Tafseer van De Onderlinge Bedrieging · At-Taghaabun · 64:5
Is het bericht over degenen die vroeger ongelovig waren niet tot jullie gekomen? Die toen het kwaad van hun wandaden geproefd hebben? En voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt tot de polytheïsten (mushrikīn) van Quraysh: Is tot jullie, o mensen, niet het bericht gekomen van hen die ongelovig waren vóór jullie? Dat waren bijvoorbeeld het volk van Nūḥ, en ʿĀd, en Thamūd, en het volk van Ibrāhīm, en het volk van Lūṭ. Fa-dhāqū wabāla amrihim (Zij proefden dus de kwade gevolgen van hun handelwijze), dat wil zeggen: de bestraffing (ʿadhāb) van Allah trof hen vanwege hun ongeloof (kufr). Wa-lahum ʿadhābun alīm (En voor hen is er een pijnlijke bestraffing), dat wil zeggen: en voor hen is er een pijnlijke, kwellende bestraffing op de Dag der Opstanding in het vuur van de hel (jahannam), bovenop datgene wat Allah hen reeds in het wereldse leven heeft laten proeven aan de kwade gevolgen van hun ongeloof (kufr).