Tafseer van De Maaltijd · Al-Maaida · 5:62
En jij ziet velen van hen terwijl zij zich haasten naar de zonde en de overtreding en hun eten van hel verbodene. Het is zeker slecht wat zij plachten te doen!
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَتَرَى كَثِيرًا مِنْهُمْ يُسَارِعُونَ فِي الإِثْمِ وَالْعُدْوَانِ وَأَكْلِهِمُ السُّحْتَ لَبِئْسَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ (5:62) (En gij ziet velen van hen zich haasten naar de zonde en de overtreding en hun verteren van het onrechtmatig verkregene. Hoe slecht is wel wat zij plachten te doen.)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene zegt tot Zijn profeet Muḥammad ﷺ: "En gij ziet" — o Muḥammad — "velen" van deze joden van de Kinderen van Israël wier bericht Ik u heb verhaald — "zich haasten naar de zonde en de overtreding", hetgeen betekent: zij begaan met spoed de zonde.
* * *
Er is gezegd dat met "de zonde" (al-ithm) op deze plaats het ongeloof (kufr) bedoeld wordt.
12235 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft mij verteld, hij zei: Aḥmad ibn Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī betreffende Zijn woord: "En gij ziet velen van hen zich haasten naar de zonde en de overtreding", hij zei: "de zonde" is het ongeloof.
12236 - Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda betreffende Zijn woord: "En gij ziet velen van hen zich haasten naar de zonde en de overtreding", en dit was bij de rechters van de joden die zich voor u bevonden.
12237 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende Zijn woord: "zich haasten naar de zonde en de overtreding", hij zei: dit zijn de joden — "Hoe slecht is wel wat zij plachten te doen" — لَوْلا يَنْهَاهُمُ الرَّبَّانِيُّونَ (Waarom verbieden de godgeleerden hun niet), tot aan Zijn woord: لَبِئْسَ مَا كَانُوا يَصْنَعُونَ (Hoe slecht is wel wat zij plachten te bedrijven). Hij zei: "zij bedrijven" (yaṣnaʿūna) en "zij doen" (yaʿmalūna) zijn één en hetzelfde. Hij zei: tot dezen [zei Hij dit] toen zij niet verboden, zoals Hij tot genen [dit] zei toen zij [zelf] handelden. Hij zei: en dat is de toegeeflijkheid (al-idhān).
* * *
Abū Jaʿfar zei: En deze uitspraak die wij van al-Suddī hebben vermeld — ook al is het een uitspraak waarvan de juistheid niet onmogelijk is — toch is hetgeen wat passender is bij de uitleg van de woorden: dat het volk beschreven wordt als zich haastend in alle vormen van ongehoorzaamheid jegens Allah, zonder dat zij voor enig daarvan terugschrikken, noch voor ongeloof noch voor iets anders. Want Allah de Verhevene heeft hen in hun beschrijving op algemene wijze gekenmerkt met datgene waarmee Hij hen gekenmerkt heeft, namelijk dat zij zich haasten naar de zonde en de overtreding, zonder dat Hij daarbij de ene zonde van de andere onderscheidt.
* * *
Wat "de overtreding" (al-ʿudwān) betreft: dat is het overschrijden van de grens die Allah voor hen heeft vastgesteld in alles wat Hij voor hen heeft vastgesteld.
* * *
En de uitleg daarvan: dat deze joden, die de Verhevene in deze ayāt heeft beschreven met datgene waarmee Hij hen beschreven heeft — dat velen van hen zich haasten naar de ongehoorzaamheid jegens Allah en het tegengaan van Zijn gebod, en zij overschrijden Zijn grenzen die Hij voor hen heeft vastgesteld met betrekking tot wat Hij hun heeft toegestaan en wat Hij hun heeft verboden, in hun verteren van "het onrechtmatig verkregene" (al-suḥt) — en dat is de omkoping die zij van de mensen aannemen om een oordeel te vellen dat in strijd is met het oordeel van Allah onder hen.
* * *
Allah de Verhevene zegt: "Hoe slecht is wel wat zij plachten te doen", hetgeen betekent: Ik zweer, hoe slecht is wel het werk dat deze joden plachten te doen, in hun zich haasten naar de zonde en de overtreding, en hun verteren van het onrechtmatig verkregene.
* * *