Tafseer van De Romeinen · Ar-Room · 30:15
Wat degenen die geloven en goede daden verrichten betreft: zij zullen in een hof worden verblijd.
Wat betreft degenen die geloven in Allah en Zijn Boodschapper en het goede verrichten zegt: en handelden naar wat Allah hun opdroeg, en zich onthielden van datgene wat Hij hun verbood, zij zullen in een tuin verblijd worden zegt: zij zullen zich bevinden tussen de welriekende kruiden en de dichtbegroeide planten, en te midden van de soorten bloesem in de tuinen, verheugd, en zij genieten van het luisteren en van het aangename, gelukzalige leven. De Verhevene, verheven is Zijn lof, heeft de vermelding van de tuin (rawḍa) op deze plaats slechts bijzonder gemaakt, omdat er bij beide partijen niets fraaier van aanblik was, noch aangenamer van geur, dan de weiden. En dat dit zo is, daarop wijst de uitspraak van Aʿshā van de Banū Thaʿlaba:
"Geen tuin van de tuinen der schoonheid, weelderig begroeid, groen, waarover een neerregenende, milde regen rijkelijk vergoot,
waarvan een glanzende ster de zon doet glimlachen, omgord met overvloedige, volgroeide plantengroei,
is op een dag aangenamer dan zij van geurverspreiding, noch fraaier dan zij wanneer de avondschemering naderbij kwam." (3)
Zo deelde de Verhevene hun daarmee mede dat degenen die geloven en het goede verrichten in een sierlijke aanblik verkeren, en in het heerlijke van de geuren, en het gelukzalige leven, te midden van datgene wat zij liefhebben en waarmee zij zich verheugen en waarom zij benijd worden. En "al-ḥabra" betekent bij de Arabieren: vreugde en gelukzalige benijdenswaardigheid. Al-ʿAjjāj zei:
"Lof zij Allah die de vreugde schonk aan de heren van de waarheid; voorwaar, de heer is dankbaar." (4)
En de uitleggers verschilden van mening over de betekenis daarvan. Sommigen van hen zeiden: de betekenis daarvan is: zij zullen zich in een tuin bevinden, geëerd.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
ʿAlī heeft mij verteld, hij zei: Abū Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende zijn uitspraak: zij zullen in een tuin verblijd worden, hij zei: zij zullen geëerd worden.
En anderen zeiden: de betekenis ervan is: zij zullen in weelde verkeren.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld, beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, betreffende zijn uitspraak: zij zullen verblijd worden, hij zei: zij zullen in weelde verkeren.
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende zijn uitspraak: zij zullen in een tuin verblijd worden, hij zei: zij zullen in weelde verkeren.
En anderen zeiden: zij zullen genieten van het luisteren en de zang.
* Vermelding van wie dat gezegd heeft:
Muḥammad ibn Mūsā al-Ḥarasī heeft mij verteld, hij zei: ʿĀmir ibn Yasāf heeft mij verteld, hij zei: ik vroeg Yaḥyā ibn Abī Kathīr over de uitspraak van Allah: zij zullen in een tuin verblijd worden, hij zei: al-ḥabra is het genot en het luisteren.
ʿUbaydallāh ibn Muḥammad al-Firyābī heeft ons verteld, hij zei: Ḍamra ibn Rabīʿa heeft ons verteld, op gezag van al-Awzāʿī, op gezag van Yaḥyā ibn Abī Kathīr, betreffende zijn uitspraak: zij zullen verblijd worden, hij zei: het luisteren in het paradijs (janna).
Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā ibn Yūnus heeft ons verteld, op gezag van al-Awzāʿī, op gezag van Yaḥyā ibn Abī Kathīr, het gelijke daarvan.
Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van ʿĀmir ibn Yasāf, op gezag van Yaḥyā ibn Abī Kathīr, het gelijke daarvan.
En al deze bewoordingen die wij hebben vermeld van degenen van wie wij ze hebben overgeleverd, komen terug op de betekenis van wat wij hebben gezegd.
------------------- Voetnoten:
(3) De drie verzen zijn van Aʿshā van de Banū Qays ibn Thaʿlaba (zijn dīwān, uitgave Caïro met commentaar van dr. Muḥammad Ḥusayn, p. 57), en de overlevering daarin luidt: "van de tuinen van al-ḥazn" (het verhevene van het land). Abū ʿUbayda heeft in Majāz al-Qurʾān (blad 187) het eerste en het derde vers aangehaald, en de overlevering daarin luidt: "van de tuinen van al-ḥazm", hetgeen dezelfde betekenis heeft als al-ḥazn, namelijk het ruwe, ruige van het land. Abū ʿUbayda zei: in een tuin verblijd worden: de overdrachtelijke betekenis ervan is: zij verheugen zich en zijn blij. En er is bij de Arabieren niets fraaiers dan de weelderig begroeide weiden, noch aangenamer van geur; Aʿshā zei: "Geen tuin ..." enzovoort. Einde. Ik zeg: de overlevering "al-ḥazn" of "al-ḥazm" is de beste van de overleveringen, en de tuinen van het hoogland zijn aangenamer dan de tuinen van de laagvlakten, omdat de wind erover waait en hun geur opwekt, en omdat de voeten ze niet betreden, en omdat de zon ze van alle kanten beschijnt, zodat hun gewas voorspoedig groeit en bloeit. "Al-musbil" is de regen, en "al-haṭil" is de overvloedige; "al-kawkab" is het licht, "al-shariq" is de stralende, "al-muʾazzar" is datgene waaromheen andere plantengroei is, zodat het als een omgording ervoor is; "al-muktahil" is datgene wat tot wasdom is gekomen en voltooid is; "al-nashr" is het opwellen van de geur; en "al-uṣul" is het meervoud van "aṣīl", hetgeen de tijd van zonsondergang is, of kort daarvoor, wanneer de zon geel wordt en de ondergang nadert.
(4) De twee verzen zijn van al-ʿAjjāj (zijn dīwān, uitgave Leipzig 1903, p. 15), uit een rajaz-gedicht waarin hij ʿUmar ibn ʿUbaydallāh ibn Maʿmar prijst; en (Majāz al-Qurʾān van Abū ʿUbayda, blad 187-b), waar het is aangehaald aansluitend op de eerder genoemde uitspraak van Aʿshā. En in (al-Lisān: ḥabr): "al-ḥabr" (met fatḥa gevolgd door sukūn), en "al-ḥabar" (met twee fatḥa's), en "al-ḥabra" (met fatḥa gevolgd door sukūn), en "al-ḥubūr": dat alles betekent vreugde. Al-ʿAjjāj zei: "Lof zij Allah ..." het vers, van hun uitspraak "ḥabaranī hādhā al-amr ḥabran", dat wil zeggen: deze zaak verheugde mij. En men heeft de bāʾ in beide bewogen (geklinkerd), terwijl de oorspronkelijke vorm de sukūn (klinkerloosheid) is. En "aḥbaranī al-amr": het verheugde mij. En men leest ook "al-shabr". Einde.