Tafseer van De Vrouwen · An-Nisaa · 4:70
Dat is de gunst van Allah en het is voldoende dat Allah Alwetend is.
En wat betreft Zijn uitspraak: "Dat is de gunst van Allah (dhālika l-faḍlu mina llāh)", Hij zegt: Het feit dat wie Allah en de Boodschapper gehoorzaamt tezamen is met degenen aan wie Allah gunsten heeft geschonken — de profeten, de waarachtigen, de martelaren en de oprechten — = "de gunst is van Allah", Hij zegt: Dat is Allahs gave aan hen en Zijn gunst over hen, niet omdat zij dat verdiend hadden door iets voorafgaands dat hun was vooruitgegaan.
Indien iemand zou zeggen: Is het dan niet zo dat zij door gehoorzaamheid bereikt hebben wat zij van Zijn gunst bereikt hebben?
Hem wordt geantwoord: Zij gehoorzaamden Hem in deze wereld slechts door Zijn gunst waarmee Hij hen begunstigde, waardoor Hij hen leidde tot Zijn gehoorzaamheid. Dus dat alles is een gunst van Hem, verheven is Zijn vermelding.
En Zijn uitspraak: "En Allah volstaat als Alwetende (wa-kafā bi-llāhi ʿalīman)", Hij zegt: En de dienaren hebben aan Allah, die hen geschapen heeft, genoeg = als "Alwetende" over de gehoorzaamheid van de gehoorzame onder hen en de ongehoorzaamheid van de ongehoorzame. Want niets daarvan blijft voor Hem verborgen, maar Hij houdt het voor hen bij en bewaart het, totdat Hij hen allen vergeldt: het vergelden van de weldoeners onder hen met het goede, en van de kwaaddoeners onder hen met het kwade, en Hij scheldt kwijt wie Hij wil van de mensen van de eenheid van Allah (tawḥīd).