Tabari
Terug naar surah 50, ayah 6

Tafseer van Qaaf · Qaaf · 50:6

أَفَلَمْ يَنظُرُوٓا۟ إِلَى ٱلسَّمَآءِ فَوْقَهُمْ كَيْفَ بَنَيْنَٰهَا وَزَيَّنَّٰهَا وَمَا لَهَا مِن فُرُوجٍۢ

Kijken zij dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij die gebouwd hebben en hoe Wij die versierd hebben en hoe die geen enkele scheur heeft?

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    En Zijn uitspraak ( Hebben zij dan niet gekeken naar de hemel boven hen, hoe Wij die hebben gebouwd en hebben versierd ) (50:6). De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: hebben deze loochenaars van de opwekking na de dood, die Onze macht ontkennen om hen na hun vertering weer tot leven te wekken, dan niet gekeken ( naar de hemel boven hen, hoe Wij die hebben gebouwd ) en als een welbewaard dak hebben gemaakt, en die met de sterren hebben versierd ( en die geen scheuren heeft ): dat wil zeggen, en die geen barsten en spleten heeft.

    En overeenkomstig hetgeen wij hierover hebben gezegd, hebben de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken.

    * Vermelding van wie dat heeft gezegd:

    Mohammed ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden — op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over Zijn uitspraak ( scheuren ), hij zei: een spleet.

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, over Zijn uitspraak ( en die geen scheuren heeft ); ik zei tot hem, namelijk tot Ibn Zayd: de scheuren (al-furūj) zijn datgene waarvan de delen van elkaar gescheiden zijn? Hij zei: ja.

    Toon originele Arabische tekst
    وقوله ( أَفَلَمْ يَنْظُرُوا إِلَى السَّمَاءِ فَوْقَهُمْ كَيْفَ بَنَيْنَاهَا وَزَيَّنَّاهَا ) يقول تعالى ذكره: أفلم ينظر هؤلاء المكذّبون بالبعث بعد الموت المنُكرون قُدرتنا على إحيائهم بعد بلائهم ( إِلَى السَّمَاءِ فَوْقَهُمْ كَيْفَ بَنَيْنَاهَا ) فسوّيناها سقفا محفوظا, وزيناها بالنجوم ( وَمَا لَهَا مِنْ فُرُوجٍ ) يعني: وما لها من صدوع وفُتوق. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثني محمد بن عمرو, قال : ثنا أبو عاصم, قال : ثنا عيسى; وحدثني الحارث, قال : ثنا الحسن, قال : ثنا ورقاء جميعا, عن ابن أبي نجيح, عن مجاهد, قوله ( مِنْ فُرُوجٍ ) قال: شَقّ. حدثني يونس, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال ابن زيد, في قوله ( وَمَا لَهَا مِنْ فُرُوجٍ ) قلت له, يعني ابن زيد: الفروج: الشيء المتبرئ بعضه من بعض, قال: نعم.