Tafseer van Qaaf · Qaaf · 50:33
Die de Barmhartige ongezien vreesde en die met een berouwvol hart kwam.
En Zijn uitspraak ( مَنْ خَشِيَ الرَّحْمَنَ بِالْغَيْبِ ) (wie de Erbarmer vreesde in het verborgene), Hij zegt: wie Allah vreesde in het wereldse leven, vóórdat hij Hem ontmoette, en Hem dus gehoorzaamde en Zijn gebod volgde.
En in ( مَن ) in Zijn uitspraak ( مَنْ خَشِيَ ) (wie vreesde) zijn er twee mogelijkheden van verbuiging: de genitief, doordat het zich aansluit bij kull (ieder) in Zijn uitspraak ( لِكُلِّ أَوَّابٍ ) (voor iedere berouwvolle); en de nominatief, op grond van een nieuwe aanvang (al-istiʾnāf), waarbij ermee de voorwaarde-zin bedoeld wordt: "wie de Erbarmer vreesde in het verborgene, tot hem wordt gezegd: treed het paradijs binnen." In dat geval is Zijn uitspraak ( ادْخُلُوهَا بِسَلامٍ ) (treedt het binnen in vrede) het antwoord op de voorwaarde, waarbij vóór dit antwoord het werkwoord "zeggen" (al-qawl) verzwegen is, en het werkwoord [van het binnentreden] in het meervoud is geplaatst voor de gezamenlijkheid, omdat ( مَن ) (wie) de betekenis van de gezamenlijkheid kan hebben.
En Zijn uitspraak ( وَجَاءَ بِقَلْبٍ مُنِيبٍ ) (en die kwam met een berouwvol hart), Hij zegt: en die tot Allah kwam met een hart dat berouw heeft over zijn zonden, dat zich afkeert van hetgeen Allah verafschuwt naar hetgeen Hem behaagt.
Zoals Bishr ons verteld heeft, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak ( وَجَاءَ بِقَلْبٍ مُنِيبٍ ) (en die kwam met een berouwvol hart): dat wil zeggen, berouwvol tot zijn Heer, zich tot Hem toewendend.