Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:63
Als zij zich dan afwenden: voorwaar, dan is Allah op de hoogte van de verderfzaaiers.
فَإِنْ تَوَلَّوْا فَإِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ بِالْمُفْسِدِينَ ("Als zij zich dan afkeren, voorwaar, Allah is Alwetend over de onheilstichters") (63)
"Als zij zich dan afkeren", dat wil zeggen: als dezen die met jou twistten over ʿĪsā, zich afkeren van de waarheid die tot jou is gekomen van bij jouw Heer over ʿĪsā en anderen, van alle leiding en uiteenzetting die Allah jou heeft gegeven, &; 6-477 &; en zich daarvan afwenden en het niet aanvaarden = (3)
"voorwaar, Allah is Alwetend over de onheilstichters", hij zegt: voorwaar, Allah is bezitter van kennis over degenen die hun Heer ongehoorzaam zijn, en die op Zijn aarde en in Zijn landen handelen met datgene wat Hij hun verbood, en dat is hun onheilstichting. (4) Hij, verheven is Zijn vermelding, zegt: Hij kent hen en hun daden, Hij telt ze tegen hen op en bewaart ze, totdat Hij hen daarvoor hun vergelding geeft.
* * *
En overeenkomstig hetgeen wij daarover zeiden, zeiden de mensen van de uitleg (tafsīr):
Vermelding van wie dat zei:
7176 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Jaʿfar ibn al-Zubayr: إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ("Voorwaar, dit is het ware verhaal"), dat wil zeggen: voorwaar, dit wat jij hebt gebracht aan bericht over ʿĪsā = لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ("voorwaar, het is het ware verhaal") over zijn zaak. (5)
7177 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ ("Voorwaar, dit is het verhaal"), voorwaar dit wat wij zeiden over ʿĪsā = لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ("voorwaar, het is het ware verhaal").
7178 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ("Voorwaar, dit is het ware verhaal"). Hij zei: Voorwaar, dit ware verhaal over ʿĪsā: het past ʿĪsā niet dit te overschrijden noch het te overtreffen — namelijk dat hij overschrijdt dat hij het Woord van Allah is dat Hij aan Maryam wierp, (6) en een geest van Hem, en de dienaar van Allah en Zijn boodschapper.
7179 - Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader heeft mij verteld, hij zei: Mijn oom heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ("Voorwaar, dit is het ware verhaal"), voorwaar dit wat wij zeiden over &; 6-478 &; ʿĪsā, dat is de waarheid = وَمَا مِنْ إِلَهٍ إِلا اللَّهُ ("En er is geen god dan Allah"), het vers.
* * *
Toen Hij, verheven is Zijn lof, een onderscheid maakte tussen Zijn profeet Muḥammad, Allah zegene hem en schenke hem vrede, en de delegatie van de christenen van Najrān, met het beslissende oordeel en het rechtvaardige vonnis, droeg Hij hem op (7) = indien zij zich afkeren van datgene waartoe hij hen uitnodigde, namelijk de erkenning van de eenheid van Allah, en dat Hij geen kind heeft noch een gezellin, en dat ʿĪsā Zijn dienaar en Zijn boodschapper is, en zij weigeren behalve het twisten en de strijd = (8) dat hij hen zou uitnodigen tot de wederzijdse vervloeking (mulāʿana). En de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, deed dat. Maar toen de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, dat deed, deinsden zij terug en weigerden de wederzijdse vervloeking, en zij riepen op tot verzoening, zoals hetgeen:
7180 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Mughīra, op gezag van ʿĀmir, die zei: Hem — namelijk de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede — werd opgedragen met hen de wederzijdse vervloeking te doen — dat wil zeggen: met de mensen van Najrān — door Zijn uitspraak: فَمَنْ حَاجَّكَ فِيهِ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ ("Wie dan met jou twist daarover nadat de kennis tot jou is gekomen"), het vers. Toen spraken zij af dat zij de wederzijdse vervloeking met hem zouden doen, en zij gaven hem voor de volgende dag de afspraak. Toen vertrokken zij naar al-Sayyid en al-ʿĀqib, die de verstandigsten van hen waren, en deze stemden met hen in. Toen gingen zij naar een verstandige man van hen, en zij vertelden hem wat zij met de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, hadden afgesproken. Hij zei: Wat hebben jullie gedaan!! En hij deed hen berouw krijgen, (9) en hij zei tegen hen: Indien hij een profeet is en vervolgens tegen jullie bidt, dan zal Allah hem nooit ten gunste van jullie vertoornen, en indien hij een koning is en de overhand over jullie krijgt, dan zal hij jullie nooit in leven laten. (10) Zij zeiden: Hoe moet dat met ons nu wij reeds de afspraak hebben gemaakt! Hij zei tegen hen: Wanneer jullie morgenvroeg naar hem gaan en hij jullie datgene voorlegt waarover jullie het met hem hebben afgesproken, zeg dan: "Wij zoeken toevlucht bij Allah"! En als hij jullie opnieuw oproept, zeg dan tegen hem: "Wij zoeken toevlucht bij Allah"! En misschien zal hij jullie daarvan vrijstellen. Toen zij dan 's morgens kwamen, kwam de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede, in de ochtend terwijl hij al-Ḥasan omarmde en de hand van al-Ḥusayn vasthield, en Fāṭima liep achter hem. Toen nodigde hij hen uit tot datgene waarover zij het de vorige dag met hem hadden afgesproken, &; 6-479 &; en zij zeiden: "Wij zoeken toevlucht bij Allah"! Vervolgens nodigde hij hen weer uit, en zij zeiden: "Wij zoeken toevlucht bij Allah"! — herhaaldelijk. Hij zei: Indien jullie weigeren, word dan moslim, en jullie hebben dezelfde rechten als de moslims en dezelfde plichten als de moslims, zoals Allah, machtig en verheven is Hij, zei. En indien jullie weigeren, geef dan het hoofdgeld voor niet-moslims (jizyah) eigenhandig terwijl jullie onderworpen zijn, zoals Allah, machtig en verheven is Hij, zei. Zij zeiden: Wij bezitten niets anders dan onszelf! Hij zei: Indien jullie weigeren, dan zeg ik jullie de oorlog aan op gelijke voet, zoals Allah, machtig en verheven is Hij, zei. Zij zeiden: Wij hebben geen kracht voor de oorlog tegen de Arabieren, maar wij zullen de jizyah betalen. Hij zei: Toen legde hij hun elk jaar tweeduizend gewaden op, duizend in Rajab en duizend in Ṣafar. Toen zei de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede: Voorwaar, de brenger van de blijde tijding is tot mij gekomen met de ondergang van de mensen van Najrān, (11) zelfs de vogels op de bomen = of: de mussen op de bomen = indien zij de wederzijdse vervloeking hadden voltooid. (12)
= Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, hij zei: Toen zei ik tegen al-Mughīra: De mensen overleveren in de overlevering over de mensen van Najrān dat ʿAlī met hen was! Hij zei: Wat al-Shaʿbī betreft, hij vermeldde hem niet, en ik weet niet of dat was vanwege de slechte gezindheid van de Banū Umayya jegens ʿAlī, of dat het niet in de overlevering stond! (13)
7181 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Jaʿfar ibn al-Zubayr: إِنَّ هَذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ("Voorwaar, dit is het ware verhaal") tot aan Zijn uitspraak: فَقُولُوا اشْهَدُوا بِأَنَّا مُسْلِمُونَ ("Zeg dan: getuigt dat wij moslims zijn"). Zo nodigde hij hen uit tot de billijkheid, (14) en hij ontnam hun het argument. Toen het bericht van Allah over hem tot de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, was gekomen, en het beslissende vonnis tussen hem en hen, en Zijn opdracht aan hem met datgene wat Hij hem opdroeg, namelijk de wederzijdse vervloeking met hen, indien zij het hem zouden weigeren = (15) nodigde hij hen daartoe uit, en zij zeiden: O Abū l-Qāsim, laat ons onze zaak overdenken, dan komen wij tot je met wat wij willen doen betreffende datgene waartoe je ons hebt uitgenodigd. Toen vertrokken zij van hem, en daarna zonderden zij zich af met al-ʿĀqib, die de bezitter van hun mening was, (16) en zij zeiden: O ʿAbd al-Masīḥ, wat is jouw mening? Hij zei: &; 6-480 &; Bij Allah, o gezelschap der christenen, jullie weten zeker dat Muḥammad een gezonden profeet is, (17) en hij is tot jullie gekomen met het beslissende bericht over jullie metgezel, en jullie weten zeker dat geen volk ooit de wederzijdse vervloeking met een profeet aanging zonder dat hun ouderen overbleven noch hun kleinen opgroeiden, en het zal voorzeker jullie uitroeiing zijn indien jullie het doen. Indien jullie dan weigeren behalve de gehechtheid aan jullie religie, en het volharden in datgene waarop jullie staan betreffende de uitspraak over jullie metgezel, sluit dan een wapenstilstand met de man, en keer daarna terug naar jullie landen totdat de tijd jullie zijn mening toont. (18) Toen kwamen zij tot de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, en zij zeiden: O Abū l-Qāsim, wij hebben besloten dat wij de wederzijdse vervloeking niet met jou aangaan, en dat wij jou op jouw religie laten en op onze religie terugkeren, maar zend met ons een man van jouw metgezellen, met wie jij voor ons tevreden bent, die tussen ons oordeelt over zaken waarover wij van mening zijn verschild betreffende onze bezittingen, want jullie zijn bij ons aanvaardbaar. (19)
7182 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā ibn Farqad heeft ons verteld, op gezag van Abī l-Jārūd, op gezag van Zayd ibn ʿAlī, over Zijn uitspraak: تَعَالَوْا نَدْعُ أَبْنَاءَنَا وَأَبْنَاءَكُمْ ("Komt, laten wij onze zonen en jullie zonen oproepen"), het vers. Hij zei: Het waren de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede, en ʿAlī en Fāṭima en al-Ḥasan en al-Ḥusayn. (20)
7183 - Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: فَمَنْ حَاجَّكَ فِيهِ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ ("Wie dan met jou twist daarover nadat de kennis tot jou is gekomen"), het vers. Toen nam hij — namelijk de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede — de hand van al-Ḥasan, al-Ḥusayn en Fāṭima, en hij zei tegen ʿAlī: Volg ons. Toen ging hij met hen naar buiten, maar de christenen kwamen die dag niet naar buiten, en zij zeiden: Wij vrezen dat dit de profeet is, Allah zegene hem en schenke hem vrede, en de aanroep van de profeet is niet als die van een ander!! Dus bleven zij die dag van hem weg, en de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede, zei: "Indien zij waren uitgegaan, zouden zij zijn verbrand!" Toen sloten zij met hem een vredesverdrag: op grond daarvan dat hij van hen tachtigduizend zou krijgen, en wat aan dirhams tekortschoot, zou in goederen zijn: het gewaad voor veertig = en op grond daarvan dat hij van hen drieëndertig harnassen zou krijgen, en drieëndertig kamelen, en vierendertig oorlogspaarden elk jaar, en dat de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, daarvoor garant stond totdat wij ze aan hen zouden afleveren.
7184 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, die zei: Ons is verteld dat de profeet van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, een delegatie uitnodigde van de delegatie van Najrān van de christenen, en zij zijn degenen die met hem twistten over ʿĪsā, en zij deinsden daarvoor terug en vreesden = en ons is verteld dat de profeet van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, placht te zeggen: Bij Degene in Wiens hand de ziel van Muḥammad is, voorwaar de bestraffing was reeds neergedaald op de mensen van Najrān, en indien zij het hadden gedaan, zouden zij van het oppervlak der aarde zijn uitgeroeid. (21)
7185 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: فَمَنْ حَاجَّكَ فِيهِ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ فَقُلْ تَعَالَوْا نَدْعُ أَبْنَاءَنَا وَأَبْنَاءَكُمْ ("Wie dan met jou twist daarover nadat de kennis tot jou is gekomen, zeg dan: komt, laten wij onze zonen en jullie zonen oproepen"). Hij zei: Ons heeft bereikt dat de profeet van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, uitging om de mensen van Najrān tot de wederzijdse vervloeking op te roepen. (22) Toen zij hem zagen uitgaan, werden zij angstig en bevreesd, en zij keerden terug = Maʿmar zei, Qatāda zei: Toen de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede, de mensen van Najrān wilde, nam hij de hand van al-Ḥasan en al-Ḥusayn en zei tegen Fāṭima: Volg ons. Toen de vijanden van Allah dat zagen, keerden zij terug.
7186 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van ʿAbd al-Karīm al-Jazarī, op gezag van ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: Indien degenen die de wederzijdse vervloeking (mubāhala) met de Profeet, Allah zegene hem en schenke hem vrede, wilden aangaan, waren uitgegaan, zouden zij zijn teruggekeerd zonder familie noch bezit te vinden.
7187 - Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Zakariyyā heeft ons verteld, op gezag van ʿAdī, hij zei: ʿUbayd Allāh ibn ʿAmr heeft ons verteld, op gezag van ʿAbd al-Karīm, op gezag van ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās, het gelijke daaraan.
7188 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: De boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, zei: Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, indien zij de wederzijdse vervloeking met mij waren aangegaan, zou het jaar niet zijn voorbijgegaan of er zou in hun nabijheid niemand van hen overblijven zonder dat Allah de leugenaars zou doen vergaan.
7189 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd heeft ons verteld, hij zei: Er werd tegen de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, gezegd: Indien jij de wederzijdse vervloeking met het volk had aangegaan, met wie zou je dan zijn gekomen toen je zei "onze zonen en jullie zonen"? Hij zei: Al-Ḥasan en al-Ḥusayn.
7190 - Muḥammad ibn Sinān heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Ḥanafī heeft ons verteld, hij zei: Al-Mundhir ibn Thaʿlaba heeft ons verteld, hij zei: ʿAlbāʾ ibn Aḥmar al-Yashkurī heeft ons verteld, hij zei: Toen dit vers werd geopenbaard: فَقُلْ تَعَالَوْا نَدْعُ أَبْنَاءَنَا وَأَبْنَاءَكُمْ وَنِسَاءَنَا وَنِسَاءَكُمْ ("Zeg dan: komt, laten wij onze zonen en jullie zonen, en onze vrouwen en jullie vrouwen oproepen"), het vers, zond de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, om ʿAlī en Fāṭima en hun beide zonen al-Ḥasan en al-Ḥusayn te halen, en hij riep de joden op om de wederzijdse vervloeking met hen aan te gaan. Toen zei een jongeman van de joden: Wee jullie! Was jullie ervaring niet nog van gisteren met jullie broeders die werden veranderd in apen en zwijnen?! Gaat de wederzijdse vervloeking niet aan! Toen hielden zij ermee op. (23)
-----------------------
De voetnoten:
(3) Zie de uitleg van "tawallā" in wat eerder voorbijging 2: 162-164, 298 / 3: 131 / 4: 237 / 6: 283, 291.
(4) Zie de betekenis van "al-fasād" in wat eerder voorbijging 1: 287, 416 / 4: 238, 243, 244 / 5: 372.
(5) De overlevering 7176 - Sīra van Ibn Hishām 2: 232, zij is het vervolg van de overleveringen waarvan de laatste nummer 7172 is.
(6) In de gedrukte editie: "wa-lā yujāwiz ay yataʿaddā..." en het juiste is wat in het handschrift staat.
(7) In de gedrukte editie en het handschrift: "wa-amarahu..." met de wāw, en die is overtollig en bedervend, dus heb ik haar weggelaten.
(8) De samenhang van de zin is: "Hij droeg hem op... dat hij hen zou uitnodigen tot de wederzijdse vervloeking", en wat daartussen staat is een tussenvoeging.
(9) Zijn uitspraak "naddamahum" (met tashdīd op de dāl): hij verweet hen totdat hij hen tot spijt en berouw bracht. En dit is een diepgeworteld Arabisch woord dat men zelden in veel van de taalboeken aantreft.
(10) In de gedrukte editie: "lā yastabqinnakum", met een toegevoegde nūn, en het juiste is van het handschrift.
(11) In de gedrukte editie: "qad atānī", en ik heb overgenomen wat in het handschrift staat.
(12) "Tamma ʿalā l-shayʾ": hij volhardde erin en voerde het uit.
(13) Deze passage is het vervolg van de voorgaande overlevering, daarom heb ik haar niet apart genummerd.
(14) Al-naṣaf en al-naṣafa (beide met twee fatḥa's): dat is de billijkheid, en het geven van het recht aan je metgezel zoals dat wat je voor jezelf opeist.
(15) In het handschrift: "aw raddū ʿalayhi", en dat is een fout, en het juiste is wat in de gedrukte editie staat, in overeenstemming met de Sīra van Ibn Hishām, waarin: "in raddū dhālika ʿalayhi".
(16) "Dhū raʾyihim": de bezitter van mening en beleid, die geraadpleegd wordt over wat hun overkomt vanwege zijn verstand en goede oordeel.
(17) In de gedrukte editie: "anna Muḥammadan nabiyyun mursalun", en dat is een fout, en een verdraaiing van wat in het handschrift staat zoals ik het heb overgenomen, en het stemt ook overeen met wat in de Sīra van Ibn Hishām staat.
(18) Zijn uitspraak "ḥattā yuriyakum zamanun raʾyahu" staat niet in de Sīra van Ibn Hishām. En hij bedoelt daarmee: totdat een tijd voorbijgaat, en de omstandigheden wisselen, zodat jullie de uitkomst van zijn zaak zien, Allah zegene hem en schenke hem vrede. En de commentator van de Sīra, al-Suhaylī, zei in al-Rawḍ al-unuf 2: 50: "En in de overlevering over de mensen van Najrān is een grote toevoeging van Ibn Isḥāq, buiten de overlevering van Ibn Hishām om".
(19) De overlevering 7181 - Sīra van Ibn Hishām 2: 232, 233, en zij is het vervolg van de overleveringen waarvan de laatste nummer 7176 is. Men zegt: "rajul riḍan min qawmin riḍan", dat wil zeggen aanvaard, beschreven met de maṣdar zoals "rajul ʿadl", zoals Zuhayr zei:
Wanneer een volk twist, zeggen hun edelen:
"Zij zijn tussen ons, dus zij zijn aanvaardbaar (riḍan), en zij zijn rechtvaardig (ʿadl)".
(20) De overlevering 7182 - "ʿĪsā ibn Farqad al-Marwazī", Abū Muṭahhar. Van hem leverden ʿAmr ibn Rāfiʿ en Ibn Ḥumayd over. Ibn Abī Ḥātim zei: "Ik vroeg mijn vader over hem en hij zei: een Marwaziet. Ik zei: hoe staat het met hem? Hij zei: een shaykh". Een biografie van hem staat in Ibn Abī Ḥātim 3/1/284. En "Abū l-Jārūd" is: Ziyād ibn al-Mundhir al-Hamdānī. Ibn Maʿīn zei: "Een leugenaar, vijand van Allah, niet een fils waard". En hij was een Rāfiḍī die overleveringen verzon over de gebreken van de metgezellen van de boodschapper van Allah, Allah zegene hem en schenke hem vrede, en hij leverde over de verdiensten van de mensen van het Huis, moge Allah tevreden over hen zijn, zaken over die geen grond hadden. Het is niet geoorloofd zijn overlevering op te schrijven, en hij behoort tot de extremisten van de shīʿa, en hij heeft een groepering die bekendstaat als de Jārūdiyya.
(21) "Jadīd al-arḍ", en "jadduhā" (met fatḥa en kasra op de jīm), en "jadaduhā" (met fatḥa's): dat is het oppervlak der aarde.
(22) In de gedrukte editie: "kharaja li-yulāʿina ahla Najrān", lees "li-yudāʿiya" voor "li-yulāʿina", en "yudāʿī" komt van "al-duʿāʾ", dat wil zeggen deze mubāhala en wederzijdse vervloeking.
(23) De overlevering 7190 - "Al-Mundhir ibn Thaʿlaba ibn Ḥarb al-Ṭāʾī", Ibn Ḥibbān vermeldde hem in al-Thiqāt. Een biografie van hem staat in al-Tahdhīb. En "ʿAlbāʾ ibn Aḥmar al-Yashkurī" leverde over van ʿIkrima, de vrijgelatene van Ibn ʿAbbās. Aḥmad zei: "Er is niets mis met hem, ik ken slechts goeds van hem", en Ibn Ḥibbān vermeldde hem in al-Thiqāt. Een biografie van hem staat in al-Tahdhīb.
En de overleveringen van dit hoofdstuk zijn alle mursal, zoals je hebt gezien, behalve het bericht van Ibn ʿAbbās.