Tafseer van De Rook · Ad-Dukhaan · 44:53
Zij dragen kleding van fijne zijde en brokaat, (zij zijn) tegenover elkaar gezeten.
Zijn woord ( يَلْبَسُونَ مِنْ سُنْدُسٍ ) — "Zij dragen kleding van sundus". Hij zegt: deze godvrezenden dragen in deze tuinen kleding van sundus, en dat is het dunne fijne brokaat (dībāj), en van istabraq, en dat is het dikke, grove brokaat.
Zoals Bishr ons heeft verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, op gezag van ʿIkrima, over Zijn woord ( مِنْ سُنْدُسٍ وَإِسْتَبْرَقٍ ): hij zei: istabraq is het grove brokaat.
Er wordt gezegd: ( يَلْبَسُونَ مِنْ سُنْدُسٍ وَإِسْتَبْرَقٍ ) — "Zij dragen van sundus en istabraq" — en Hij heeft niet uitdrukkelijk het woord "kledij" (libās) gebruikt, omdat de bewoording van de zin op zichzelf reeds genoeg aanwijzing biedt voor de bedoelde betekenis.
Zijn woord ( مُتَقَابِلِينَ ) — "tegenover elkaar gezeten" — betekent dat zij in het paradijs (janna) met de gezichten naar elkaar toe gekeerd zijn, en dat de een niet naar de nek van de ander kijkt.
Wij hebben de overlevering daarover reeds eerder vermeld, en dat maakt herhaling ervan overbodig.