Tafseer van De Versieringen · Az-Zukhruf · 43:71
Er zal tussen hen worden rondgegaan met schalen van goud en bekers. Daarin is wat de zielen verlangen, en de verrukking van de ogen. En jullie zullen er eeuwig levenden zijn.
De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: يُطَافُ عَلَيْهِمْ بِصِحَافٍ مِنْ ذَهَبٍ وَأَكْوَابٍ وَفِيهَا مَا تَشْتَهِيهِ الأَنْفُسُ وَتَلَذُّ الأَعْيُنُ وَأَنْتُمْ فِيهَا خَالِدُونَ (71) ("Bij hen worden schotels van goud en bekers rondgedragen, en daarin is wat de zielen begeren en wat de ogen behaagt, en jullie zullen daarin eeuwig verblijven" (43:71)).
Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: Bij dezen die in het wereldse leven in Zijn tekenen geloofden, wanneer zij in het Hiernamaals het paradijs (janna) binnentreden, worden schotels van goud rondgedragen. Dit (ṣiḥāf) is het meervoud, voor een grote hoeveelheid, van ṣaḥfa; en de ṣaḥfa is de schaal (qaṣʿa).
En overeenkomstig hetgeen wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers (ahl al-taʾwīl) gesproken.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
Muḥammad heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: يُطَافُ عَلَيْهِمْ بِصِحَافٍ مِنْ ذَهَبٍ ("Bij hen worden schotels van goud rondgedragen"), hij zei: De schalen (al-qiṣāʿ).
Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yamān heeft ons verteld, op gezag van Ashʿath ibn Isḥāq, op gezag van Jaʿfar, op gezag van Shuʿba, hij zei: "Voorwaar, de laagste in rang van de bewoners van het paradijs is iemand die een paleis heeft waarin zeventigduizend bedienden zijn, in de hand van elke bediende een schotel naast wat in de hand van zijn metgezel is; als hij zijn deur zou openen en de bewoners van de wereld bij hem zouden binnentreden als gasten, zou hij plaats voor hen allen hebben."
Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Yaʿqūb al-Qummī heeft ons verteld, Jaʿfar, op gezag van Saʿīd, hij zei: "Voorwaar, de geringste in woonplaats van de bewoners van het paradijs is iemand die zeventigduizend bedienden heeft, bij elke bediende een schotel van goud; als alle bewoners van de aarde bij hem zouden neerstrijken, zou hij plaats voor hen allen hebben, zonder daarbij hulp van iets anders nodig te hebben. En dat is in het woord van Allah, gezegend en verheven is Hij: لَهُمْ مَا يَشَاءُونَ فِيهَا وَلَدَيْنَا مَزِيدٌ ('Zij hebben daarin wat zij wensen, en bij Ons is nog meer'), en voor hen is وَفِيهَا مَا تَشْتَهِيهِ الأَنْفُسُ وَتَلَذُّ الأَعْيُنُ ('en daarin is wat de zielen begeren en wat de ogen behaagt')."
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, op gezag van Abū Ayyūb al-Azdī, op gezag van ʿAbdallāh ibn ʿAmr, hij zei: "Er is niemand van de bewoners van het paradijs of er werken duizend jongelingen voor hem, elke jongeling met een taak die zijn metgezel niet heeft."
En Zijn woord: وَأَكْوَابٍ ("en bekers"). Dit (akwāb) is het meervoud van kūb; en de kūb is de kruik met een ronde bovenkant, die geen oor heeft en geen tuit. Daarop doelde al-Aʿshā met zijn woord:
Ṣarīfiyya, aangenaam is haar smaak, zij heeft schuim tussen beker (kūb) en wijnvat (dann).
En overeenkomstig hetgeen wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers gesproken.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
Muḥammad heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: وَأَكْوَابٍ ("en bekers"), hij zei: De bekers die geen oren hebben.
En de betekenis van het woord is: Bij hen wordt daarin het voedsel rondgedragen in schotels van goud, en de drank in bekers van goud. Hij volstond met het noemen van de schotels en de bekers in plaats van het noemen van het voedsel en de drank dat zich daarin bevindt, vanwege de kennis van de hoorders omtrent de betekenis ervan. وَفِيهَا مَا تَشْتَهِي الأنْفُسُ وَتَلَذُّ الأعْيُنُ ("en daarin is wat de zielen begeren en wat de ogen behaagt"). Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: Voor jullie is in het paradijs wat jullie zielen begeren, o gelovigen, en wat jullie ogen behaagt. وَأَنْتُمْ فِيهَا خَالِدُونَ ("en jullie zullen daarin eeuwig verblijven"). Hij zegt: En jullie zullen daarin verblijven, jullie zullen er nooit uit weggaan.
Zoals Bishr ons heeft verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿAlqama ibn Marthad, op gezag van Ibn Sābiṭ, dat een man zei: O Boodschapper van Allah, ik houd van paarden, zijn er paarden in het paradijs? Hij zei: "Indien Hij jou het paradijs binnenleidt, indien Hij wil, dan zul je geen verlangen hebben om op een paard van rode robijn te rijden dat met jou vliegt in welk deel van het paradijs je ook wilt, of het doet het." Toen zei een bedoeïen: O Boodschapper van Allah, ik houd van kamelen, zijn er kamelen in het paradijs? Hij zei: "O bedoeïen, indien Allah jou het paradijs binnenleidt, indien Allah wil, dan is daarin wat jouw ziel begeert en wat jouw ogen behaagt."
Al-Ḥasan ibn ʿArafa heeft ons verteld, hij zei: ʿUmar ibn ʿAbd al-Raḥmān al-Abbār heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Saʿd al-Anṣārī, op gezag van Abū Ẓabya al-Salafī, hij zei: Voorwaar, de groep van de bewoners van het paradijs wordt door een wolk beschaduwd, hij zei: en zij zegt: Waarmee zal ik over jullie laten regenen? Hij zei: en niemand van het volk vraagt om iets, of zij laat het over hen regenen, totdat de spreker onder hen zegt: Laat over ons gelijkvolle, ronde maagden regenen.
Ibn ʿArafa heeft ons verteld, hij zei: Marwān ibn Muʿāwiya heeft ons verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī al-Walīd, hij zei: Aan Mujāhid werd gevraagd: Is er in het paradijs muziek? Hij zei: Voorwaar, daarin is een boom die al-ʿĪṣ genoemd wordt, die een klank heeft waarvan de hoorders nooit het gelijke gehoord hebben.
Mūsā ibn ʿAbd al-Raḥmān heeft mij verteld, hij zei: Zayd ibn Ḥubāb heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft ons bericht, hij zei: Sulaymān ibn ʿĀmir heeft mij verteld, hij zei: Ik hoorde Abū Umāma zeggen: "Voorwaar, de man van de bewoners van het paradijs begeert de vogel terwijl die vliegt, en die valt opengespleten en gaar in zijn handpalm, en hij eet ervan totdat zijn ziel verzadigd is; daarna vliegt die weg. En hij begeert de drank, en de kruik valt in zijn hand, en hij drinkt ervan wat hij wil; daarna keert die terug naar zijn plaats."
En de reciteurs (al-qurrāʾ) verschilden over de recitatie van Zijn woord: وَفِيهَا مَا تَشْتَهِيهِ الأنْفُسُ ("en daarin is wat de zielen begeren"). De meeste reciteurs van Medina en Syrië lazen het: مَا تَشْتَهِيهِ met toevoeging van een hāʾ, en zo staat het ook in hun afschriften (maṣāḥif). En de meeste reciteurs van Irak lazen dat: تَشْتَهِي zonder hāʾ, en zo staat het ook in hun afschriften.
En het juiste hierover is dat het twee bekende recitaties zijn met één en dezelfde betekenis; met welke van de twee de reciteur ook reciteert, hij heeft het juiste getroffen.
------------------------
Voetnoten:
(3) Het vers is van al-Aʿshā ibn Qays van Banū Thaʿlaba (zijn dīwān, gedrukt te Caïro, p. 17). Ṣarīfiyya is toegeschreven aan Ṣarīfūn, een plaats in Irak die bekend is om de voortreffelijkheid van haar wijn. Er is ook gezegd dat het is toegeschreven aan al-ṣarīf, namelijk de melk op het moment dat zij gemolken wordt; hij noemde haar ṣarīfiyya omdat zij op dat ogenblik uit het wijnvat genomen werd, alsof zij genomen werd voordat zij gemengd werd. En het schuim (al-zabad) is wat er bij het bewegen, van het wijnvat naar de beker, aan belletjes bovenop verschijnt. En de kūb is de kan die geen handvat heeft, of het is de kan met ronde bovenkant die geen oor heeft.
(4) Een bekende, veelvuldig overgeleverde (mutawātir) recitatie met weglating van de hāʾ.