Tabari
Terug naar surah 44, ayah 49

Tafseer van De Rook · Ad-Dukhaan · 44:49

ذُقْ إِنَّكَ أَنتَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْكَرِيمُ

Proeft (deze bestraffing), voorwaar, jij bent de geweldige, de nobele. (Wordt er spottend tot de misdadiger gezegd.)

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: "Proef! Voorwaar, jij bent de machtige, de edele" (44:49)

    De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: er wordt tot deze zondige, ellendige gezegd: proef deze bestraffing (ʿadhāb) waarmee jij vandaag gekweld wordt ( voorwaar, jij bent de machtige ) onder je volk ( de edele ) bij hen.

    En er wordt vermeld dat deze verzen zijn neergedaald omtrent Abū Jahl ibn Hishām.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda "Giet vervolgens over zijn hoofd uit van de bestraffing van het kokende water" (44:48), het daalde neer omtrent de vijand van Allah, Abū Jahl, die de Profeet ﷺ tegenkwam, waarop deze hem greep en hem dooreenschudde, en vervolgens zei: "Wee jou, o Abū Jahl, dus wee! Nog eens wee jou, dus wee!" — proef, voorwaar jij bent de machtige, de edele. En dat was omdat hij gezegd had: zou Muḥammad mij dreigen? Bij Allah, ik ben machtiger dan wie maar tussen haar beide bergen wandelt. En omtrent hem daalde neer "En gehoorzaam niet een van hen, een zondaar of een ondankbare" (76:24), en omtrent hem daalde neer "Nee! Gehoorzaam hem niet, en werp je neder en nader" (96:19). En Qatāda zei: het daalde neer omtrent Abū Jahl en zijn metgezellen, die Allah, geprezen en verheven zij Hij, doodde op de dag van Badr: "Heb je niet gezien naar hen die de gunst van Allah inruilden voor ongeloof en hun volk in het verblijf van de ondergang deden belanden" (14:28).

    Ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, hij zei: het daalde neer omtrent Abū Jahl "Grijpt hem en sleurt hem mee" (44:47). Qatāda zei: Abū Jahl zei: tussen haar beide bergen is geen man machtiger en edeler dan ik, waarop Allah, machtig en verheven is Hij, zei: ( Proef! Voorwaar, jij bent de machtige, de edele ).

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over zijn woord "Grijpt hem en sleurt hem mee naar het midden van het Hellevuur" (44:47) hij zei: dit is omtrent Abū Jahl.

    Als nu iemand zou zeggen: en hoe kan gezegd worden, terwijl hij vernederd wordt met de bestraffing die Allah vermeld heeft, en versmaad wordt door het meeslepen naar het midden van het Hellevuur: "voorwaar, jij bent de machtige, de edele"? Dan wordt geantwoord: voorwaar, Zijn woord ( voorwaar, jij bent de machtige, de edele ) is geen toekenning van macht en eer aan hem door de spreker ervan, maar het is een verwijt van Hem aan hem met datgene waarmee hij zichzelf in het wereldse leven placht te beschrijven, en een berisping van hem daarmee bij wijze van aanhaling, want hij placht in het wereldse leven te zeggen: voorwaar, jij bent de machtige, de edele. Dus wordt tot hem gezegd in het hiernamaals, wanneer hij gekweld wordt met datgene waarmee hij gekweld wordt in het Vuur: proef vandaag deze vernedering, want jij placht te beweren dat jij de machtige, de edele bent, terwijl jij in werkelijkheid de vernederde, de versmade bent. Waar is dan datgene aan macht en eer dat jij placht te zeggen en te beweren? Waarom weer jij de bestraffing niet af met jouw macht?

    Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Ṣafwān ibn ʿĪsā heeft ons verteld; hij zei: Ibn ʿAjlān heeft ons verteld op gezag van Saʿīd al-Maqburī, op gezag van Abū Hurayra, hij zei: Kaʿb zei: Allah heeft drie gewaden: Hij heeft Zich met de macht omgord, Zich met de barmhartigheid bekleed, en de hoogmoed als opperkleed aangetrokken, verheven zij Zijn lof. Wie zich dus machtig waant met iets anders dan datgene waarmee Allah hem macht gegeven heeft, dat is degene tot wie gezegd wordt: proef, voorwaar jij bent de machtige, de edele. En wie de mensen barmhartigheid betoont, dat is degene die Allah Zijn gewaad heeft aangetrokken dat hem toekomt. En wie zich hoogmoedig gedraagt, dat is degene die met Allah Zijn opperkleed betwist heeft. Voorwaar, Allah, verheven zij Zijn lof, zegt: "Het past niet dat Ik wie Mijn opperkleed met Mij betwist het paradijs binnenlaat", machtig en verheven is Hij.

    En de reciteurs van de steden zijn het er allen over eens dat de alif in Zijn woord ( proef, voorwaar (innaka) jij ) met kasra wordt gelezen, bij wijze van een nieuw begin, en als aanhaling van het woord van deze spreker: voorwaar, ik ben de machtige, de edele. En sommige latere reciteurs lazen dat ( proef, dat (annaka) jij ) met fatḥa op de alif, waarbij Zijn woord ( proef ) inwerkt op Zijn woord ( annaka ), alsof de betekenis van de uitspraak bij hem is: proef deze uitspraak die jij in het wereldse leven gezegd hebt.

    En het juiste van de recitatie hierin is volgens ons de kasra van de alif in ( innaka ), volgens de betekenis die ik voor degene die het zo leest vermeld heb, vanwege de eensgezindheid van het gezaghebbende bewijs van de reciteurs daarop, en de afwijkendheid van wat daarmee in strijd is. En als bewijs voor de onjuistheid van de daarmee strijdige recitatie volstaat datgene waarop de leidende geleerden van de vroegeren en de lateren voortgegaan zijn, samen met haar verwijderdheid van de juistheid in betekenis en haar afwijking van de uitleg van de mensen van de uitleg.

    ------------------------

    De voetnoten:

    (2) Hij vermeldde de tweede niet, namelijk de ḍamma op de tāʾ, waarmee eveneens gereciteerd is, en wellicht zag hij daarvan af vanwege wat hij in de regel daarna vermeldde.

    (3) Zijn woord "en de afwijkendheid van wat daarmee in strijd is" — dit is onjuist, want de imam al-Kisāʾī las met fatḥa op de hamza, en dat is een gevestigde (sabʿiyya), veelvuldig overgeleverde en welbekende recitatie, en niet afwijkend.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : ذُقْ إِنَّكَ أَنْتَ الْعَزِيزُ الْكَرِيمُ (49) يقول تعالى ذكره: يقال لهذا الأثيم الشقيّ : ذق هذا العذاب الذي تعذّب به اليوم ( إِنَّكَ أَنْتَ الْعَزِيزُ ) في قومك ( الكَرِيمُ ) عليهم. وذُكر أن هذه الآيات نـزلت في أبي جهل بن هشام. * ذكر من قال ذلك: حدثنا بشر, قال: ثنا يزيد, قال: ثنا سعيد, عن قتادة ثُمَّ صُبُّوا فَوْقَ رَأْسِهِ مِنْ عَذَابِ الْحَمِيمِ نـزلت في عدوّ الله أبي جهل لقي النبيّ صلى الله عليه وسلم, فأخذه فهزه, ثم قال: أولى لك يا أبا جهل فأولى, ثم أولى لك فأولى, ذق إنك أنت العزيز الكريم, وذلك أنه قال: أيوعدني محمد, والله لأنا أعزّ من مشى بين جبليها. وفيه نـزلت وَلا تُطِعْ مِنْهُمْ آثِمًا أَوْ كَفُورًا وفيه نـزلت كَلا لا تُطِعْهُ وَاسْجُدْ وَاقْتَرِبْ وقال قتادة: نـزلت في أبي جهل وأصحابه الذين قتل الله تبارك وتعالى يوم بدر أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ بَدَّلُوا نِعْمَةَ اللَّهِ كُفْرًا وَأَحَلُّوا قَوْمَهُمْ دَارَ الْبَوَارِ . حدثنا ابن عبد الأعلى, قال: ثنا ابن ثور, عن معمر, عن قتادة, قال: نـزلت في أبي جهل خُذُوهُ فَاعْتِلُوهُ قال قتادة, قال أبو جهل: ما بين جبليها رجل أعزّ ولا أكرم مني, فقال الله عزّ وجلّ: ( ذُقْ إِنَّكَ أَنْتَ الْعَزِيزُ الْكَرِيمُ ) . حدثني يونس, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال ابن زيد, في قوله خُذُوهُ فَاعْتِلُوهُ إِلَى سَوَاءِ الْجَحِيمِ قال: هذا لأبي جهل. فإن قال قائل: وكيف قيل وهو يهان بالعذاب الذي ذكره الله, ويذلّ بالعتل إلى سواء الجحيم: إنك أنت العزيز الكريم؟ قيل: إن قوله ( إِنَّكَ أَنْتَ الْعَزِيزُ الْكَرِيمُ ) غير وصف من قائل ذلك له بالعزّة والكرم, ولكنه تقريع منه له بما كان يصف به نفسه في الدنيا, وتوبيخ له بذلك على وجه الحكاية, لأنه كان في الدنيا يقول: إنك أنت العزيز الكريم, فقيل له في الآخرة, إذ عذّب بما عُذّب به في النار: ذُق هذا الهوان اليوم, فإنك كنت تزعم إنك أنت العزيز الكريم, وإنك أنت الذليل المهين, فأين الذي كنت تقول وتدّعي من العزّ والكرم, هلا تمتنع من العذاب بعزّتك. حدثنا ابن بشار, قال: ثنا صفوان بن عيسى; قال ثنا ابن عجلان عن سعيد المقبري, عن أبي هريرة قال: قال كعب: لله ثلاثة أثواب: اتَّزر بالعزّ, وتَسَربل الرحمة, وارتدى الكبرياء تعالى ذكره, فمن تعزّز بغير ما أعزّه الله فذاك الذي يقال: ذق إنك أنت العزيز الكريم, ومن رحم الناس فذاك الذي سربل الله سرباله الذي ينبغي له ومن تكبر فذاك الذي نازع الله رداءه إن الله تعالى ذكره يقول: " لا ينبغي لمن نازعني ردائي أن أدخله الجنة " جلّ وعزّ. وأجمعت قرّاء الأمصار جميعا على كسر الألف من قوله: ( ذُقْ إنَّكَ ) على وجه الابتداء. وحكاية قول هذا القائل: إني أنا العزيز الكريم. وقرأ ذلك بعض المتأخرين ( ذُقْ أَنَّكَ ) بفتح الألف على إعمال قوله (ذُقْ) في قوله: (أنَّكَ) كأنك معنى الكلام عنده: ذق هذا القول الذي قلته في الدنيا. والصواب من القراءة في ذلك عندنا كسر الألف من (إنَّكَ) على المعنى الذي ذكرت لقارئه, لإجماع الحجة من القرّاء عليه, وشذوذ ما خالفه, (3) وكفى دليلا على خطأ قراءة خلافها, ما مضت عليه الأئمة من المتقدمين والمتأخرين, مع بُعدها من الصحة في المعنى وفراقها تأويل أهل التأويل. ------------------------ الهوامش: (2) لم يذكر الثانية ، وهي ضم التاء ، وبها قرئ ، ولعله اكتفى عن ذلك ؛ بما ذكره في السطر الذي بعده. (3) قوله وشذوذ ما خالفه ، هذا غير صحيح لأن الإمام الكسائي قرأ بفتح الهمز ، وهي قراءة سبعية متواترة مشهورة وليست شاذة