Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:5
Voorwaar, voor Allah is niets verborgen op de aarde of in de hemel.
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "Voorwaar, voor Allah is niets verborgen, niet op de aarde en niet in de hemel" (3:5)
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt hiermee: Voorwaar, voor Allah is niets verborgen wat zich op de aarde bevindt, noch iets wat zich in de hemel bevindt. Hij zegt: Hoe zou dan voor Mij, o Mohammed ﷺ — en Ik ben de Kenner van alle dingen — verborgen blijven datgene waarmee deze mensen die met jou twisten over de tekenen van Allah — de christenen van Najrān aangaande ʿĪsā de zoon van Maryam — schijn ophouden, in hun uitspraak die zij over hem doen?! Zoals:
6566 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Jaʿfar ibn al-Zubayr: "Voorwaar, voor Allah is niets verborgen, niet op de aarde en niet in de hemel", dat wil zeggen: Hij heeft reeds geweten wat zij willen, en welke list zij beramen, en waarmee zij schijn ophouden in hun uitspraak over ʿĪsā, toen zij hem tot een heer en een god maakten, terwijl zij van zijn kennis iets anders bezaten dan dat — uit verblinding jegens Allah en uit ongeloof (kufr) jegens Hem.
________________________
De voetnoten:
(48) De overlevering 6566 - behoort tot de overige overleveringen waarvan de laatste het nummer 6564 draagt, afkomstig uit de Sīra van Ibn Isḥāq.