Tafseer van De in Rijen Geschaarden · As-Saaffaat · 37:114
En voorzeker, Wij hebben Môesa en Hârôen begenadigd.
Het woord over de uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَى مُوسَى وَهَارُونَ ("En voorwaar, Wij hebben gunsten bewezen aan Mūsā en Hārūn") (37:114).
De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: En voorwaar, Wij hebben Onze gunst geschonken aan Mūsā en Hārūn, de beide zonen van ʿImrān, want Wij hebben hen beiden tot profeten gemaakt, en Wij hebben hen beiden en hun volk gered uit de verdrukking en de geweldige ellende waarin zij verkeerden door de slavernij aan het huis van Farʿūn, en uit datgene waarmee Wij Farʿūn en zijn volk vernietigd hebben, namelijk de verdrinking.
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de geleerden van de uitleg (ahl al-taʾwīl) gesproken.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft: