Tafseer van De Vrouwen · An-Nisaa · 4:160
En vanwege het onrecht van de Joden, hebben Wij voor hen (bepaalde) goede toegestane (soorten voedsel) verboden en vanwege hun veelvuldig afhouden van de Weg van Allah.
De uitleg van Zijn woord: Vanwege onrecht van degenen die jodendom aanhingen, hebben Wij hun goede dingen verboden die hun toegestaan waren, en vanwege hun veelvuldig afhouden van de weg van Allah (160)
Abū Jaʿfar zei: Daarmee bedoelt Hij — verheven zij Zijn lof —: Wij hebben de joden, die hun verbond verbraken dat zij met hun Heer waren aangegaan, en die ongelovig werden aan de tekenen van Allah, en die hun profeten doodden, en de laster uitspraken over Maryam, en deden wat Allah van hen in Zijn Boek heeft beschreven — Wij hebben hun goede dingen verboden van spijzen en anderszins die hun toegestaan waren, als bestraffing voor hen vanwege hun onrecht waarover Allah in Zijn Boek over hen heeft bericht, zoals:
10833 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "Vanwege onrecht van degenen die jodendom aanhingen, hebben Wij hun goede dingen verboden die hun toegestaan waren" — het vers. Het volk werd bestraft vanwege het onrecht dat zij begingen en de overtreding die zij pleegden; hun werden dingen verboden vanwege hun overtreding en hun onrecht.
* * *
En Zijn woord: "en vanwege hun veelvuldig afhouden van de weg van Allah" betekent: en vanwege hun afhouden van de dienaren van Allah van Zijn godsdienst en Zijn wegen die Hij voor Zijn dienaren heeft voorgeschreven, een veelvuldig afhouden. En hun afhouden van de weg van Allah bestond hierin: hun uitspreken van valsheid over Allah, hun bewering dat zulks van Allah afkomstig was, hun vervalsing van het Boek van Allah, en hun verdraaien van de betekenissen ervan weg van hun [juiste] strekkingen. En tot het ernstigste daarvan behoorde: hun loochening van het profeetschap van onze profeet Muḥammad ﷺ, en hun nalaten om de uiteenzetting van wat zij van zijn zaak reeds wisten, te geven aan wie van de mensen onbekend was met zijn zaak.
* * *
En overeenkomstig dat placht Mujāhid te zeggen:
10834 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft mij verteld, hij zei: ʿĪsā heeft mij verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, [aangaande] het woord van Allah: "en vanwege hun veelvuldig afhouden van de weg van Allah", hij zei: zichzelf en anderen [hielden zij af] van de waarheid.
10835 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, hetzelfde.