Tabari
Terug naar surah 62, ayah 7

Tafseer van De Vrijdag · Al-Jumu'a · 62:7

وَلَا يَتَمَنَّوْنَهُۥٓ أَبَدًۢا بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ ۚ وَٱللَّهُ عَلِيمٌۢ بِٱلظَّٰلِمِينَ

Maar zij zullen die nooit wensen wegens dat wat hun handen vooruit hebben gezonden. En Allah is Alwetend over de onrechtplegers.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Hij, verheven zij Zijn vermelding, zegt tot Zijn profeet Muḥammad ﷺ: وَلا يَتَمَنَّوْنَهُ أَبَدًا ("en zij zullen het nooit wensen"). Hij zegt: en de joden zullen de dood nimmer wensen, بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ ("vanwege wat hun handen hebben voortgebracht") — Hij bedoelt: vanwege de zonden die zij in dit aardse leven verworven hebben en de kwade daden die zij hebben begaan. وَاللَّهُ عَلِيمٌ بِالظَّالِمِينَ ("en Allah is alwetend omtrent de onrechtplegers"). Hij zegt: en Allah heeft kennis van wie van Zijn schepselen zichzelf onrecht heeft aangedaan en haar [de ziel] te gronde heeft gericht door zijn ongeloof aan Allah.

    Toon originele Arabische tekst
    يقول تعالى ذكره لنبيه محمد صَلَّى الله عَلَيْهِ وَسَلَّم: (وَلا يَتَمَنَّوْنَهُ أَبَدًا ) يقول: ولا يتمنى اليهود الموت أبدًا(بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ ) يعني: بما اكتسبوا في هذه الدنيا من الآثام، واجترحوا من السيئات (وَاللَّهُ عَلِيمٌ بِالظَّالِمِينَ ) يقول: والله ذو علم بمن ظلم من خلقه نفسه، فأوبقها بكفره بالله.