Tabari
Terug naar surah 34, ayah 21

Tafseer van Saba · Saba · 34:21

وَمَا كَانَ لَهُۥ عَلَيْهِم مِّن سُلْطَٰنٍ إِلَّا لِنَعْلَمَ مَن يُؤْمِنُ بِٱلْءَاخِرَةِ مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِى شَكٍّۢ ۗ وَرَبُّكَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ حَفِيظٌۭ

En hij (Iblîs) had geen macht over hen, (maar het was zo) opdat Wij degenen die in het Hiernamaals geloven zouden onderscheiden van degenen die daarover in twijfel verkeren. En jouw Heer is de Waker over alle zaken.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَمَا كَانَ لَهُ عَلَيْهِمْ مِنْ سُلْطَانٍ إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ وَرَبُّكَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ حَفِيظٌ (34:21) (En hij had over hen geen macht, behalve opdat Wij zouden weten wie in het Hiernamaals gelooft, te onderscheiden van wie daarover in twijfel verkeert. En jouw Heer is over alle dingen Waker.)

    De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Iblīs had over dit volk, waarvan Hij de aard heeft beschreven, geen bewijsgrond waarmee hij hen kon doen dwalen, behalve doordat Wij hem macht over hen verleenden; opdat Onze partij en Onze beschermelingen zouden weten مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ (wie in het Hiernamaals gelooft), Hij zegt: wie de opstanding en de beloning en de bestraffing voor waar houdt, مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ (te onderscheiden van wie daarover in twijfel verkeert), die dus geen zekerheid heeft over de terugkeer, en geen beloning noch bestraffing voor waar houdt.

    En in overeenstemming met wat wij daarover gezegd hebben, spraken de uitleggers.

    * De vermelding van wie dat zei:

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak وَمَا كَانَ لَهُ عَلَيْهِمْ مِنْ سُلْطَانٍ (En hij had over hen geen macht), hij zei: al-Ḥasan zei: bij Allah, hij sloeg hen niet met een stok, noch met een zwaard, noch met een zweep, maar slechts met begeerten en bedrog waartoe hij hen uitnodigde.

    Hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ (behalve opdat Wij zouden weten wie in het Hiernamaals gelooft, te onderscheiden van wie daarover in twijfel verkeert), hij zei: het was slechts een beproeving, opdat Allah de gelovige van de ongelovige zou onderscheiden. En er is gezegd: met Zijn uitspraak إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ (behalve opdat Wij zouden weten wie in het Hiernamaals gelooft) wordt bedoeld: behalve opdat Wij dat als iets bestaands en zichtbaars zouden kennen, opdat men daardoor de beloning of de bestraffing zou verdienen.

    En Zijn uitspraak وَرَبُّكَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ حَفِيظٌ (En jouw Heer is over alle dingen Waker) — de Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: en jouw Heer, o Mohammed, is over de daden van deze ongelovigen jegens Hem, en over al het overige der dingen, حَفِيظٌ (een Waker); de kennis van niets daarvan ontgaat Hem, en Hij zal hen allen op de Dag der Opstanding vergelden voor het goede en het kwade dat zij in het wereldse leven verworven hebben.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : وَمَا كَانَ لَهُ عَلَيْهِمْ مِنْ سُلْطَانٍ إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ وَرَبُّكَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ حَفِيظٌ (21) يقول تعالى ذكره: وما كان لإبليس على هؤلاء القوم الذين وصف صفتهم من حجة يضلهم بها إلا بتسليطناه عليهم؛ ليُعلم حزبُنا وأولياؤنا(مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ) يقول: من يصدق بالبعث والثواب والعقاب (مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ) فلا يوقن بالمعاد، ولا يصدق بثواب ولا عقاب. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: حدثنا بشر، قال: ثنا يزيد، قال: ثنا سعيد، عن قتادة قوله ( وَمَا كَانَ لَهُ عَلَيْهِمْ مِنْ سُلْطَانٍ ) قال: قال الحسن: والله ما ضربهم بعصا ولا سيف ولا سوط، إلا أمانيَّ وغرورًا دعاهم إليها. قال: ثنا سعيد عن قتادة قوله ( إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ ) قال: وإنما كان بلاءً ليعلم الله المؤمن من الكافر. وقيل: عُني بقوله ( إِلا لِنَعْلَمَ مَنْ يُؤْمِنُ بِالآخِرَةِ ) إلا لنعلم ذلك موجودًا ظاهرًا ليستحق به الثواب أو العقاب. وقوله ( وَرَبُّكَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ حَفِيظٌ ) يقول تعالى ذكره: وربك يا محمد على أعمال هؤلاء الكفرة به، وغير ذلك من الأشياء كلها(حَفِيظٌ) لا يعزب عنه علم شيء منه، وهو مجازٍ جميعهم يوم القيامة بما كسبوا في الدنيا من خير وشر.