Tabari
Terug naar surah 6, ayah 59

Tafseer van Het Vee · Al-An'aam · 6:59

۞ وَعِندَهُۥ مَفَاتِحُ ٱلْغَيْبِ لَا يَعْلَمُهَآ إِلَّا هُوَ ۚ وَيَعْلَمُ مَا فِى ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ ۚ وَمَا تَسْقُطُ مِن وَرَقَةٍ إِلَّا يَعْلَمُهَا وَلَا حَبَّةٍۢ فِى ظُلُمَٰتِ ٱلْأَرْضِ وَلَا رَطْبٍۢ وَلَا يَابِسٍ إِلَّا فِى كِتَٰبٍۢ مُّبِينٍۢ

Hij bezit de schatten van het onwaarneembare en niemand kent die, behalve Hij. Hij weet wat er op de aarde is en in de zee; en er valt nog geen blad of Hij weet ervan; en er is geen graankorrel in de duisternissen van de aarde; en niets vers en niets droogs, of het is in een duidelijk Boek.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Uitleg van de woorden van de Verhevene: En bij Hem zijn de sleutels van het onzichtbare, niemand kent ze behalve Hij, en Hij weet wat er op het land en in de zee is (En bij Hem zijn de sleutels van het verborgene, niemand kent ze behalve Hij, en Hij weet wat zich op het land en in de zee bevindt).

    Abū Jaʿfar zei: Hij zegt: bij Allah zijn de sleutels van het onzichtbare (al-ghayb).

    En "al-mafātiḥ" is het meervoud van "miftaḥ"; men zegt zowel "miftaḥ" als "miftāḥ". Wie "miftaḥ" zegt, vormt het meervoud "mafātiḥ", en wie "miftāḥ" zegt, vormt het meervoud "mafātīḥ".

    * * *

    Met Zijn woorden "en bij Hem zijn de sleutels van het onzichtbare" bedoelt Hij: de schatkamers van het onzichtbare, zoals het volgende:

    13305 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over "en bij Hem zijn de sleutels van het onzichtbare", hij zei, hij bedoelt: de schatkamers van het onzichtbare.

    13306 - Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Misʿar, op gezag van ʿAmr ibn Murra, op gezag van ʿAbd Allāh ibn Salama, op gezag van Ibn Masʿūd, die zei: Aan uw Profeet ﷺ is alles gegeven behalve de sleutels van het onzichtbare.

    13307 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van ʿAṭāʾ al-Khurāsānī, op gezag van Ibn ʿAbbās: "en bij Hem zijn de sleutels van het onzichtbare", hij zei: het zijn er vijf: Voorwaar, Allah, bij Hem is de kennis van het Uur, en Hij zendt de regen neer tot Voorwaar, Allah is Alwetend, Welingelicht [Surah Luqmān: 34].

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: De uitleg van het woord is dus: en Allah kent het beste de onrechtplegers onder Zijn schepselen, en wat zij verdienen, en wat Hij met hen zal doen, want bij Hem is de kennis van wat aan Zijn schepselen verborgen is gebleven, zodat zij het niet hebben aanschouwd en het niet hebben gevat, en zij zullen het nooit weten en het nooit bevatten = "en Hij weet wat er op het land en in de zee is", Hij zegt: en bij Hem is ook de kennis van wat niet verborgen voor u is, want wat zich op het land en in de zee bevindt en zichtbaar is voor het oog, dat weten de dienaren. De betekenis van het woord is dus als het ware: en bij Allah is de kennis van wat voor u verborgen is, o mensen, van datgene wat u niet weet en nooit zult weten, datgene waarvan Hij de kennis voor Zichzelf heeft voorbehouden; en daarbij weet Hij ook al wat u allen weet, niets is voor Hem verborgen, want er is niets behalve datgene wat voor de mensen verborgen is, of datgene wat niet voor hen verborgen is. Zo heeft Allah, verheven is Zijn vermelding, bericht dat bij Hem de kennis is van alles wat geweest is en zal zijn, en van wat zal komen maar nog niet is geweest; en dat is het onzichtbare (al-ghayb).

    * * *

    Uitleg van de woorden van de Verhevene: En er valt geen blad of Hij kent het, en er is geen graankorrel in de duisternissen van de aarde, en niets vochtigs en niets droogs, of het staat in een duidelijk boek (59) (En er valt geen blad of Hij weet het, en er is geen graankorrel in de duisternis van de aarde, en niets nats en niets droogs, of het is opgetekend in een helder boek).

    Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, vermeld is Zijn naam, zegt: en er valt geen blad in de wildernissen en de steppen, noch in de steden en dorpen, of Allah kent het = "en er is geen graankorrel in de duisternissen van de aarde, en niets vochtigs en niets droogs, of het staat in een duidelijk boek", Hij zegt: en er is ook niets, van wat bestaat of van wat zal bestaan maar nog niet bestaat, of het is vastgelegd in de Welbewaarde Tafel (al-Lawḥ al-Maḥfūẓ), daarin opgeschreven, met het aantal en de omvang ervan opgetekend, en het tijdstip waarop het zal bestaan, en de toestand waarin het zal vergaan.

    En met Zijn woord "duidelijk" (mubīn) bedoelt Hij dat het de juistheid aantoont van wat erin staat, door het bestaan van wat erin is opgetekend, overeenkomstig de wijze waarop het is opgetekend.

    * * *

    Mocht iemand zeggen: en wat is de reden voor het vastleggen in de Welbewaarde Tafel en het duidelijke boek van wat Hem niet verborgen is, terwijl Hij dit alles kent en niet hoeft te vrezen het te vergeten?

    Dan wordt hem geantwoord: Allah, verheven is Zijn vermelding, doet wat Hij wil. Het is mogelijk dat dit van Hem een beproeving was voor Zijn bewakers (engelen), en een toetsing van degenen die zijn belast met het opschrijven van hun daden; want zij zijn, naar wat vermeld is, belast met het opschrijven van de daden van de dienaren, en die vervolgens te vergelijken met wat Allah daarvan in de Welbewaarde Tafel heeft vastgelegd, totdat Hij daarin elke dag vastlegt wat Hij vastlegt. En er is gezegd dat dit de betekenis is van Zijn woord: Voorwaar, Wij lieten optekenen wat jullie deden [Surah al-Jāthiya: 29]. En het is mogelijk dat het om een andere reden is, die Hij beter kent: hetzij als bewijs waarmee Hij argumenteert tegen sommige van Zijn engelen, hetzij tegen de kinderen van Adam, of iets anders. En er is overgeleverd:

    13308 - Ziyād ibn Yaḥyā al-Ḥassānī Abū al-Khaṭṭāb heeft mij verteld, hij zei: Mālik ibn Suʿayr heeft ons verteld, hij zei: al-Aʿmash heeft ons verteld, op gezag van Yazīd ibn Abī Ziyād, op gezag van ʿAbd Allāh ibn al-Ḥārith, die zei: Er is op de aarde geen boom, noch zoveel als de inplant van een naald, of daarover is een engel aangesteld die belast is met haar; hij brengt aan Allah kennis ervan: haar droogheid wanneer zij verdort, en haar vochtigheid wanneer zij vochtig is.

    * * *

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : وَعِنْدَهُ مَفَاتِحُ الْغَيْبِ لا يَعْلَمُهَا إِلا هُوَ وَيَعْلَمُ مَا فِي الْبَرِّ وَالْبَحْرِ قال أبو جعفر: يقول: وعند الله مفاتح الغيب. (29) و " المفاتح ": جمع " مِفْتَح ", يقال فيه: " مِفْتح " و " مِفْتَاح ". فمن قال: " مِفْتَح "، جمعه " مفاتح ", ومن قال: " مفتاح "، جمعه " مفاتيح " . * * * ويعني بقوله: " وعنده مفاتح الغيب "، خزائن الغيب, كالذي:- 13305- حدثني محمد بن الحسين قال، حدثنا أحمد بن المفضل قال، حدثنا أسباط, عن السدي: " وعنده مفاتح الغيب "، قال، يقول: خزائن الغيب. 13306- حدثنا ابن وكيع قال، حدثنا أبي, عن مسعر, عن عمرو بن مرة, عن عبد الله بن سلمة, عن ابن مسعود قال: أعطي نبيُّكم كل شيءٍ إلا مفاتح الغيب. (30) 13307 - حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج, عن ابن جريج, عن عطاء الخراساني, عن ابن عباس: " وعنده مفاتح الغيب "، قال: هن خمس: إِنَّ اللَّهَ عِنْدَهُ عِلْمُ السَّاعَةِ وَيُنَـزِّلُ الْغَيْثَ إلى إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ [سورة لقمان: 34] . * * * قال أبو جعفر: فتأويل الكلام إذًا: والله أعلم بالظالمين من خلقه، وما هم مستحقُّوه وما هو بهم صانع, فإنّ عنده علم ما غاب علمه عن خلقه فلم يطلعوا عليه ولم يدركوه، ولن يعلموه ولن يدركوه (31) =" ويعلم ما في البر والبحر "، يقول: وعنده علم ما لم يغب أيضًا عنكم, لأن ما في البر والبحر مما هو ظاهر للعين، يعلمه العباد. فكأن معنى الكلام: وعند الله علم ما غابَ عنكم، أيها الناس، مما لا تعلمونه ولن تعلموه مما استأثرَ بعلمه نفسَه, ويعلم أيضًا مع ذلك جميع ما يعلمه جميعُكم, لا يخفى عليه شيء, لأنه لا شيءَ إلا ما يخفى عن الناس أو ما لا يخفى عليهم. فأخبر الله تعالى ذكره أن عنده علم كل شيء كان ويكون، وما هو كائن مما لم يكن بعد, وذلك هو الغيب. (32) * * * القول في تأويل قوله : وَمَا تَسْقُطُ مِنْ وَرَقَةٍ إِلا يَعْلَمُهَا وَلا حَبَّةٍ فِي ظُلُمَاتِ الأَرْضِ وَلا رَطْبٍ وَلا يَابِسٍ إِلا فِي كِتَابٍ مُبِينٍ (59) قال أبو جعفر: يقول تعالى ذكره: ولا تسقط ورقةٌ في الصحاري والبراري، ولا في الأمصار والقرى، إلا الله يعلمها =" ولا حبة في ظلمات الأرض ولا رطب ولا يابس إلا في كتاب مبين "، يقول: ولا شيء أيضًا مما هو موجود، أو ممّا سيوجد ولم يوجد بعد, إلا وهو مثبت في اللوح المحفوظ, مكتوبٌ ذلك فيه، ومرسوم عددُه ومبلغه، والوقت الذي يوجد فيه، والحالُ التي يفنى فيها. ويعني بقوله: " مبين "، أنه يبين عن صحة ما هو فيه، بوجود ما رُسم فيه على ما رُسم. (33) * * * فإن قال قائل: وما وجهُ إثباته في اللوح المحفوظ والكتاب المبين، ما لا يخفى عليه, وهو بجميعه عالم لا يُخَاف نسيانَه؟ قيل له : لله تعالى ذكره فعل ما شاء. وجائز أن يكون كان ذلك منه امتحانًا منه لحفَظَته، واختبارًا للمتوكلين بكتابة أعمالهم, فإنهم فيما ذُكر مأمورون بكتابة أعمال العباد، ثم بعرضها على ما أثبته الله من ذلك في اللوح المحفوظ, حتى أثبت فيه ما أثبت كل يوم. وقيل إن ذلك معنى قوله: إِنَّا كُنَّا نَسْتَنْسِخُ مَا كُنْتُمْ تَعْمَلُونَ [سورة الجاثية: 29] . وجائز أن يكون ذلك لغير ذلك مما هو أعلم به, إمّا بحجة يحتج بها على بعض ملائكته، وأما على بني آدم وغير ذلك، وقد:- 13308 - حدثني زياد بن يحيى الحسّاني أبو الخطاب قال، حدثنا مالك بن سعير قال، حدثنا الأعمش, عن يزيد بن أبي زياد, عن عبد الله بن الحارث قال: ما في الأرض من شجرة ولا كمغرِز إبرة, إلا عليها ملك موكّل بها يأتي الله بعلمها: (34) يبسها إذا يبست، ورطوبتها إذا رَطبت. (35) * * * --------------- الهوامش : (29) في المطبوعة: "يقول: وعنده مفاتح الغيب" ، والصواب ما في المخطوطة. (30) الأثر: 13306 -"عبد الله بن سلمة المرادي" ، تابعي ثقة ، من فقهاء الكوفة بعد الصحابة. مضى برقم: 12398. وهذا خبر الإسناد ، رواه أحمد في مسنده: 3659 ، انظر شرح أخي السيد أحمد لهذا الخبر هناك. (31) في المطبوعة: "ولم يعلموه ، ولن يدركوه" ، وفي المخطوطة: "ولم يعلموه ولا يدركوه" ، والصواب الدال عليه السياق ، هو ما أثبته. (32) انظر تفسير"الغيب" فيما سلف ص: 371 تعليق: 1 ، والمراجع هناك. (33) انظر تفسير"مبين" فيما سلف من فهارس اللغة (بين). (34) في المطبوعة: "يأتي الله يعلمه يبسها" ، وأثبت ما في المخطوطة ، وهو الصواب ، وهذا عبث من الناشر. (35) الأثر: 13308 -"زياد بن يحيى بن زياد بن حسان الحساني النكري" ، أبو الخطاب ، ثقة ، روى له الستة. مترجم في التهذيب ، وابن أبي حاتم 1/2/549. هذا ، وقد جاء في المخطوطة وتفسير ابن كثير"زياد بن عبد الله الحساني أبو الخطاب" ، وهو خطأ لا شك فيه ، فإن الذي يروي عن"مالك بن سعير" هو"زياد بن يحيى الحساني ، أبو الخطاب" ، فضلا عن أنه ليس في الرواة من يسمى"زياد بن عبد الله الحساني أبو الخطاب". و"مالك بن سعير بن الخمس التميمي" ، قال أبو زرعة وأبو حاتم: "صدوق" ، وضعفه أبو داود ، وذكره ابن حبان في الثقات ، وهو مترجم في التهذيب ، والبخاري في الكبير 4/1/315 ، ولم يذكر فيه جرحًا ، وابن أبي حاتم 4/1/209. و"يزيد بن أبي زياد القرشي الهاشمي" هو مولى"عبد الله بن الحارث" ، مضى مرارًا ، آخرها رقم: 12740. و"عبد الله بن الحارث بن نوفل بن الحارث بن عبد المطلب بن هاشم" ، هو"ببة" ، ثقة ، مضى برقم: 12740. وهذا الخبر ، ذكره ابن كثير في تفسيره من طريق ابن أبي حاتم ، عن عبد الله بن محمد بن عبد الرحمن بن المسور الزهري ، عن مالك بن سعير ، بمثله. وخرجه السيوطي في الدر المنثور 3: 15 ، وزاد نسبته إلى ابن أبي شيبة ، وأبي الشيخ.