Tabari
Terug naar surah 4, ayah 124

Tafseer van De Vrouwen · An-Nisaa · 4:124

وَمَن يَعْمَلْ مِنَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ مِن ذَكَرٍ أَوْ أُنثَىٰ وَهُوَ مُؤْمِنٌۭ فَأُو۟لَٰٓئِكَ يَدْخُلُونَ ٱلْجَنَّةَ وَلَا يُظْلَمُونَ نَقِيرًۭا

En wie goed deel, man of vrouw en hij (zij) is gelovig: zij zijn degenen die het Paradijs binnengaan en zij zullen in het geheel niet onrechtvaardig behandeld worden.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van Zijn woord: وَمَنْ يَعْمَلْ مِنَ الصَّالِحَاتِ مِنْ ذَكَرٍ أَوْ أُنْثَى وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَأُولَئِكَ يَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ وَلا يُظْلَمُونَ نَقِيرًا (4:124) (En wie van de goede daden verricht, of het nu een man of een vrouw is, terwijl hij gelovig is — zij zijn het die het paradijs (janna) zullen binnengaan, en hun zal geen onrecht aangedaan worden, zelfs niet ter grootte van een nuqayr (het putje op een dadelpit).)

    Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn lof, bedoelt daarmee degenen tot wie Hij heeft gezegd: لَيْسَ بِأَمَانِيِّكُمْ وَلا أَمَانِيِّ أَهْلِ الْكِتَابِ ("het hangt niet af van jullie wensen, noch van de wensen van de Mensen van het Boek"). Allah zegt tot hen: voorwaar, slechts hij zal het paradijs (janna) binnengaan en daarin in het hiernamaals in gelukzaligheid verkeren, die van de goede daden verricht — onder jullie mannen en vrouwen, en onder de mannelijke en vrouwelijke slaven (ʿabd/ama) van Mij — terwijl hij gelooft (muʾmin) in Mij en in Mijn boodschapper Mohammed ﷺ, en de eenheid van Mij en het profeetschap van Mohammed ﷺ bevestigt, alsmede dat wat hij van Mij heeft gebracht. Niet jullie, o polytheïsten (mushrikīn) die deelgenoten aan Mij toekennen en Mijn boodschapper loochenen! Koestert dus niet de hoop dat jullie, terwijl jullie ongelovigen (kāfir) zijn, de plaats van de gelovigen in Mij zouden innemen, of dat jullie hun verblijfplaatsen op de Dag der Opstanding zouden binnentreden terwijl jullie Mijn boodschapper loochenen, zoals:

    10535 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn woord: "En wie van de goede daden verricht, of het nu een man of een vrouw is, terwijl hij gelovig is" — hij zei: Hij heeft geweigerd het geloof te aanvaarden anders dan met de goede daad, en Hij heeft geweigerd de islam te aanvaarden anders dan met het goeddoen (iḥsān).

    * * *

    Wat betreft Zijn woord: "en hun zal geen onrecht aangedaan worden, zelfs niet ter grootte van een nuqayr" — Hij bedoelt daarmee: Allah doet aan dezen, die de goede daden verrichten, geen onrecht aan met betrekking tot de beloning voor hun werk, zelfs niet ter grootte van het putje (nuqra) dat zich op de rugzijde van de dadelpit bevindt, in de geringste mate. Hoe zou Hij dan onrecht doen aan wat groter en meer is dan dat? Hij, verheven zij Zijn lof, deelt daarmee aan Zijn dienaren mee dat Hij hun van de beloning voor hun daden niets onthoudt, weinig noch veel, maar dat Hij hun dat ten volle vergoedt zoals Hij hun heeft beloofd.

    * * *

    En in overeenstemming met wat wij over de betekenis van "al-nuqayr" hebben gezegd, hebben de uitleggers van de Schrift gesproken.

    * Vermelding van wie dat heeft gezegd:

    10536 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid: "en hun zal geen onrecht aangedaan worden, zelfs niet ter grootte van een nuqayr" — hij zei: de nuqayr is dat wat zich op de rugzijde van de dadelpit bevindt.

    10537 — Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀmir heeft ons verteld, hij zei: Qurra heeft ons verteld, op gezag van ʿAṭiyya, hij zei: de nuqayr is dat wat zich in het midden van de dadelpit bevindt.

    * * *

    Indien iemand tot ons zou zeggen: Wat is de strekking van het invoegen van "min" in Zijn woord "en wie van de goede daden verricht (wa-man yaʿmal min al-ṣāliḥāt)", terwijl Hij niet zei: "en wie de goede daden verricht (wa-man yaʿmal al-ṣāliḥāt)"?

    Dan wordt geantwoord: Het invoegen ervan heeft twee strekkingen:

    De eerste daarvan: dat Allah heeft geweten dat Zijn gelovige dienaren niet bij machte zouden zijn alle goede daden te verrichten, en daarom heeft Hij Zijn belofte verplicht gesteld voor wie van die daden verricht waartoe hij in staat is, en heeft Hij hem Zijn gunst niet onthouden op grond van datgene wat zijn kracht niet vermocht te verrichten.

    En de tweede daarvan: dat Hij, verheven zij Zijn vermelding, Zijn belofte verplicht heeft gesteld voor wie de grote zonden vermijdt en de verplichtingen volbrengt, ook al schiet hij in een deel van wat hem verplicht is tekort — uit gunst van Hem jegens Zijn gelovige dienaren, daar de gunst Hem het meest betaamt en de vergevensgezindheid jegens de mensen van het geloof in Hem het meest voor de hand ligt.

    * * *

    Nu hebben sommige lieden van de Arabische taalkunde beweerd dat zij ("min") hier is ingevoegd in de betekenis van weglating, en zij leggen het zo uit: "en wie de goede daden verricht, of het nu een man of een vrouw is, terwijl hij gelovig is."

    Dat is naar mijn oordeel echter niet toelaatbaar, want het invoegen ervan dient een betekenis, en het is dus niet toelaatbaar dat haar betekenis weglating zou zijn.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : وَمَنْ يَعْمَلْ مِنَ الصَّالِحَاتِ مِنْ ذَكَرٍ أَوْ أُنْثَى وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَأُولَئِكَ يَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ وَلا يُظْلَمُونَ نَقِيرًا (124) قال أبو جعفر: يعني بذلك جل ثناؤه: الذين قال لهم: لَيْسَ بِأَمَانِيِّكُمْ وَلا أَمَانِيِّ أَهْلِ الْكِتَابِ ، يقول الله لهم: إنما يدخل الجنة وينعم فيها في الآخرة، من يعمل من الصالحات من ذكوركم وإناثكم، وذكور عبادي وإناثهم، وهو مؤمن بي وبرسولي محمدٍ، مصدق بوحدانيتي وبنبوّة محمدٍ صلى الله عليه وسلم وبما جاء به من عندي= لا أنتم أيها المشركون بي، المكذبون رسولي، فلا تطمعوا أن تحلّوا، وأنتم كفار، محلَّ المؤمنين بي، وتدخلوا مداخلهم في القيامة، وأنتم مكذِّبون برسولي، كما:- 10535- حدثنا محمد بن الحسين قال، حدثنا أحمد بن مفضل قال، حدثنا أسباط، عن السدي قوله: " ومن يعمل من الصالحات من ذكر أو أنثى وهو مؤمن "، قال: أبى أن يقبل الإيمان إلا بالعمل الصالح، وأبَى أن يقبل الإسلام إلا بالإحسان. * * * وأما قوله: " ولا يظلمون نقيرًا "، فإنه يعني: ولا يظلم الله هؤلاء الذين يعملون الصالحات من ثوابِ عملهم، مقدارَ النُّقرة التي تكون في ظهر النَّواة في القلة، فكيف بما هو أعظم من ذلك وأكثر؟ وإنما يخبر بذلك جل ثناؤه عبادَه أنه لا يبخَسهم من جزاء أعمالهم قليلا ولا كثيرًا، ولكن يُوفِّيهم ذلك كما وعدهم. (51) * * * وبالذي قلنا في معنى " النقير "، قال أهل التأويل. *ذكر من قال ذلك: 10536- حدثنا ابن حميد قال، حدثنا جرير، عن منصور، عن مجاهد: " ولا يظلمون نقيرًا "، قال: النقير، الذي يكون في ظهر النواة. 10537- حدثنا ابن بشار قال، حدثنا أبو عامر قال، حدثنا قرة، عن عطية قال: النقير، الذي في وسط النواة. (52) * * * فإن قال لنا قائل: ما وجه دخول: " مِن " في قوله: " ومن يعمل من الصالحات "، ولم يقل: " ومن يعمل الصالحات "؟ قيل: لدخولها وجهان: أحدهما: أن يكون الله قد علم أن عبادَه المؤمنين لن يُطيقوا أن يعملوا جميع الأعمال الصالحات، فأوجب وَعده لمن عمل ما أطاق منها، ولم يحرمه من فضله بسبب ما عجزتْ عن عمله منها قوّته. (53) والآخر منهما: أن يكون تعالى ذكره أوجب وعدَه لمن اجتنب الكبائر وأدَّى الفرائض، وإن قصر في بعض الواجب له عليه، تفضلا منه على عباده المؤمنين، إذ كان الفضل به أولى، والصفح عن أهل الإيمان به أحرَى. * * * وقد تقوّل قوم من أهل العربية، (54) أنها أدخلت في هذا الموضع بمعنى الحذف، &; 9-250 &; ويتأوّله: ومن يعمل الصالحاتِ من ذكر أو أنثى وهو مؤمن . (55) وذلك عندي غير جائز، لأن دخولها لمعنًى، فغير جائز أن يكون معناها الحذف. ---------------------- الهوامش : (51) انظر تفسير"النقير" فيما سلف: 8 : 472-475. (52) من أول قوله: "وبالذي قلنا في معنى النقير" إلى آخر هذا الأثر ، ساقط من المخطوطة. وهذان الأثران: 10536 ، 10537 ، لم يذكرا هناك (8 : 472-475) في الآثار التي جاء فيها تفسير"النقير". وهذا أحد ضروب اختصار أبي جعفر تفسيره. (53) في المخطوطة: "منها قوله" ، وفوق"قوله""كذا" ، دليلا على أنها كانت كذلك في الأصل الذي نقل الناسخ عنه. وصواب قراءتها ما أثبت. وفي المطبوعة: "قواه" بالجمع ، وهي أيضًا حسنة. (54) ليس في المخطوطة: "قوم" ، وإثباتها لا بأس به ، وهذا الذي سيسوقه رأي بعض أهل البصرة ، كما أشار إليه مرارًا فيما سلف. (55) انظر زيادة"من" في الجحد والإثبات فيما سلف 2 : 126 ، 127 ، 442 ، 470 / 5 : 586 / 6 : 551 / 7 : 489.