Tafseer van De Vrouwen · An-Nisaa · 4:14
En hij die Allah en Zijn Boodschapper ongehoorzaam is en Zijn bepalingen overtreedt, Hij (Allah) zal hem de Hel binnenleiden. Zij zijn eeuwig levenden daarin. En voor hem is er een vermeedende bestraffing.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: وَمَنْ يَعْصِ اللَّهَ وَرَسُولَهُ وَيَتَعَدَّ حُدُودَهُ يُدْخِلْهُ نَارًا خَالِدًا فِيهَا وَلَهُ عَذَابٌ مُهِينٌ (14) (En wie Allah en Zijn Boodschapper ﷺ ongehoorzaam is en Zijn grenzen overschrijdt, hem zal Hij het Vuur binnenleiden, daarin eeuwig verblijvend, en voor hem is er een vernederende bestraffing (ʿadhāb) (14).)
Abū Jaʿfar zei: Hij — verheven zij Zijn lofprijzing — bedoelt daarmee: "en wie Allah en Zijn Boodschapper ﷺ ongehoorzaam is" in het handelen naar wat Zij hem beiden hebben opgedragen aangaande de verdeling van de erfdelen (mīrāth), overeenkomstig de wijze waarop Zij hem hebben opgedragen dat onder hen te verdelen, en aangaande andere van de verplichtingen (farāʾiḍ) van Allah, terwijl hij Hun beider gebod tegenwerkt en zich keert tot datgene wat Zij hem hebben verboden. = "en Zijn grenzen overschrijdt (ḥudūd)": Hij zegt: en hij gaat de scheidslijnen van Zijn gehoorzaamheid te buiten, die de Verhevene heeft gesteld als grenslijn tussen die gehoorzaamheid en de ongehoorzaamheid jegens Hem, (49) naar datgene wat Hij hem heeft verboden, namelijk de verdeling van de nalatenschappen van hun overledenen onder hun erfgenamen, en andere van Zijn grenzen (ḥudūd). (50) = "hem zal Hij het Vuur binnenleiden, daarin eeuwig verblijvend": Hij zegt: daarin blijvend voor eeuwig, hij sterft niet en komt er nimmer uit. = "en voor hem is er een vernederende bestraffing (ʿadhāb)": Hij bedoelt: en voor hem is er een vernederende bestraffing, die wie ermee gestraft wordt te schande maakt. (51)
* * *
En in de trant van wat wij over de uitleg daarvan hebben gezegd, hebben de mensen van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken.
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
8794 — Al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭalḥa, op gezag van Ibn ʿAbbās: "en wie Allah en Zijn Boodschapper ﷺ ongehoorzaam is en Zijn grenzen overschrijdt", de āyah, gaat over de aangelegenheid van de erfdelen (mīrāth) die tevoren is vermeld. = Ibn Jurayj zei over "en wie Allah en Zijn Boodschapper ﷺ ongehoorzaam is": hij zei: het betreft wie van de zonden begaat datgene waarvoor Allah hem bestraft.
* * *
En indien iemand zou zeggen: Zal dan voor eeuwig in het Vuur (jahannam) gehouden worden wie Allah en Zijn Boodschapper ﷺ ongehoorzaam is geweest in de verdeling van de erfdelen? (52) dan wordt geantwoord: Ja, wanneer hij bij zijn ongehoorzaamheid jegens Hen beiden daarin twijfel voegt aan het feit dat Allah hem heeft opgelegd wat Hij Zijn dienaren in deze twee āyāt heeft opgelegd, of wanneer hij dat weet en zich dan tegen Allah en Zijn Boodschapper ﷺ verzet aangaande Hun beider gebod — overeenkomstig wat Ibn ʿAbbās heeft vermeld van de uitspraak van degene die zei, toen aan de Boodschapper van Allah ﷺ de uitspraak van Allah — gezegend en verheven is Hij — werd neergezonden: يُوصِيكُمُ اللَّهُ فِي أَوْلادِكُمْ لِلذَّكَرِ مِثْلُ حَظِّ الأُنْثَيَيْنِ (Allah draagt u op aangaande uw kinderen: voor het mannelijke kind een aandeel gelijk aan dat van twee vrouwelijke kinderen), tot aan het einde van de twee āyāt: "Zal dan iemand die het paard niet berijdt, de vijand niet bestrijdt en geen oorlogsbuit (ghanīmah) verwerft, de helft van het vermogen of het gehele vermogen geërfd krijgen?" (53) — bij wijze van afkeuring van hunnentwege van Allahs verdeling van wat Hij heeft toebedeeld aan de jonge kinderen van de overledene, zijn vrouwen en zijn vrouwelijke kinderen. = (54) Wie afwijkt van Allahs verdeling van wat Hij heeft toebedeeld uit de erfenis van de erfgerechtigden onder hen, overeenkomstig hoe Hij dat in Zijn Boek heeft verdeeld, en die Zijn oordeel daarin en het oordeel van Zijn Boodschapper tegenwerkt, uit afkeuring zijnerzijds van Hun beider oordeel — zoals degenen het afkeurden wier zaak Ibn ʿAbbās heeft vermeld, namelijk zij die zich te midden van de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ bevonden, behorend tot de hypocrieten (munāfiqūn) over wie, en over hun gelijken, deze āyah werd neergezonden — (55) zo iemand behoort tot de mensen van de eeuwige verblijving in het Vuur, want door zijn afkeuring van Allahs oordeel daarin wordt hij een ongelovige (kāfir) jegens Allah, en treedt hij buiten de geloofsgemeenschap van de islam.
* * *
---------------
De voetnoten (hawāmish):
(49) Zie de uitleg van "al-ḥudūd" in wat kort daarvoor is voorafgegaan, p. 68, en de annotatie: 3.
(50) In de gedrukte uitgave staat "onder zijn erfgenaam" in het enkelvoud; het juiste is wat uit het handschrift komt.
(51) Zie de uitleg van "muhīn" in wat is voorafgegaan, 2: 347, 348 / 7: 423. Annotatie: 1.
(52) In de gedrukte uitgave staat "of zal hij voor eeuwig gehouden worden" als werkwoord; ik heb het juiste vastgesteld uit het handschrift.
(53) Hiermee wordt het bericht van Ibn ʿAbbās bedoeld dat tevoren is voorafgegaan onder nummer: 8726; hij heeft de strekking ervan weergegeven, niet de letterlijke bewoording.
(54) Zijn uitspraak "Wie afwijkt van Allahs verdeling" sluit aan op zijn eerdere uitspraak: "en die zich tegen Allah en Zijn Boodschapper verzet aangaande Hun beider gebod…"; en wat zich daartussen bevindt is een invoeging die ik tussen de twee streepjes heb geplaatst.
(55) De samenhang van al deze passages luidt: "Ja, wanneer hij bij zijn ongehoorzaamheid jegens Hen beiden daarin twijfel voegt aan het feit dat Allah hem heeft opgelegd wat Hij Zijn dienaren in deze twee āyāt heeft opgelegd, of wanneer hij dat weet en zich dan tegen Allah en Zijn Boodschapper verzet aangaande Hun beider gebod… wie afwijkt van Allahs verdeling van wat Hij heeft toebedeeld uit de erfenis van de erfgerechtigden… zo iemand behoort tot de mensen van de eeuwige verblijving in het Vuur".