Tabari
Terug naar surah 47, ayah 18

Tafseer van Mohammed · Muhammad · 47:18

فَهَلْ يَنظُرُونَ إِلَّا ٱلسَّاعَةَ أَن تَأْتِيَهُم بَغْتَةًۭ ۖ فَقَدْ جَآءَ أَشْرَاطُهَا ۚ فَأَنَّىٰ لَهُمْ إِذَا جَآءَتْهُمْ ذِكْرَىٰهُمْ

Zij (de ongelovigen) wachten slechts op het Uur dat plotseling tot hen zal komen. Voorzeker, de Tekenen ervan zijn al gekomen. Hoe kunnen zij wanneer (het Uur) tot hen komt, dan nog hun vermaning krijgen?

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    En Zijn uitspraak ( فَهَلْ يَنْظُرُونَ إِلا السَّاعَةَ أَنْ تَأْتِيَهُمْ بَغْتَةً فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا — "Verwachten zij iets anders dan het Uur, dat het hen onverhoeds zal overvallen? Zijn voortekenen zijn immers al gekomen"): Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: verwachten dezen die de tekenen van Allah loochenen — onder de mensen van ongeloof en hypocrisie — iets anders dan het Uur waarop Allah Zijn schepselen beloofd heeft dat Hij hen daarin levend uit hun graven zal opwekken, dat het hen plotseling zal overvallen zonder dat zij de komst ervan bemerken? De betekenis is: verwachten zij iets anders dan het Uur, verwachten zij iets anders dan dat het hen onverhoeds zal overvallen? En ( أَنْ ) in Zijn uitspraak ( إِلا أَنْ ) staat in de accusatieve positie door verwijzing naar "het Uur". En de recitatie met de fatḥa op de alif van ( أَنْ تَأْتِيَهُمُ ) en de accusatief van ( تأتيهم ) erdoor is de recitatie van de mensen van Kūfa.

    Mij is overgeleverd op gezag van al-Farrāʾ, hij zei: Abū Jaʿfar al-Ruʾāsī heeft mij verteld, hij zei: ik zei tegen Abū ʿAmr ibn al-ʿAlāʾ: wat is deze fāʾ die in Zijn uitspraak ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ) staat? Hij zei: het antwoord op de voorwaarde. Hij zei: ik zei: het is toch "in taʾtihim" [als zij hen overvalt]? Hij zei: en hij zei: Allah behoede! Het is slechts "in taʾtihim". Al-Farrāʾ zei: ik vermoedde dat hij het van de mensen van Mekka had overgenomen, omdat hij [zo] reciteerde. Al-Farrāʾ zei: en het staat ook in sommige codices van de Kūfanen met één enkele jaar [d.w.z. één letter geschreven] als "taʾtihim", maar niemand van hen heeft het zo gereciteerd.

    En de uitleg van het woord volgens de recitatie van wie dit reciteert met een kasra op de alif van "in" en met jazm op "taʾtihim" is: verwachten zij iets anders dan het Uur? Daarbij wordt het bericht over de verwachting van deze ongelovigen aangaande het Uur als voltooid beschouwd bij Zijn uitspraak ( إِلا السَّاعَةَ ), en daarna begint men opnieuw met het woord, zodat gezegd wordt: als het Uur hen onverhoeds overvalt, dan zijn de voortekenen ervan immers al gekomen. Zo wordt de fāʾ van Zijn uitspraak ( فَقَدْ جَاءَ ) het antwoord op de voorwaarde.

    En Zijn uitspraak ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا — "Zijn voortekenen zijn immers al gekomen"). Hij zegt: tot deze ongelovigen in Allah zijn het Uur en de aanwijzingen en voorboden ervan immers al gekomen. Het enkelvoud van "al-ashrāṭ" is "sharaṭ", zoals Jarīr zei:

    "Je ziet het uitschot der geiten als de bruidsgelden van hun vrouwen, en in het uitschot der geiten hebben zij bruidsgelden." (2)

    Er wordt ook overgeleverd: "tarā qazama al-miʿzā" [je ziet de nietigheden der geiten]. Hiervan zegt men: "ashraṭa fulānun nafsahu" — als hij zichzelf van een teken voorziet, zoals Aws ibn Ḥajar zei:

    "Zo gaf hij daarin zichzelf een teken, terwijl hij vasthield, en wierp zich op zijn middelen en stelde zijn vertrouwen [op Allah]." (3)

    En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, zeiden de mensen van de uitleg.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ), dat wil zeggen: de voortekenen van het Uur.

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, [aangaande] Zijn uitspraak ( فَهَلْ يَنْظُرُونَ إِلا السَّاعَةَ أَنْ تَأْتِيَهُمْ بَغْتَةً ): het Uur is reeds genaderd, en het einde van [de levensduur der] dienaren bij Allah is reeds genaderd.

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, aangaande Zijn uitspraak ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ), hij zei: de voortekenen ervan zijn de tekenen ervan.

    En Zijn uitspraak ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ — "Maar hoe kan, wanneer het hen overkomt, hun vermaning hun nog baten?"): Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: van welke kant zou er voor dezen die de tekenen van Allah loochenen nog gedachtenis [van nut] zijn aan datgene wat zij verloren en verwaarloosd hebben van de gehoorzaamheid aan Allah, wanneer het Uur hen overvalt? Hij zegt: dat is geen tijdstip waarop herinnering en spijt hun baten, want het is een tijdstip van vergelding, geen tijdstip om vergiffenis te zoeken of [berouw] te tonen.

    En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, zeiden de mensen van de uitleg.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, [aangaande] Zijn uitspraak ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ), hij zegt: wanneer het Uur hen overvalt, hoe zouden zij zich dan nog kunnen herinneren en inzien en verstandig worden?

    Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ), hij zei: hoe zouden zij zich nog kunnen herinneren of berouw tonen wanneer het Uur hen overvalt?

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, aangaande Zijn uitspraak ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ), hij zei: [bij] het Uur baat hun gedachtenis hen niet bij het Uur. En "al-dhikrā" staat in de nominatieve positie door Zijn uitspraak ( فَأَنَّى لَهُمْ ), want de uitleg van het woord is: van welke kant zou hun gedachtenis hun nog baten wanneer het Uur hen overvalt?

    ------------------------

    Voetnoten:

    (2) Het vers is van Jarīr ibn al-Khaṭafā, de islamitische dichter (Dīwān, 226), en in zijn overlevering staat: "wa-fī qazami l-miʿzā lahunna muhūru". Het behoort tot de getuige-verzen van Abū ʿUbayda in Majāz al-Qurʾān (folio 223); hij zei bij Zijn verheven uitspraak "fa-qad jāʾa ashrāṭuhā": de tekenen ervan. En de "sharaṭ" is, naar het ons voorkomt, slechts zo genoemd omdat zij zichzelf [van een teken] voorzagen. En de "ashrāṭ" van het bezit zijn de kleintjes en de slechtste van het kleinvee. En Jarīr zei: "tarā sharaṭa ... [het vers]". En in (al-Lisān: sharṭ): en de "sharaṭ" (met de beweging [fatḥa]) is het minderwaardige; het enkelvoud en het meervoud en het mannelijke en het vrouwelijke zijn daarin gelijk. Jarīr zei:

    "Uit de geiten worden de bruidsgelden van hun vrouwen aangedragen, en uit het uitschot der geiten hebben zij bruidsgelden."

    En "sharaṭ al-nās" is hun uitschot.

    (3) Het vers is van Aws ibn Ḥajar (al-Lisān: sharṭ). Al-Aṣmaʿī zei: de "ashrāṭ" van het Uur zijn de tekenen ervan. Hij zei: en daarvan is afgeleid de "ishtirāṭ" die de mensen onderling met elkaar overeenkomen, dat wil zeggen: het zijn tekenen die zij onder elkaar vaststellen. Daarom werden de "shuraṭ" [politiemannen/wachters] zo genoemd, omdat zij voor zichzelf een teken hebben aangebracht waaraan zij herkend worden. En al-Khaṭṭābī verhaalde van iemand van de taalgeleerden dat hij deze uitleg verwierp en zei: de "ashrāṭ" van het Uur zijn de geringe zaken die de mensen verafschuwen, voordat het Uur aanbreekt. En "shuraṭ al-sulṭān" zijn de keurtroepen van zijn metgezellen die hij boven de overige soldaten stelt. En de uitspraak van Aws ibn Ḥajar "fa-ashraṭa fīhā ... [het vers]" betekent: hij maakte zichzelf tot een merkteken voor deze aangelegenheid.

    Toon originele Arabische tekst
    وقوله ( فَهَلْ يَنْظُرُونَ إِلا السَّاعَةَ أَنْ تَأْتِيَهُمْ بَغْتَةً فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ) يقول تعالى ذكره: فهل ينظر هؤلاء المكذّبون بآيات الله من أهل الكفر والنفاق إلا الساعة التي وعد الله خلقه بعثهم فيها من قبورهم أحياء, أن تجيئهم فجأة لا يشعرون بمجيئها. والمعنى: هل ينظرون إلا الساعة, هل ينظرون إلا أن تأتيهم بغتة. و ( أَنْ ) من قوله ( إِلا أَنْ ) في موضع نصب بالردّ على الساعة, وعلى فتح الألف من ( أَنْ تَأْتِيَهُمُ ) ونصب ( تأتيهم ) بها قراءة أهل الكوفة. وقد حُدثت عن الفرّاء, قال: حدثني أبو جعفر الرُّؤاسيّ, قال: قلت لأبي عمرو بن العلاء: ما هذه الفاء التي في قوله ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ) قال: جواب الجزاء, قال: قلت: إنها إن تأتيهم, قال: فقال: معاذ الله, إنما هي " إنْ تَأْتِهِمْ "; قال الفرّاء: فظننت أنه أخذها عن أهل مكة, لأنه قرأ, قال الفرّاء: وهي أيضا في بعض مصاحف الكوفيين بسنة واحدة " تَأْتِهِمْ" ولم يقرأ بها أحد منهم. وتأويل الكلام على قراءة من قرأ ذلك بكسر ألف " إن " وجزم " تأتهم " فهل ينظرون إلا الساعة؟ فيجعل الخبر عن انتظار هؤلاء الكفار الساعة متناهيا عند قوله ( إِلا السَّاعَةَ ) , ثم يُبْتدأ الكلام فيقال: إن تأتهم الساعة بغتة فقد جاء أشراطها, فتكون الفاء من قوله ( فَقَدْ جَاءَ ) بجواب الجزاء. وقوله ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ) يقول: فقد جاء هؤلاء الكافرين بالله الساعة وأدلتها ومقدماتها, وواحد الأشراط: شرط, كما قال جرير: تَـرَى شَـرَطَ المِعْـزَى مُهورَ نِسائِهم وفـي شُـرَطِ المِعْـزَى لهُـنَّ مُهُـورُ (2) ويُروَى: " ترى قَزَم المِعْزَى ", يقال منه: أشرط فلان نفسه: إذا علمها بعلامة, كما قال أوس بن حجر: فأَشْـرَطَ فيهـا نَفْسَـهُ وَهْـوَ مُعْصِـمٌ وألْقَــى بأسْــبابٍ لَــهُ وَتَــوَكَّلا (3) وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثني محمد بن سعد, قال: ثني أبي, قال: ثني عمي, قال: ثني أبي, عن أبيه, عن ابن عباس ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ) يعني: أشراط الساعة. حدثنا بشر, قال: ثنا يزيد, قال: ثنا سعيد, عن قتادة, قوله ( فَهَلْ يَنْظُرُونَ إِلا السَّاعَةَ أَنْ تَأْتِيَهُمْ بَغْتَةً ) قد دنت الساعة ودنا من الله فراغ العباد. حدثني يونس, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال ابن زيد, في قوله ( فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا ) قال: أشراطها: آياتها. وقوله ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ) يقول تعالى ذكره: فمن أيّ وجه لهؤلاء المكذّبين بآيات الله ذكرى ما قد ضيَّعوا وفرّطوا فيه من طاعة الله إذا جاءتهم الساعة, يقول: ليس ذلك بوقت ينفعهم التذكر والندم, لأنه وقت مجازاة لا وقت استعتاب ولا استعمال. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثنا بشر, قال: ثنا يزيد, قال: ثنا سعيد, عن قتادة, قوله ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ) يقول: إذا جاءتهم الساعة أنى لهم أن يتذكروا ويعرفوا ويعقلوا؟. حدثنا محمد بن عبد الأعلى, قال: ثنا ابن ثور, عن معمر, عن قتادة ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ) قال: أنى لهم أن يتذكروا أو يتوبوا إذا جاءتهم الساعة. حدثني يونس, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال ابن زيد, في قوله ( فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ ) قال: الساعة, لا ينفعهم عند الساعة ذكراهم, والذكرى في موضع رفع بقوله ( فَأَنَّى لَهُمْ ) لأن تأويل الكلام: فأنى لهم ذكراهم إذا جاءتهم الساعة. ------------------------ الهوامش: (2) البيت لجرير بن الخطفي الشاعر الإسلامي ( ديوانه 226 ) وفي روايته : " وفي قزم المعزي لهن مهور " . وهو من شواهد أبي عبيدة في مجاز القرآن ( الورقة 223 ) قال عند قوله تعالى : " فقد جاء أشراطها " : أعلامها . وإنما سمي الشرط فيما نرى ، أنهم أعلموا أنفسهم . وأشراط المال صغار الغنم وشراره . وقال جرير : " ترى شرط ... البيت " . وفي ( اللسان : شرط) : والشرط ( بالتحريك ) : رذال الواحد والجمع والمذكر والمؤنث في ذلك سواء . قال جرير : تسـاق مـن المعـزى مهـور نسائهم ومـن شـرط المعـزى لهـن مهـور وشرط الناس : خشارتهم+ . (3) البيت لأوس بن حجر ( اللسان : شرط ) قال : الأصمعي : أشراط الساعة علاماتها . قال : ومنه الاشتراط الذي يشترط الناس بعضهم على بعض ، أي هي علامات يجعلونها بينهم . ولهذا سميت الشرط ، لأنهم جعلوا لأنفسهم علامة يعرفون بها . وحكى الخطابي عن بعض أهل اللغة أنه أنكر هذا التفسير وقال : أشراط الساعة : ما تنكره الناس من صغار أمورها ، قبل أن تقوم الساعة . وشرط السلطان : نخبة أصحابه الذين يقدمهم على غيرهم من جنده . وقول أوس بن حجر " فأشرط فيها ... البيت " أي جعل نفسه علمًا لهذا الأمر.