Tafseer van De Maaltijd · Al-Maaida · 5:69
Voorwaar, degenen die (in de Koran) geloven en de Joden en de Sabiërs en de Christenen en wie er in Allah en de Laatste Dag geloven en goede werk verrichten: voor hen zal er geen angst zijn en zij zullen niet treuren.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ هَادُوا وَالصَّابِئُونَ وَالنَّصَارَى مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ وَعَمِلَ صَالِحًا فَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ ("Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die het Jodendom aanhangen, en de Ṣābiʾūn, en de Christenen — wie van hen in Allah en de Laatste Dag gelooft en goed handelt, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren") (5:69).
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: Voorwaar, degenen die Allah en Zijn Boodschapper voor waar hielden — en zij zijn de mensen van de islam — "en degenen die het Jodendom aanhangen", en zij zijn de Joden — "en de Ṣābiʾūn", en hun aangelegenheid hebben wij reeds uiteengezet — "en de Christenen, wie van hen in Allah en de Laatste Dag gelooft", dus de opstanding na de dood voor waar houdt — "en handelt", aan handelingen — "goed" voor zijn wederkeer — "over hen zal geen vrees komen", aangaande dat wat zij tegemoet treden van de verschrikkingen van de Opstanding — "noch zullen zij treuren", over wat zij achter zich hebben gelaten van de wereld en haar leven, nadat zij hebben aanschouwd waarmee Allah hen heeft geëerd aan Zijn overvloedige beloning.
* * *
En wij hebben de wijze van de grammaticale ontleding (iʿrāb) hierin reeds eerder uiteengezet, op een wijze die het overbodig maakt het te herhalen.