Tafseer van Het Vee · Al-An'aam · 6:128
En op de Dag waarop Hij allen bijéén zal brengen (zal Hij zeggen:) "O Bemeenschap van Djinn's, jullie hebben velen van onder de mensen misleid." En hun bondgenoten van onder de mensen zullen zeggen: "Onze Heer, wij hebben van elkaars diensten gebruik gemaakt, en wij hebben de termijn bereikt die U voor ons had gesteld." Hij (Allah) zal zeggen: "De Hel is jullie bestemming, eeuwig levenden zijn jullie daarin, tenzij Allah (anders) wil." Voorwaar, jouw geer is Alwijs, Alwetend.
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَيَوْمَ يَحْشُرُهُمْ جَمِيعًا يَا مَعْشَرَ الْجِنِّ قَدِ اسْتَكْثَرْتُمْ مِنَ الإِنْسِ (En op de Dag dat Hij hen allen verzamelt: O schare van djinn, jullie hebben veel van de mensen genomen.)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, bedoelt met Zijn uitspraak ويوم يحشرهم جميعًا (en op de Dag dat Hij hen allen verzamelt): en op de Dag dat Hij dezen verzamelt die afgodsbeelden en gesneden beelden gelijkstellen aan Allah, en de overige polytheïsten (mushrikīn) met hen, samen met hun bondgenoten onder de duivels, die hun opgesmukte woorden influisterden als verleiding, opdat zij daarmee met de gelovigen zouden twisten; Hij verzamelt hen dan allen op de standplaats van de Opstanding. (30) Hij zegt tot de djinn: يا معشر الجن قد استكثرتم من الإنس (o schare van djinn, jullie hebben veel van de mensen genomen). En "Hij zegt tot de djinn" is weggelaten uit de uitspraak, waarbij wordt volstaan met de aanwijzing die het zichtbare deel van de uitspraak daarop geeft.
* * *
En Hij bedoelt met Zijn uitspraak قد استكثرتم من الإنس (jullie hebben veel van de mensen genomen): jullie hebben veel gedaan aan het misleiden en verleiden van hen, zoals:-
13885- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn uitspraak ويوم يحشرهم جميعًا يا معشر الجن قد استكثرتم من الإنس: het betekent: jullie hebben velen van hen misleid.
13886- Mohammed ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Mohammed ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda: يا معشر الجن قد استكثرتم من الإنس, hij zei: jullie hebben velen van de mensen misleid.
13887- Mohammed ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over de uitspraak van Allah قد استكثرتم من الإنس, hij zei: talrijk waren degenen die jullie verleidden.
13888- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, het gelijke daarvan.
13889- Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Abū Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van al-Ḥasan: قد استكثرتم من الإنس, hij zegt: jullie hebben velen van de mensen misleid.
* * *
De uitleg van de uitspraak: وَقَالَ أَوْلِيَاؤُهُمْ مِنَ الإِنْسِ رَبَّنَا اسْتَمْتَعَ بَعْضُنَا بِبَعْضٍ (En hun bondgenoten onder de mensen zeggen: Onze Heer, wij hebben van elkaar genoten.)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: dan antwoorden de bondgenoten van de djinn onder de mensen en zeggen: "Onze Heer, wij hebben van elkaar genoten" in het wereldse leven. (31) Wat betreft het genieten van de mensen door middel van de djinn, dat was zoals:-
13890- Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, over Zijn uitspraak ربنا استمتع بعضنا ببعض, hij zei: in de tijd van onwetendheid (jāhiliyya) daalde een man neer in een land en zei: "Ik zoek toevlucht bij de grote [djinn] van dit dal." Dat was hun genieten, en zij maakten zich daarvoor verontschuldigingen op de Dag der Opstanding.
* * *
En wat betreft het genieten van de djinn door middel van de mensen, dat was, naar wat overgeleverd is, hetgeen de djinn van de mensen verkregen aan verheerlijking van hen doordat dezen toevlucht bij hen zochten; zij zeiden dan: "Wij heersen over de djinn en de ḥinn." (32)
* * *
De uitleg van de uitspraak: وَبَلَغْنَا أَجَلَنَا الَّذِي أَجَّلْتَ لَنَا (En wij hebben de termijn bereikt die U voor ons hebt vastgesteld.)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: zij zeiden: wij hebben het tijdstip bereikt dat U hebt vastgesteld voor onze dood. (33) En Hij, wiens lof verheven is, bedoelt daarmee slechts: dat zij zeiden: wij hebben van elkaar genoten gedurende de dagen van ons leven tot aan het ogenblik van onze dood. Zoals:-
13891- Mohammed ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: wat betreft Zijn uitspraak وبلغنا أجلنا الذي أجَّلتَ لنا, dat is de dood.
* * *
De uitleg van de uitspraak: قَالَ النَّارُ مَثْوَاكُمْ خَالِدِينَ فِيهَا إِلا مَا شَاءَ اللَّهُ إِنَّ رَبَّكَ حَكِيمٌ عَلِيمٌ (128) (Hij zegt: Het Vuur is jullie verblijfplaats, daarin eeuwig verblijvend, behalve wat Allah wil. Voorwaar, jouw Heer is Wijs, Alwetend.) (6:128)
Abū Jaʿfar zei: En dit is een bericht van Allah, wiens gedachtenis verheven is, over wat Hij zal zeggen tot dezen die Hij op de Dag der Opstanding verzamelt onder degenen die Hem in het wereldse leven gelijkstelden met afgodsbeelden, en tot hun metgezellen onder de djinn. Hij bracht het bericht over wat zal geschieden uit in de vorm van een bericht over wat al geschied is, vanwege het voorafgaan van de uitspraak vóór hem met die betekenis en die bedoeling. Hij zei dus: Allah zei tot de bondgenoten van de djinn onder de mensen, over wie Zijn bericht reeds is voorafgegaan: النار مثواكم (het Vuur is jullie verblijfplaats), Hij bedoelt het vuur van de hel (jahannam). "Mathwākum" (jullie verblijfplaats) is datgene waarin jullie verblijven, dat wil zeggen: waarin jullie verwijlen.
* * *
En "al-mathwā" is de "mafʿal"-vorm van hun uitdrukking: "thawā fulān bi-makān kadhā" (die-en-die verbleef op die-en-die plaats), wanneer hij daar verbleef. (34)
خالدين فيها (daarin eeuwig verblijvend), Hij zegt: daarin verwijlend. (35) إلا ما شاء الله (behalve wat Allah wil), Hij bedoelt: behalve wat Allah wil aan de duur van de periode tussen hun opwekking uit hun graven en hun aankomst bij de hel (jahannam); dat is de periode die Allah heeft uitgezonderd van hun eeuwige verblijf in het Vuur. إن ربك حكيم (voorwaar jouw Heer is Wijs), in Zijn beschikking over Zijn schepping, en in Zijn beschikken over hen naar Zijn wil van de ene toestand naar de andere, en in andere van Zijn handelingen. عليم (Alwetend), omtrent de uitkomsten van Zijn beschikking over hen, (36) en omtrent datgene waartoe hun zaak uiteindelijk zal uitlopen, van goed en kwaad. (37)
* * *
En er is overgeleverd van Ibn ʿAbbās dat hij bij deze uitzondering placht uit te leggen: dat Allah de zaak van dit volk, in de mate van Zijn bestraffing van hen, heeft overgelaten aan Zijn wil.
13892- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās: قال النار مثواكم خالدين فيها إلا ما شاء الله إن ربك حكيم عليم, hij zei: voorwaar dit vers is een vers waarbij het niemand betaamt om over Allah te oordelen inzake Zijn schepping, namelijk hen [met zekerheid] noch in het paradijs noch in het Vuur te plaatsen. (38)
----------------------
De voetnoten:
(30) Zie de uitleg van "al-ḥashr" (de verzameling) in wat eerder voorbijging, blz. 50, noot 1, en de verwijzingen daar.
(31) Zie de uitleg van "al-istimtāʿ" (het genieten) in wat eerder voorbijging 8: 175, noot 1, en de verwijzingen daar.
(32) In de gedrukte editie staat: "Wij heersen over de djinn en de mensen", afwijkend van wat in het manuscript staat, dat hij niet goed kon lezen omdat het niet van diakritische punten was voorzien. En ik heb overgenomen wat in het manuscript staat. En "al-ḥinn" (met een kasra op de ḥāʾ) is een stam van de stammen der djinn, en de toelichting daarvan ging reeds voorbij in deel 1: 455, noot 1, raadpleeg het daar. Zie Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1: 354, en wat daar staat komt overeen met wat in de gedrukte editie staat.
(33) Zie de uitleg van "al-ajal" (de termijn) in wat eerder voorbijging, blz. 11: 259, noot 1, en de verwijzingen daar.
(34) Zie de uitleg van "al-mathwā" in wat eerder voorbijging 7: 279.
(35) Zie de uitleg van "al-khulūd" (het eeuwig verblijven) in wat eerder voorbijging uit de taalkundige registers (kh-l-d).
(36) Zie de uitleg van "ḥakīm" (Wijs) en "ʿalīm" (Alwetend) in wat eerder voorbijging uit de taalkundige registers (ḥ-k-m) en (ʿ-l-m).
(37) In de gedrukte editie staat "ṣāʾir" zonder tāʾ aan het einde, en het juiste is wat in het manuscript staat: "ṣāʾira" zoals "ʿāqiba" in bewoording en betekenis, en daarvan komt eerder: "al-ṣāʾira is datgene waartoe het gewas in droogte uitloopt".
(38) In de gedrukte editie staat "an lā yunazzila-hum", waarbij "an" werd toegevoegd, hetgeen de betekenis zodanig bedierf dat zij elkaar tegensprak. En zijn woord is slechts: "hen [met zekerheid] noch in het paradijs noch in het Vuur te plaatsen", een verbod aan de mensen om te zeggen: "Die-en-die is in het paradijs" en "Die-en-die is in het Vuur". "Yunazzilu-hum" heeft de lām in de jussief vanwege het verbiedende partikel.