Tafseer van Het Vee · Al-An'aam · 6:114
(Zeg, O Moehammad:) "Zal ik dan een andere Rechter dan Allah zoeken, terwijl Hij het is Die het Boek (de Koran) tot hen heeft neergezonden als een uiteenzetting?" En degenen aan wie Wij de Schrift hebben gegeven weten dat het een neerzending met de Waarheid van jouw Heer is. Behoor dus zeker niet tot de twijfelaars.
De uitleg van de uitspraak: "Zou ik dan een ander dan Allah als scheidsrechter zoeken, terwijl Hij het is die jullie het Boek, uitvoerig uiteengezet, heeft neergezonden?"
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt tot zijn profeet Mohammed (de Profeet ﷺ): Zeg tot dezen die afgodsbeelden en standbeelden aan Allah gelijkstellen, die tegen jou zeggen: "Houd op met onze goden, dan houden wij op met jouw god": Allah heeft mij bevolen jullie goden te vermelden op een wijze die afschrikt van hun aanbidding. "Zou ik dan een ander dan Allah als scheidsrechter zoeken" — dat wil zeggen: zeg: het past mij niet Zijn oordeel te overtreden en te overschrijden, want er is geen scheidsrechter rechtvaardiger dan Hij, noch een spreker waarachtiger dan Hij. "Terwijl Hij het is die jullie het Boek, uitvoerig uiteengezet, heeft neergezonden" — daarmee bedoelt Hij de Koran. "Uitvoerig uiteengezet" — daarmee bedoelt Hij: waarin verduidelijkt is het oordeel over datgene waarover jullie twisten aangaande mijn zaak en jullie zaak.
En wij hebben de betekenis van "de uiteenzetting (al-tafṣīl)" reeds eerder uitgelegd.
De uitleg van de uitspraak: "En degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven, weten dat het met de waarheid is neergezonden van jouw Heer; behoor dus niet tot de twijfelaars." (6:114)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: indien dezen onder jouw volk die afgodsbeelden aan Allah gelijkstellen de eenheid van Allah ontkennen, en evenknieën aan Hem als deelgenoten toekennen, en datgene loochenen wat Ik aan jou heb neergezonden, en ontkennen dat het waarheid zou zijn en het verloochenen — dan weten degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven, namelijk de Tora en het Evangelie, uit de kinderen van Israël, "dat het is neergezonden van jouw Heer", dat wil zeggen: de Koran en wat daarin staat. "Met de waarheid" — Hij zegt: als een onderscheiding tussen de mensen van de waarheid en de mensen van de valsheid, die wijst op de waarachtigheid van de waarachtige in Allahs kennis, en de leugenachtigheid van de leugenaar die tegen Hem verzint. "Behoor dus niet tot de twijfelaars" — Hij zegt: behoor dus niet, o Mohammed, tot degenen die twijfelen aan de waarheid van de berichten die tot jou zijn gekomen van Allah in dit Boek, en aan het overige dat het bevat, want degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven, weten dat het met de waarheid van jouw Heer is neergezonden.
En wij hebben reeds eerder uiteengezet wat de strekking is van Zijn uitspraak: "Behoor dus niet tot de twijfelaars", op een wijze die herhaling overbodig maakt, samen met de overlevering die daarover is overgeleverd. En reeds:
13788- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, over Zijn uitspraak: "Behoor dus niet tot de twijfelaars" — Hij zegt: verkeer niet in twijfel over datgene wat Wij jou hebben verhaald.