Tabari
Terug naar surah 5, ayah 40

Tafseer van De Maaltijd · Al-Maaida · 5:40

أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ ٱللَّهَ لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ يُعَذِّبُ مَن يَشَآءُ وَيَغْفِرُ لِمَن يَشَآءُ ۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌۭ

Weet jij dan niet dat het Koninkrijk van de hemelen en de aarde aan Allah toebehoort: Hij straft wie Hij wil en Hij vergeeft wie Hij wil. En Allah is Almachtig over alle zaken.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Uitleg van de uitspraak van Hem, machtig is Zijn vermelding: أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ اللَّهَ لَهُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ يُعَذِّبُ مَنْ يَشَاءُ وَيَغْفِرُ لِمَنْ يَشَاءُ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ (Weet je niet dat aan Allah de heerschappij over de hemelen en de aarde toebehoort? Hij bestraft wie Hij wil en Hij vergeeft wie Hij wil, en Allah is tot alle dingen in staat) (40).

    Abū Jaʿfar zei: Hij — verheven zij Zijn lof — zegt tegen Zijn profeet Mohammed, de zegen en vrede van Allah zij over hem: Weten dezen niet — [Hij bedoelt degenen die zeggen]: لَنْ تَمَسَّنَا النَّارُ إِلا أَيَّامًا مَعْدُودَةً (Het Vuur zal ons slechts een gering aantal dagen raken), die beweren dat zij de zonen van Allah en Zijn geliefden zijn (25) — dat Allah de bestuurder is van wat in de hemelen en wat op de aarde is, en de beschikker daarover en de schepper ervan? Niets van wat in een van beide is kan zich onttrekken aan datgene wat Hij wil, omdat dit alles Zijn bezit is en de beschikking erover aan Hem behoort. Er is geen verwantschap tussen Hem en iets van wat zich in beide bevindt, noch in een van beide, zodat Hij iemand zou begunstigen vanwege diens nabije verwantschap met Hem en hem daardoor van Zijn bestraffing zou redden terwijl hij aan Hem ongelovig is en Zijn gebod en verbod tegenspreekt — of iemand het Vuur zou doen binnengaan terwijl deze Hem gehoorzaam is, vanwege diens verre verwantschap met Hem. Veeleer bestraft Hij wie Hij wil van Zijn schepselen in dit wereldse leven om hun ongehoorzaamheid, met de dood, de verzwelging, de gedaanteverandering en andere soorten van Zijn bestraffing; en Hij vergeeft wie Hij wil van hen in dit wereldse leven door diens berouw te aanvaarden over zijn ongeloof en zijn ongehoorzaamheid, en redt hem zo van de ondergang en bevrijdt hem van de bestraffing — "en Allah is tot alle dingen in staat". Hij zegt: en Allah — machtig en verheven is Hij — is in staat tot het bestraffen van wie Hij van Zijn schepselen wil bestraffen om diens ongehoorzaamheid, en tot het vergeven van wie Hij van hen wil vergeven door hem van de ondergang te redden door diens berouw te aanvaarden en door andere zaken alle tezamen; in staat, omdat de schepping Zijn schepping is, en de heerschappij Zijn heerschappij, en de dienaren Zijn dienaren.

    * * *

    En Zijn uitspraak "Weet je niet dat aan Allah de heerschappij over de hemelen en de aarde toebehoort" (26) is uitgegaan als een aanspraak tot hem, de zegen en vrede van Allah zij over hem, terwijl daarmee bedoeld zijn degenen die ik vermeld heb van de groeperingen van de kinderen van Israël die zich in de stad van de Boodschapper van Allah, de zegen en vrede van Allah zij over hem, en daaromheen bevonden. Wij hebben reeds het gebruik door de Arabieren van iets dergelijks in hun spraak uiteengezet, met de bewijsplaatsen ervoor, in wat voorafging, op een wijze die ons ontslaat van herhaling daarvan op deze plaats. (27)

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله عز ذكره : أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ اللَّهَ لَهُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ يُعَذِّبُ مَنْ يَشَاءُ وَيَغْفِرُ لِمَنْ يَشَاءُ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ (40) قال أبو جعفر: يقول جل ثناؤه لنبيه محمد صلى الله عليه وسلم: ألم يعلم هؤلاء= [يعني القائلين]: لَنْ تَمَسَّنَا النَّارُ إِلا أَيَّامًا مَعْدُودَةً ، الزاعمين أنهم أبناء الله وأحباؤه (25) = أن الله مدبِّر ما في السموات وما في الأرض، ومصرفه وخالقه، لا يمتنع شيء مما في واحدة منهما مما أرادَه، لأن كل ذلك ملكه، وإليه أمره، ولا نسب بينه وبين شيء مما فيهما ولا مما في واحدة منهما، فيحابيه بسبب قرابته منه، فينجيه من عذابه، وهو به كافر، ولأمره ونهيه مخالف= أو يدخله النار وهو له مطيع لبعد قرابته منه، ولكنه يعذّب من يشاء من خلقه في الدنيا على معصيته بالقتل والخسف والمسخ وغير ذلك من صنوف عذابه، ويغفر لمن يشاء منهم في الدنيا بالتّوبة عليه من كفره ومعصيته، فينقذه من الهلكة، وينجيه من العقوبة =" والله على كل شيء قدير "، يقول: والله جل وعز على تعذيب من أرَاد تعذيبه من خلقه على معصيته، وغفرانِ ما أراد غفرانه منهم باستنقاذه من الهلكة بالتوبة عليه وغير ذلك من الأمور كلها= قادرٌ، لأن الخلق خلقُه، والملك ملكه، والعباد عباده. * * * وخرج قوله: " ألم تعلم أن الله له ملك السموات والأرض "، (26) خطابًا له صلى الله عليه وسلم، والمعنيُّ به من ذكرتُ من فرق بني إسرائيل الذين كانوا بمدينة رسول الله صلى الله عليه وسلم وما حَوَاليها. وقد بيَّنا استعمال العرب نظيرَ ذلك في كلامها بشواهده فيما مضى، بما أغنى عن إعادته في هذا الموضع. (27) ---------------- الهوامش : (25) كان في المطبوعة: "ألم يعلم هؤلاء القائلون...الزاعمون" ، وفي المخطوطة: "ألم يعلم هؤلاء القائلين... الزاعمين" ، فأثبت ما في المخطوطة ، وزدت"يعني" بين قوسين ، فإني أرجح أنها سقطت من الناسخ. (26) انظر تفسير ألفاظ هذه الآية فيما سلف من نظائرها ، في فهارس اللغة. (27) انظر ما سلف 2: 484- 488.