ، وكان فيها (( وقد نتقت من العصب )) ، غير منقوطة ، فلم يفهمها ، فأتى بما لا يعقل . وفي حماسة البحترى : (( إذا تيقت )) ، ووضع كسرة تحت التاء ، وفتح القاف . ولا معنى له . و (( البادرة )) ، الخطأ والسقطات التي تسبق من المرء إذا ما غضب واحتد ، من فعل أو قول . و ( وزع النفس عن الشيء )) ، كفها وحبسها . و (( تئق الرجل )) ، امتلأ غضباً وغيظاً . و (( التأق )) ، شدة الامتلاء حتى لا موضع لمزيد . (11) في المخطوطة : (( ثم جعلهم كالأنعام ، ثم جعلهم سواء شراً من الأنعام )) ، فحذف ناشر المطبوعة كلمة (( سواء )) ، ولكنى أثبتها في حاق مكانها . (12) انظر تفسير (( الأنعام )) فيما سلف 12 : 139 ، تعليق : 2 ، والمراجع هناك . (13) في المطبوعة : (( مما يصلح ، ومما لا يصلح )) ، أثبت ما في المخطوطة وهو جيد . (14) انظر تفسير (( الضلال )) فيما سلف من فهارس اللغة ( ضلل ) . (15) انظر تفسير (( غفل )) فيما سلف ص : 115 ، تعليق : 1 ، والمراجع هناك .