Tafseer van Saba · Saba · 34:6
En degenen ma wie kennis is gegeven, zien dat wat aan jou (O Moehammad) is neergezonden van jouw Heer (de Koran) de Waarheid is, en dat hij naar het Pad van de Almachtige, de Geprezene leidt.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: وَيَرَى الَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ الَّذِي أُنْزِلَ إِلَيْكَ مِنْ رَبِّكَ هُوَ الْحَقَّ وَيَهْدِي إِلَى صِرَاطِ الْعَزِيزِ الْحَمِيدِ (6) (En degenen aan wie de kennis is gegeven zien dat wat aan jou is neergezonden van jouw Heer de Waarheid is, en het leidt naar het pad van de Almachtige, de Geprezene) (6)
Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: Hij heeft dat vastgelegd in een duidelijk Boek, opdat Hij degenen die geloven en die naar Onze tekenen streven datgene zal vergelden wat Hij hun duidelijk heeft gemaakt, en opdat degenen aan wie de kennis is gegeven zouden zien. Zo staat "fa-yarā" (en zij zien) in de naṣb-positie, als bijvoeging (ʿaṭf) op Zijn uitspraak "yajzī" (Hij vergeldt) in Zijn woord لِيَجْزِيَ الَّذِينَ آمَنُوا (opdat Hij degenen die geloven zou vergelden). En met "degenen aan wie de kennis is gegeven" worden bedoeld de moslims onder de Mensen van het Boek (ahl al-kitāb), zoals ʿAbdullāh ibn Salām en zijns gelijken, die de Boeken van Allah hadden gelezen die vóór de Furqān (de Onderscheider, d.w.z. de Qurʾān) waren neergezonden. Aldus zegt Hij, verheven is Zijn vermelding: en opdat dezen, aan wie de kennis van het Boek van Allah — dat is de Tawrāt — is gegeven, zouden zien dat het Boek dat aan jou is neergezonden, o Muḥammad, van jouw Heer, de Waarheid is.
En er is gezegd: met "degenen aan wie de kennis is gegeven" worden bedoeld de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ.
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, وَيَرَى الَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ الَّذِي أُنْزِلَ إِلَيْكَ مِنْ رَبِّكَ هُوَ الْحَقَّ, hij zei: dat zijn de metgezellen van Muḥammad ﷺ.
En Zijn uitspraak وَيَهْدِي إِلَى صِرَاطِ الْعَزِيزِ الْحَمِيدِ (en het leidt naar het pad van de Almachtige, de Geprezene), Hij zegt: en het leidt wie het volgt en handelt naar wat erin staat, naar de weg van Allah, de Almachtige (al-ʿAzīz) in Zijn vergelding aan Zijn vijanden, de Geprezene (al-Ḥamīd) bij Zijn schepselen, want Zijn weldaden bij hen en Zijn gunsten jegens hen zijn talrijk. En hiermee wordt bedoeld dat het Boek dat aan Muḥammad is neergezonden, naar de islam leidt.