Tabari
Terug naar surah 4, ayah 141

Tafseer van De Vrouwen · An-Nisaa · 4:141

ٱلَّذِينَ يَتَرَبَّصُونَ بِكُمْ فَإِن كَانَ لَكُمْ فَتْحٌۭ مِّنَ ٱللَّهِ قَالُوٓا۟ أَلَمْ نَكُن مَّعَكُمْ وَإِن كَانَ لِلْكَٰفِرِينَ نَصِيبٌۭ قَالُوٓا۟ أَلَمْ نَسْتَحْوِذْ عَلَيْكُمْ وَنَمْنَعْكُم مِّنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ ۚ فَٱللَّهُ يَحْكُمُ بَيْنَكُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ ۗ وَلَن يَجْعَلَ ٱللَّهُ لِلْكَٰفِرِينَ عَلَى ٱلْمُؤْمِنِينَ سَبِيلًا

(Zij zijn) degenen die een afwachtende houding tegenover jullie aannemen on, als jullie een overwinning van Allah ten deel valt, zeggen: "Wij waren toch met jullie?" Maar als die de ongelovigen ten deel valt, zeggen zij: "Hebben wij jullie niet geholpen en hebben wij de gelovigen niet van jullie afgehouden?"' Dan Allah zal onder hen recht spreken op de Dag der Opstanding. En Allah zal nooit aan de ongelovigen een weg tegen de gelovigen geven.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van Zijn woord: الَّذِينَ يَتَرَبَّصُونَ بِكُمْ فَإِنْ كَانَ لَكُمْ فَتْحٌ مِنَ اللَّهِ قَالُوا أَلَمْ نَكُنْ مَعَكُمْ وَإِنْ كَانَ لِلْكَافِرِينَ نَصِيبٌ قَالُوا أَلَمْ نَسْتَحْوِذْ عَلَيْكُمْ وَنَمْنَعْكُمْ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ فَاللَّهُ يَحْكُمُ بَيْنَكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَلَنْ يَجْعَلَ اللَّهُ لِلْكَافِرِينَ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ سَبِيلا (4:141) (Zij die op u loeren: indien u een overwinning van Allah ten deel valt, zeggen zij: "Waren wij niet met u?" En indien de ongelovigen een aandeel ten deel valt, zeggen zij: "Hebben wij geen overmacht over u gekregen en u tegen de gelovigen beschermd?" Welnu, Allah zal op de Dag der Opstanding tussen u oordelen, en Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen.)

    Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt met Zijn woord "Zij die op u loeren" degenen die afwachten, o gelovigen, wat u zal overkomen. "Indien u een overwinning van Allah ten deel valt" betekent: indien Allah u een overwinning op uw vijand schenkt en u een deel van de oorlogsbuit toekent, dan "zeggen zij" tot u: "Waren wij niet met u" om uw vijand te bestrijden (jihād) en hem samen met u te beoorlogen? Geef ons dan een aandeel in de buit (ghanīmah), want wij hebben de strijd (qitāl) samen met u bijgewoond. "En indien de ongelovigen een aandeel ten deel valt" betekent: en indien uw vijanden onder de ongelovigen (kāfir) een aandeel ten koste van u krijgen, doordat zij u treffen, "zeggen zij" — dat wil zeggen: dan zeggen deze hypocrieten (munāfiq) tot de ongelovigen — "Hebben wij geen overmacht over u gekregen": hebben wij u niet overheerst, totdat u de gelovigen hebt overwonnen, "en u tegen hen beschermd" door onze ontmoediging van hen, totdat zij zich van u onthielden en zich terugtrokken? "Welnu, Allah zal op de Dag der Opstanding tussen u oordelen" betekent: Allah zal op de Dag der Opstanding tussen de gelovigen en de hypocrieten oordelen, en Hij zal tussen u beslissen met het scheidende oordeel, door de mensen van het geloof Zijn paradijs (janna) binnen te laten gaan, en de mensen van de hypocrisie (nifāq) samen met hun bondgenoten onder de ongelovigen Zijn Vuur. "En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen" betekent: een bewijsgrond op de Dag der Opstanding.

    Dat is een belofte van Allah aan de gelovigen dat Hij de hypocrieten niet hun verblijfplaats in het paradijs zal laten betreden, noch de gelovigen de verblijfplaats van de hypocrieten, zodat de ongelovigen daardoor een bewijsgrond tegen de gelovigen zouden hebben door tot hen te zeggen, indien zij hun verblijfplaats zouden binnengaan: "Zie, in het wereldse leven waart gij onze vijanden, en de hypocrieten waren onze bondgenoten, en nu zijt gij tezamen in het Vuur verzameld; Hij heeft u dus met onze bondgenoten samengebracht! Waar zijn dan zij om wier wille gij beweerdet ons in het wereldse leven te bestrijden?" Dat is dus "de weg" waarvan Allah de gelovigen heeft beloofd dat Hij die niet tegen hen aan de ongelovigen zou verschaffen.

    * * *

    En in overeenstemming met wat wij hierover hebben gezegd, spraken ook de mensen van de uitleg (taʾwīl).

    *Vermelding van wie dat zei:

    10711- Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, over Zijn woord "Indien u een overwinning van Allah ten deel valt". Hij zei: De hypocrieten loeren op de moslims; "Indien u een overwinning ten deel valt" — hij zei: indien de moslims van hun vijand buit verkrijgen, zeggen de hypocrieten: "Waren wij niet met u?" — wij waren toch met u, geeft ons dus buit gelijk aan wat gij neemt. "En indien de ongelovigen een aandeel ten deel valt" — dat zij ten koste van de moslims behalen — zeggen de hypocrieten tot de ongelovigen: "Hebben wij geen overmacht over u gekregen en u tegen de gelovigen beschermd?" — wij hielden hen toch van u terug.

    * * *

    De mensen van de uitleg verschilden van mening over de uitleg van Zijn woord "Hebben wij geen overmacht over u gekregen".

    Sommigen van hen zeiden: de betekenis daarvan is: hebben wij u niet overwonnen.

    *Vermelding van wie dat zei:

    10712- Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn woord "Hebben wij geen overmacht over u gekregen". Hij zei: wij overwonnen u.

    * * *

    Anderen zeiden: de betekenis daarvan is: hebben wij u niet duidelijk gemaakt dat wij met u zijn in datgene waarop gij zijt.

    *Vermelding van wie dat zei:

    10713- Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: "Hebben wij geen overmacht over u gekregen" — hebben wij u niet duidelijk gemaakt dat wij met u zijn in datgene waarop gij zijt.

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: Deze twee opvattingen liggen in betekenis dicht bij elkaar. Want wie het uitlegt in de zin van "hebben wij u niet duidelijk gemaakt", die bedoelt slechts — indien Allah het wil —: hebben wij u niet overwonnen door datgene wat van ons uitging aan duidelijkmaking aan u dat wij met u zijn.

    * * *

    De grondbetekenis van "al-istiḥwādh" in de taal van de Arabieren is, naar wat ons heeft bereikt, de overheersing. Daartoe behoort het woord van Allah, verheven is Zijn lof: اسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ الشَّيْطَانُ فَأَنْسَاهُمْ ذِكْرَ اللَّهِ [soera al-Mujādalah: 19] (de satan heeft overmacht over hen gekregen en heeft hen de gedachtenis van Allah doen vergeten), in de betekenis van: hij heeft hen overheerst. Hiervan zegt men: "ḥādha ʿalayhi wa-istaḥādha, yaḥīdhu wa-yastaḥīdhu, wa-aḥādha yaḥīdhu". En tot de taalvorm van wie "ḥādha" zegt, behoort het woord van al-ʿAjjāj in de beschrijving van een stier en een hond:

    Hij drijft ze voort en heeft over hen drijfkracht (ḥūdhī)

    En sommigen hebben voorgedragen:

    Hij drijft ze voort en heeft over hen drijfkracht (ḥūzī)

    En deze twee liggen in betekenis dicht bij elkaar. En tot de taalvorm van wie "aḥādha" zegt, behoort het woord van Labīd in de beschrijving van een wilde ezel en zijn ezelinnen:

    Wanneer zij zich verzamelden, en hij beide zijden van haar overheerste

    En hij haar dreef op kromme, lange [poten]

    Met zijn woord "en hij beide zijden van haar overheerste" bedoelt hij: hij overweldigde en bedwong haar, totdat hij beide zijden van haar omsloot, zodat niets van haar zich verstrooide.

    Naar analogie zou Zijn woord اسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ الشَّيْطَانُ eigenlijk "istaḥādha ʿalayhim" moeten luiden, want wanneer de "wāw" de middelste radicaal van het werkwoord is en met een fatḥa beweeglijk is terwijl wat eraan voorafgaat stil is, dan plaatsen de Arabieren haar beweging in de eerste radicaal van het werkwoord daarvóór, en veranderen haar in een "alif", de beweging van wat eraan voorafgaat volgend, zoals zij zeggen: "istaḥāla dit ding van wat het was" (van "ḥāla yaḥūlu"), en "istanāra zus-en-zo door het licht van Allah" (van "al-nūr"), en "istaʿādha bi-llāh" (van "ʿādha yaʿūdhu"). En soms laten zij het op zijn grondvorm staan, zoals Labīd zei: "aḥwadha", en niet "aḥādha" zei. En in deze taalvorm is de Koran gekomen in Zijn woord اسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ الشَّيْطَانُ .

    * * *

    Wat betreft Zijn woord "Welnu, Allah zal op de Dag der Opstanding tussen u oordelen, en Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen": er bestaat geen onenigheid onder hen dat de betekenis daarvan is: en Allah zal de ongelovigen op die dag nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen.

    Vermelding van het bericht over wie dat zei:

    10714- Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Dharr, op gezag van Yusayʿ al-Ḥaḍramī, die zei: Ik was bij ʿAlī ibn Abī Ṭālib, moge Allah met hem tevreden zijn, toen een man zei: "O bevelhebber der gelovigen, wat zegt u van het woord van Allah: 'En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen', terwijl zij ons toch bestrijden en de overhand krijgen en doden?" ʿAlī zei tot hem: "Kom dichterbij, kom dichterbij!" Vervolgens zei hij: "'Welnu, Allah zal op de Dag der Opstanding tussen u oordelen, en Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen' — op de Dag der Opstanding."

    10715- Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: al-Thawrī heeft ons bericht, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Dharr, op gezag van Yusayʿ al-Kindī, over Zijn woord "En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen". Hij zei: Een man kwam tot ʿAlī ibn Abī Ṭālib en zei: "Hoe zit het met dit vers: 'En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen'?" ʿAlī zei: "Kom dichterbij: 'Welnu, Allah zal op de Dag der Opstanding tussen u oordelen, en Allah zal' — op de Dag der Opstanding — 'de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen'."

    10716- Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Dharr, op gezag van Yusayʿ al-Ḥaḍramī, op gezag van ʿAlī, in soortgelijke bewoordingen.

    10717- Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: Ghundar heeft ons verteld, op gezag van Shuʿbah, die zei: Ik hoorde Sulaymān vertellen, op gezag van Dharr, op gezag van een man, op gezag van ʿAlī, moge Allah met hem tevreden zijn, dat hij over dit vers "En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen" zei: in het Hiernamaals.

    10718- Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: ʿUbayd Allāh heeft ons verteld, op gezag van Isrāʾīl, op gezag van al-Suddī, op gezag van Abū Mālik: "En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen" — op de Dag der Opstanding.

    * * *

    10719- Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van ʿAṭāʾ al-Khurāsānī, op gezag van Ibn ʿAbbās: "En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen" — hij zei: dat is op de Dag der Opstanding.

    Wat betreft "de weg" op deze plaats: dat is de bewijsgrond, zoals:

    10720- Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn woord "En Allah zal de ongelovigen nooit een weg tegen de gelovigen verschaffen". Hij zei: een bewijsgrond.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : الَّذِينَ يَتَرَبَّصُونَ بِكُمْ فَإِنْ كَانَ لَكُمْ فَتْحٌ مِنَ اللَّهِ قَالُوا أَلَمْ نَكُنْ مَعَكُمْ وَإِنْ كَانَ لِلْكَافِرِينَ نَصِيبٌ قَالُوا أَلَمْ نَسْتَحْوِذْ عَلَيْكُمْ وَنَمْنَعْكُمْ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ فَاللَّهُ يَحْكُمُ بَيْنَكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَلَنْ يَجْعَلَ اللَّهُ لِلْكَافِرِينَ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ سَبِيلا (141) قال أبو جعفر: يعني جل ثناؤه بقوله: " الذين يتربصون بكم "، الذين ينتظرون، أيها المؤمنون، (1) بكم=" فإن كان لكم فتح من الله "، يعني: فإن فتح الله &; 9-324 &; عليكم فتحًا من عدوكم، فأفاء عليكم فَيْئًا من المغانم=" قالوا " لكم=" ألم نكن معكمْ"، نجاهد عدوّكم ونغزوهم معكم، فأعطونا نصيبًا من الغنيمة، فإنا قد شهدنا القتال معكم=" وإن كان للكافرين نصيب "، يعني: وإن كان لأعدائكم من الكافرين حظّ منكم، بإصابتهم منكم (2) =" قالوا "، (3) يعني: قال هؤلاء المنافقون للكافرين=" ألم نستحوذ عليكم "، ألم نغلب عليكم حتى قهرتم المؤمنين=" ونمنعكم " منهم، بتخذيلنا إياهم، حتى امتنعوا منكم فانصرفوا=" فالله يحكم بينكم يوم القيامة "، يعني: فالله يحكم بين المؤمنين والمنافقين يوم القيامة، فيفصل بينكم بالقضاء الفاصل، (4) بإدخال أهل الإيمان جنّته، وأهل النفاق مع أوليائهم من الكفار ناره=" ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، يعني: حجة يوم القيامة. (5) وذلك وعدٌ من الله المؤمنين أنه لن يدخل المنافقين مدخلَهم من الجنة، ولا المؤمنين مدخَل المنافقين، فيكون بذلك للكافرين على المؤمنين حجة بأن يقولوا لهم، إن أدخلوا مدخلهم: ها أنتم كنتم في الدنيا أعداءَنا، وكان المنافقون أولياءنا، وقد اجتمعتم في النار، فجمع بينكم وبين أوليائنا! فأين الذين كنتم تزعمون أنكم تقاتلوننا من أجله في الدنيا؟ فذلك هو " السبيل " الذي وعد الله المؤمنين أن لا يجعلها عليهم للكافرين. * * * وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. *ذكر من قال ذلك: 10711- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج، عن ابن جريج قوله: " فإن كان لكم فتح من الله ". قال: المنافقون يتربَّصون بالمسلمين=" فإن كان لكم فتح "، قال: إن أصاب المسلمون من عدوهم غنيمة &; 9-325 &; قال المنافقون: " ألم نكن معكم "، قد كنا معكم فأعطونا غنيمة مثل ما تأخذون=" وإن كان للكافرين نصيب "، يصيبونه من المسلمين، قال المنافقون للكافرين: " ألم نستحوذ عليكم ونمنعكم من المؤمنين "، قد كنا نثبِّطهم عنكم. * * * واختلف أهل التأويل في تأويل قوله: " ألم نستحوذ عليكم ". فقال بعضهم: معناه: ألم نغلب عليكم. *ذكر من قال ذلك: 10712- حدثنا محمد بن الحسين قال، حدثنا أحمد بن مفضل قال، حدثنا أسباط، عن السدي في قوله: " ألم نستحوذ عليكم "، قال: نغلب عليكم. * * * وقال آخرون: معنى ذلك: ألم نبيِّن لكم أنّا معكم على ما أنتم عليه. *ذكر من قال ذلك: 10713- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج، عن ابن جريج: " ألم نستحوذ عليكم "، ألم نبين لكم أنّا معكم على ما أنتم عليه. * * * قال أبو جعفر: وهذان القولان متقاربا المعنى. وذلك أن من تأوله بمعنى: " ألم نبين لكم "، إنما أراد - إن شاء الله-: ألم نغلب عليكم بما كان منا من البيان لكم أنا معكم. * * * وأصل " الاستحواذ " في كلام العرب، فيما بلغنا، الغلبة، ومنه قول الله جل ثناؤه: اسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ الشَّيْطَانُ فَأَنْسَاهُمْ ذِكْرَ اللَّهِ ، [سورة المجادلة: 19] ، بمعنى: غلب عليهم. يقال منه: " حاذ عليه واستحاذ، يحيذ ويستحيذ، وأحاذ (6) يحيذ ". ومن لغة من قال: " حاذ "، قول العجاج في صفة ثور وكلب: يَحُوذُهُنَّ وَلَهُ حُوذِيّ (7) وقد أنشد بعضهم: يَحُوزُهُنَّ وَلَهُ حُوزِيُّ (8) وهما متقاربا المعنى. ومن لغة من قال " أحاذ "، قول لبيد في صفة عَيْرٍ وأتُنٍ: (9) إذَا اجْـــتَمَعَتْ وَأَحْــوَذَ جَانِبَيْهَــا وَأَوْرَدَهــا عَــلَى عُــوجٍ طِـوَالِ (10) يعني بقوله: " وأحوذ جانبيها "، غلبها وقهرَها حتى حاذ كلا جانبيها، فلم يشذّ منها شيء. وكان القياس في قوله: اسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ الشَّيْطَانُ أن يأتي: " استحاذ عليهم "، لأن " الواو " إذا كانت عين الفعل وكانت متحركة بالفتح وما قبلها ساكن، جعلت العرب حركتها في" فاء " الفعل قبلها، وحوَّلوها " ألفًا "، متبعة حركة ما قبلها، كقولهم: " استحال هذا الشيء عما كان عليه "، من " حال يحول "= و " استنار فلان بنور الله "، من " النور "= و " استعاذ بالله " من " عاذ يعوذ ". وربما تركوا ذلك على أصله كما قال لبيد: " وأحوذ "، ولم يقل " وأحاذ "، وبهذه اللغة جاء القرآن في قوله: اسْتَحْوَذَ عَلَيْهِمُ الشَّيْطَانُ . * * * وأما قوله: " فالله يحكم بينكم يوم القيامة ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، فلا خلاف بينهم في أن معناه: ولن يجعل الله للكافرين يومئذ على المؤمنين سبيلا. ذكر الخبر عمن قال ذلك: 10714- حدثنا ابن وكيع قال، حدثنا جرير، عن الأعمش، عن ذَرّ، عن يُسَيْع الحضرمي قال: كنت عند علي بن أبي طالب رضوان الله عليه، فقال رجل: يا أمير المؤمنين، أرأيت قول الله: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، وهم يقاتلوننا فيظهرون ويقتلون؟ قال له عليّ: ادْنُه، ادْنُهْ! ثم قال: " فالله يحكم بينكم يوم القيامة ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا " ، يوم القيامة. 10715- حدثنا الحسن بن يحيى قال، أخبرنا عبد الرزاق قال، أخبرنا الثوري، عن الأعمش، عن ذَرّ، عن يسيع الكندي في قوله: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، قال: جاء رجل إلى علي بن أبي طالب فقال: كيف هذه الآية: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "؟ فقال علي: ادْنُهْ،" فالله يحكم بينكم يوم القيامة ولن يجعل الله "، يوم القيامة،" للكافرين على المؤمنين سبيلا ". 10716- حدثنا ابن بشار قال، حدثنا عبد الرحمن قال، حدثنا سفيان، عن الأعمش، عن ذر، عن يُسيع الحضرمي، عن علي بنحوه. 10717- حدثنا ابن وكيع قال، حدثنا غندر، عن شعبة قال: سمعت سليمان يحدّث، عن ذر، عن رجل، عن عليّ رضي الله عنه أنه قال في هذه الآية: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، قال: في الآخرة. (11) 10718- حدثنا ابن وكيع قال، حدثنا عبيد الله، عن إسرائيل، عن السدي، عن أبي مالك: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، يوم القيامة. * * * 10719- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج، عن ابن جريج، عن عطاء الخراساني، عن ابن عباس: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، قال: ذاك يوم القيامة. وأما " السبيل "، في هذا الموضع، فالحجة، (12) كما:- 10720- حدثنا محمد بن الحسين قال، حدثنا أحمد بن مفضل قال، حدثنا أسباط، عن السدي في قوله: " ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلا "، قال: حجةً. -------------- الهوامش : (1) انظر تفسير"التربص" فيما سلف 4 : 456 ، 515 / 5 : 79. (2) انظر تفسير"نصيب" فيما سلف ص 212 ، تعليق: 1 ، والمراجع هناك. (3) في المطبوعة وحدها: "وقالوا ألم نكن معكم" ، وهو سهو من الناشر الأول. (4) انظر تفسير"الحكم" فيما سلف ص: 175. (5) انظر تفسير"السبيل" فيما سلف من فهارس اللغة. (6) قوله: "أحاذ يحيذ" ، لم أجده في معاجم اللغة ، وهو صحيح في العربية ، وقالوا مكانه: "أحوذ ثوبه" إذا ضمه ، وجاءوا ببيت لبيد الآتي شاهدا عليه. وانظر ما سيأتي بعد بيت لبيد. (7) ديوانه: 71 ، ومجاز القرآن لأبي عبيدة 1 : 141 ، واللسان (حوذ) (حوز) ، ورواية الديوان: يَحُوذُهــا وَهْــوَ لَهَــا حُــوذِيُّ خَــوْفَ الخِــلاطِ فَهْــوَ أَجْـنَبِيُّ كَمَـــا يَحُــوذُ الفِئَــةَ الكَــمِيُّ وفسروا"يحوذها": يسوقها سوقًا شديدًا ، ومثله"يحوزها" في الرواية الآتية. (8) انظر اللسان (حوذ) و(حوز). (9) "العير" حمار الوحش ، و"الأتن" جمع"أتان" ، وهي أنثاه. (10) ديوانه: القصيدة: 17 ، البيت: 39 ، واللسان (حوذ) ، وقوله: "إذا اجتمعت" يعني إناث حمار الوحش حين دعاها إلى الماء ، فضمها من جانبيها ، يأتيها من هذا الجانب مرة ، ومن هذا مرة حتى غلبها ولم شتاتها ، و"العوج الطوال" قوائمه ، وبعد البيت: رَفَعْــنَ سُــرَادِقًا فـي يَـوْمِ رِيـحٍ يُصَفَّــقُ بيــن مَيْــلٍ واعْتِــدالِ يعني غبارها ، ارتفع كأنه سرادق تصفقه الريح وتميله مرة هكذا ومرة هكذا ، فهو يميل ويعتدل. (11) الآثار: 10714 - 10717-"ذر" (بفتح الذال) هو: "ذر بن عبد الله المرهبي" ثقة ، أخرج له أصحاب الكتب الستة. مضى برقم: 2918. و"يسيع بن معدان الحضرمي ، والكندي" ، تابعي ثقة. مضى برقم: 2918. وكان في المطبوعة هنا: "نسيع" بالنون ، وهو خطأ صرف. (12) انظر تفسير"السبيل" فيما سلف قريبًا ص: 324 ، تعليق: 4 ، والمراجع هناك.