Tafseer van De Ster · An-Najm · 53:51
En de Tsamôed, toen geen van hen overbleef?
En Zijn uitspraak وَثَمُودَ فَمَا أَبْقَى ("en de Thamūd, en Hij liet niets over"). De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: Allah liet de Thamūd niet voortbestaan, zodat Hij hen zou laten volharden in hun overtreding en hun opstandigheid tegen hun Heer; veeleer strafte Hij hen wegens hun ongeloof en hun aanmatiging, en vernietigde Hij hen.
De reciteurs verschilden over de lezing daarvan. De meeste reciteurs van Basra en sommigen van Kūfa lazen het وَثَمُودَ فَمَا أَبْقَى ("en de Thamūd, en Hij liet niets over") met buiging (ijrāʾ, dat wil zeggen met nunatie en flexie), in overeenstemming met de [geschreven] muṣḥaf, aangezien de alif daarin is vastgesteld. En sommige reciteurs van Kūfa lazen het zonder buiging. Er is vermeld dat het in de muṣḥaf van ʿAbdallāh [ibn Masʿūd] zonder alif staat.
Het juiste oordeel daarover is dat het twee bekende lezingen zijn; volgens welke van beide de reciteur ook reciteert, hij heeft het juiste getroffen, vanwege hun beider correctheid wat betreft de verbuiging (iʿrāb) en de betekenis. Wij hebben reeds eerder het verhaal van de Thamūd en de oorzaak van hun vernietiging uiteengezet, op een wijze die ons ontslaat van herhaling ervan.