Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:39
Toen riepen de Engelen tot hem, toen hij in de gebedsruimte (Mihrâb) in gehed stond: "Voorwaar, Allah brengt jou een verheugende tijding: (de geboorte van) Yahya, als een bevstiging van een Woord van Allah, als een leider, een ingetogene, een Profeet, behorende tot de rechtschapenen."
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "Toen riepen de engelen hem"
Abū Jaʿfar zei: De recitatoren verschilden over de lezing daarvan.
De algemene recitatoren van de mensen van Medina en sommige mensen van Kūfa en Basra lazen het: "fa-nādat-hu al-malāʾika" (toen riep de engelen hem) in de vrouwelijke vorm met de tāʾ, waarmee bedoeld wordt: de verzameling van "de engelen". En zo doen de Arabieren met een groep mannelijke wezens wanneer hun werkwoorden voorafgaan: dan stellen zij hun werkwoorden in de vrouwelijke vorm, vooral bij de namen waarin in hun bewoording het vrouwelijke ligt, zoals hun uitspraak: "jāʾat al-Ṭalḥāt" (de Ṭalḥa's [mannen] kwamen).
* * *
Een groep van de mensen van Kūfa las het met de yāʾ, in de betekenis: fa-nādāhu Jibrīl (toen riep Jibrīl hem), waarbij zij het [werkwoord] in de mannelijke vorm zetten omwille van de uitleg [van engelen als Jibrīl], zoals wij zo-even hebben vermeld dat zij het werkwoord van het mannelijke in de vrouwelijke vorm zetten omwille van de bewoording; zo zetten zij eveneens het werkwoord van het vrouwelijke in de mannelijke vorm omwille van de bewoording. En zij baseerden zich daarbij, naar ik meen, op een lezing waarvan vermeld wordt dat het de lezing van ʿAbdallāh ibn Masʿūd is, en dat is wat:
6945 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq ibn al-Ḥajjāj heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān ibn Abī Ḥammād heeft ons verteld, dat de lezing van Ibn Masʿūd luidt: (fa-nādāhu Jibrīl wa-huwa qāʾimun yuṣallī fī l-miḥrāb) (toen riep Jibrīl hem terwijl hij stond te bidden in de gebedsnis).
* * *
En zo legden ook een groep van de uitleggers Zijn woord "toen riepen de engelen hem" uit.
Vermelding van wie dat zei:
6946 - Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "toen riepen de engelen hem" — en dat is Jibrīl = of: de engelen zeiden, en dat is Jibrīl = "dat Allah jou verheugende tijding brengt over Yaḥyā".
* * *
Abū Jaʿfar zei: Indien een spreker zou zeggen: Hoe is het toelaatbaar dat volgens deze uitleg gezegd wordt "toen riepen de engelen hem", terwijl "de engelen" een meervoud is en geen enkelvoud? — dan wordt gezegd: Dat is toelaatbaar in de spraak van de Arabieren, dat men over het enkelvoud bericht in de vorm van het meervoud, zoals in de spraak gezegd wordt: "die-en-die ging eropuit op de muildieren van de postkoeriers", terwijl hij slechts één muildier bereed = "en hij besteeg de schepen", terwijl hij slechts één schip besteeg. En zoals gezegd wordt: "van wie heb je deze tijding gehoord?", waarop geantwoord wordt: "van de mensen", terwijl hij die slechts van één man heeft gehoord. En men heeft gezegd dat hiertoe behoort Zijn woord: "Degenen tegen wie de mensen zeiden: Voorwaar, de mensen hebben zich tegen jullie verzameld" [soera Āl ʿImrān: 173], terwijl de spreker — naar wat vermeld is — één enkele was = en Zijn woord: "En wanneer tegenspoed de mensen treft" [soera al-Rūm: 33], waarbij "de mensen" de betekenis heeft van een enkeling. En dat is bij hen toelaatbaar in datgene waarbij niet specifiek het enkelvoud werd beoogd.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En het juiste van de uitspraak is naar mijn oordeel betreffende de lezing daarvan, dat het twee welbekende lezingen zijn = ik bedoel de "tāʾ" en de "yāʾ" = zodat met welke van de twee de recitator ook leest, hij juist handelt. Dat komt doordat er geen verschil in betekenis bestaat door het verschil van de twee lezingen, en zij zijn beide welsprekend bij de Arabieren. Want indien met "de engelen" Jibrīl wordt bedoeld, zoals overgeleverd is van ʿAbdallāh, dan is het vrouwelijk maken van het werkwoord ervan welsprekend in de spraak van de Arabieren omwille van de bewoording, wanneer het werkwoord eraan voorafgaat. En de mannelijke vorm is daarbij toelaatbaar omwille van de betekenis.
En indien daarmee de verzameling van "de engelen" wordt bedoeld, dan is in het werkwoord ervan de vrouwelijke vorm toelaatbaar, en die staat ervoor, omwille van de bewoording. Dat komt doordat de Arabieren, wanneer zij het werkwoord laten voorafgaan aan de talrijke groep, het in de vrouwelijke vorm zetten, zodat zij zeggen: "qālat al-nisāʾ" (de vrouwen zeiden). En de mannelijke vorm is in het werkwoord ervan toelaatbaar, gebaseerd op het enkelvoud, wanneer zijn werkwoord eraan voorafgaat, zodat gezegd wordt: "qāla al-rijāl" (de mannen zeiden).
* * *
Wat het juiste van de uitspraak over de uitleg ervan betreft: er moet gezegd worden dat Allah, verheven is Zijn lof, berichtte dat de engelen hem riepen. En het duidelijke daarvan is dat het een groep van de engelen is, niet de enkeling, terwijl Jibrīl één enkele is.
En het is niet toelaatbaar dat de uitleg van de Koran wordt gedragen op iets anders dan het meest duidelijke en meest voorkomende van de spraak die in de tongen van de Arabieren gebruikelijk is, en niet op het minst voorkomende = zolang daartoe een weg gevonden wordt. En geen behoefte heeft ons gedwongen om dat om te buigen naar de betekenis van een enkeling, zodat men daarvoor zijn toevlucht zou moeten zoeken in het verborgene van de spraak en de betekenissen.
En met wat wij daarover hebben gezegd aan uitleg, heeft een groep van de mensen van kennis gesproken, onder wie: Qatāda, en al-Rabīʿ ibn Anas, en ʿIkrima, en Mujāhid, en een groep anderen dan zij. En wij hebben reeds vermeld wat zij daarover hebben gezegd in wat voorbij is.
* * *
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "terwijl hij stond te bidden in de gebedsnis, dat Allah jou verheugende tijding brengt over Yaḥyā"
Abū Jaʿfar zei: En de uitleg van Zijn woord "terwijl hij stond" is: de engelen riepen hem in de toestand dat hij biddend stond. Zijn woord "terwijl hij stond" is dus een bericht over het tijdstip van de oproep van de engelen aan Zakariyyā.
En Zijn woord "yuṣallī" (biddend) staat in de positie van een accusatief als toestandsbepaling (ḥāl) bij "het staan", en het is in de nominatief met de yāʾ.
* * *
Wat "de miḥrāb" (de gebedsnis) betreft: wij hebben de betekenis daarvan reeds uiteengezet, namelijk dat het de voorzijde van de moskee is.
* * *
De recitatoren verschilden over de lezing van Zijn woord: "anna llāha yubashshiruka" (dat Allah jou verheugende tijding brengt).
De algemene recitatoren lazen het: (anna llāha) met fatḥa op de "alif" van "anna", doordat de "oproep" daarop valt, in de betekenis: de engelen riepen hem daarmee.
* * *
En sommige recitatoren van de mensen van Kūfa lazen het: (inna llāha yubashshiruka) met kasra op de "alif", in de betekenis: de engelen zeiden: voorwaar, Allah brengt jou verheugende tijding, want de oproep is een uitspraak. En zij vermeldden dat het in de lezing van ʿAbdallāh luidt: (fa-nādat-hu al-malāʾika wa-huwa qāʾimun yuṣallī fī l-miḥrāb yā Zakariyyā inna llāha yubashshiruka) (toen riepen de engelen hem terwijl hij stond te bidden in de gebedsnis: O Zakariyyā, voorwaar Allah brengt jou verheugende tijding). Zij zeiden: en wanneer het uitgesloten is dat de "oproep" werkzaam is op Zijn woord "yā Zakariyyā", dan is het eveneens uitgesloten dat hij werkzaam is op "inna".
* * *
En het juiste van de lezing daarvan is naar ons oordeel: "anna llāha yubashshiruka" met fatḥa op "anna", doordat de oproep daarop valt, in de betekenis: de engelen riepen hem daarmee.
En de grond waarop degenen die met kasra op "inna" lazen zich beriepen = namelijk dat ʿAbdallāh het zo placht te lezen, zodat ook zij het zo lazen = is voor hen geen [geldige] grond. Dat komt doordat ʿAbdallāh, indien hij dat zo heeft gelezen, het — naar hun bewering — slechts zo heeft gelezen terwijl de oproep aan Zakariyyā [namelijk "yā Zakariyyā"] tussengevoegd was tussen "inna" en Zijn woord "fa-nādat-hu". En wanneer dat ertussen wordt ingevoegd, dan laten de Arabieren in dat geval de oproep werkzaam zijn op "anna", ofwel laten zij hem daarop zonder uitwerking. Wat het zonder uitwerking laten betreft: dat is omdat hij zonder uitwerking is geworden op het aangeroepene dat eraan voorafgaat, zodat zij datgene wat erna komt dezelfde weg laten gaan in het zonder uitwerking blijven ervan. En wat het werkzaam laten betreft: dat is omdat de oproep een transitief werkwoord is, zoals de overige werkwoorden.
En wat onze lezing betreft: bij ons is de oproep aan Zakariyyā met "yā Zakariyyā" niet ingevoegd tussen "anna" en Zijn woord "fa-nādat-hu". En wanneer dat niet ertussen staat, dan is de welsprekende spraak van de Arabieren — wanneer zij met de uitspraak "nādaytu" (ik riep) de naam van het aangeroepene in de accusatief zetten en het [werkwoord] daarop laten vallen — dat zij het eveneens zo op "anna" daarna laten vallen. En al is het zonder uitwerking laten ervan toelaatbaar, toch is Zijn woord "nādat-hu" reeds gevallen op het persoonlijk voornaamwoord van "Zakariyyā", zodat het eveneens juist is dat het valt op "anna" en daarop werkzaam is.
* * *
Daarbij komt dat dat de wijdverbreide lezing is in de lezing van de gewesten van de islam. En men brengt niet het afwijkende [shādhdh] in tegen de gemeenschap [van recitatoren] die de gang van het bewijs hebben.
* * *
Wat Zijn woord "yubashshiruka" betreft: de recitatoren verschilden over de lezing daarvan.
De algemene recitatoren van de mensen van Medina en Basra lazen het: (anna llāha yubashshiruka) met verdubbeling (tashdīd) van de "shīn" en ḍamma op de "yāʾ", overeenkomstig de verheugende aankondiging van Allah aan Zakariyyā omtrent het kind, ontleend aan de uitspraak van de mensen: "bashsharat fulānan al-bushrāʾu bi-kadhā wa-kadhā", dat wil zeggen: de blijde-boodschapbrengers brachten hem de blijde tijdingen daarover.
* * *
En een groep van de recitatoren van Kūfa en anderen lazen het: (anna llāha yabshuruka) met fatḥa op de "yāʾ" en ḍamma op de "shīn" met verlichting (takhfīf), in de betekenis: dat Allah jou verblijdt met een kind dat Hij jou schenkt, ontleend aan het woord van de dichter:
Ik verblijdde mijn gezin toen ik een geschrift zag / dat tot jou kwam vanwege al-Ḥajjāj, waarvan de brief werd voorgelezen.
En men heeft gezegd: "bashartu" is de taal van de mensen van Tihāma onder de Kināna en anderen onder de Quraysh, en dat zij zeggen: "bashartu fulānan bi-kadhā, fa-anā abshuruhu bashran", en "hal anta bāshirun bi-kadhā?". En men reciteert van hen het vers daarover:
En wanneer jij de naar verhevenheid hunkerenden ziet, / stoffig van hand, in een dorre, onvruchtbare vlakte,
helpt hen dan, en verheug je over datgene waarover zij zich verheugden, / en wanneer zij in benauwenis afdalen, daal dan af.
En wanneer zij overgaan tot de gebiedende wijs, dan is de zuivere spraak in hun taal zonder de alif, zodat gezegd wordt: "ibshur fulānan bi-kadhā", en zij zeggen vrijwel nooit: "bashshirhu bi-kadhā, noch abshirhu".
* * *
En er is van Ḥumayd ibn Qays overgeleverd dat hij het placht te lezen: (yubshiruka) met ḍamma op de "yāʾ" en kasra op de "shīn" met verlichting. En reeds:
6947 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān ibn Abī Ḥammād heeft ons verteld, op gezag van Muʿādh al-Kūfī, die zei: Wie leest (yubashshiruhum) met verdubbeling, die [leidt het af] van de "bishāra" (blijde tijding), en wie leest (yabshuruhum) met verlichting, met fatḥa op de "yāʾ", die [leidt het af] van het "surūr" (vreugde), [in de betekenis] dat het hen verheugt.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En de lezing die bij ons de [verkozen] lezing daarvan is, is met ḍamma op de "yāʾ" en verdubbeling van de "shīn", in de betekenis van de "tabshīr" (het brengen van blijde tijding). Want dat is de gangbare taal en de wijdverbreide, welbekende spraak onder de mensen, naast dat alle recitatoren van de gewesten eenstemmig zijn in de lezing van "fa-bima tubashshirūna" [soera al-Ḥijr: 54] met de verdubbeling. En het juiste in alle overige soortgelijke plaatsen in de Koran is dat het daaraan gelijk is in de verdubbeling en de ḍamma op de "yāʾ".
* * *
En wat overgeleverd is van Muʿādh al-Kūfī aangaande het onderscheid tussen de betekenis van de verlichting en de verdubbeling daarin: wij hebben niet bevonden dat de mensen van kennis omtrent de spraak van de Arabieren dat langs een geldige weg kennen. Er is dus geen betekenis voor wat daarover van hem verhaald is, en reeds zei Jarīr ibn ʿAṭiyya:
O Bishr, het past dat aan jouw gezicht de tabshīr toekomt, / waarom werd je niet kwaad om onzentwil, terwijl jij gouverneur bent!
Want het is bekend dat hij met zijn woord "al-tabshīr" de schoonheid, de frisheid en de vreugde bedoelde; hij zei dus "al-tabshīr" en zei niet "al-bishr", zodat dit aantoont dat de betekenis van de verlichting en de verzwaring daarin één en dezelfde is.
* * *
6948 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: "voorwaar Allah brengt jou verheugende tijding over Yaḥyā", hij zei: de engelen brachten hem daarmee verheugende tijding.
* * *
Wat Zijn woord "bi-Yaḥyā" betreft: het is een naam waarvan de oorsprong "yafʿalu" is, ontleend aan de uitspraak van de spreker: "ḥayiya fulānun fa-huwa yaḥyā", en dat is wanneer hij leeft. "Fa-yaḥyā" is dus "yafʿalu" van hun uitspraak "ḥayiya".
En men heeft gezegd: Allah, verheven is Zijn lof, heeft hem daarmee genoemd, omdat zijn naam wordt uitgelegd: Hij deed hem leven door het geloof (īmān).
Vermelding van wie dat zei:
6949 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "dat Allah jou verheugende tijding brengt over Yaḥyā", hij zegt: een dienaar die Allah deed leven door het geloof.
6950 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbdallāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: "voorwaar Allah brengt jou verheugende tijding over Yaḥyā", hij zei: hij werd slechts Yaḥyā genoemd, omdat Allah hem deed leven door het geloof.
* * *
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "die bevestigt een woord van Allah"
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt hiermee: dat Allah jou, o Zakariyyā, verheugende tijding brengt over Yaḥyā als een zoon voor jou, = "die bevestigt een woord van Allah", waarmee Hij bedoelt: ʿĪsā de zoon van Maryam.
* * *
En de accusatief van Zijn woord "muṣaddiqan" (bevestigend) is op grond van de toestandsbepaling (ḥāl) afgeleid van "Yaḥyā", omdat "muṣaddiqan" een hoedanigheid daarvan is, en het is onbepaald, terwijl "Yaḥyā" niet onbepaald is.
* * *
En overeenkomstig wat wij daarover hebben gezegd, spraken de uitleggers.
Vermelding van wie dat zei:
6951 - ʿAbd al-Raḥmān ibn al-Aswad al-Ṭufāwī heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn Rabīʿa heeft ons verteld, hij zei: al-Naḍr ibn ʿArabī heeft ons verteld, op gezag van Mujāhid, die zei: De vrouw van Zakariyyā zei tegen Maryam: Voorwaar, ik bevind dat datgene wat in mijn buik is zich beweegt naar datgene wat in jouw buik is! Hij zei: Toen baarde de vrouw van Zakariyyā Yaḥyā, en Maryam ʿĪsā, en daarom zei Hij: "die bevestigt een woord van Allah", hij zei: Yaḥyā bevestigt ʿĪsā.
6952 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van al-Ruqāshī, over het woord van Allah: "Hij brengt jou verheugende tijding over Yaḥyā, die bevestigt een woord van Allah", hij zei: die ʿĪsā de zoon van Maryam bevestigt.
6953 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, hetzelfde.
6954 - Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Sulaymān heeft ons verteld, hij zei: Abū Hilāl heeft ons verteld, hij zei: Qatāda heeft ons verteld, over Zijn woord: "die bevestigt een woord van Allah", hij zei: die ʿĪsā bevestigt.
6955 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "die bevestigt een woord van Allah", hij zegt: die ʿĪsā de zoon van Maryam bevestigt, en [volgt] op zijn weg (sunna) en zijn methode.
6956 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, over Zijn woord: "die bevestigt een woord van Allah", hij bedoelt: ʿĪsā de zoon van Maryam.
6957 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbdallāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Qatāda: "die bevestigt een woord van Allah", hij zegt: die ʿĪsā de zoon van Maryam bevestigt, hij zegt: op zijn weg en zijn methode.
6958 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ: "die bevestigt een woord van Allah", hij zei: hij was de eerste man die ʿĪsā bevestigde, en hij [ʿĪsā] is een woord van Allah en een geest.
6959 - Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "die bevestigt een woord van Allah", hij bevestigt ʿĪsā.
6960 - Mij is verteld op gezag van al-Ḥusayn, hij zei: Ik hoorde Abū Muʿādh zeggen: ʿUbayd ibn Sulaymān heeft ons bericht, hij zei: Ik hoorde al-Ḍaḥḥāk zeggen, over Zijn woord: "voorwaar Allah brengt jou verheugende tijding over Yaḥyā, die bevestigt een woord van Allah": Yaḥyā was de eerste die ʿĪsā bevestigde en getuigde dat hij een woord van Allah is, en Yaḥyā was de zoon van de tante van moederszijde van ʿĪsā, en hij was ouder dan ʿĪsā.
6961 - Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Isrāʾīl, op gezag van Simāk, op gezag van ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās, over Zijn woord: "die bevestigt een woord van Allah", hij zei: ʿĪsā de zoon van Maryam, hij is het woord van Allah, zijn naam is al-Masīḥ.
6962 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij bericht, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Ibn ʿAbbās zei: Zijn woord: "die bevestigt een woord van Allah", hij zei: ʿĪsā en Yaḥyā waren de zonen van twee tantes van moederszijde, en de moeder van Yaḥyā placht tegen Maryam te zeggen: Voorwaar, ik bevind dat datgene wat in mijn buik is zich neerwerpt voor datgene wat in jouw buik is! Dat is dus zijn bevestiging van ʿĪsā: zijn neerwerping in de buik van zijn moeder. En hij is de eerste die ʿĪsā en het woord van ʿĪsā bevestigde, en Yaḥyā was ouder dan ʿĪsā.
6963 - Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: "dat Allah jou verheugende tijding brengt over Yaḥyā, die bevestigt een woord van Allah", hij zei: het woord dat hij bevestigde: ʿĪsā.
6964 - Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, hij zei: De moeder van Yaḥyā ontmoette de moeder van ʿĪsā, terwijl deze zwanger was van Yaḥyā en gene zwanger was van ʿĪsā. Toen zei de vrouw van Zakariyyā: O Maryam, ik bespeur dat ik zwanger ben! Maryam zei: Ook ik bespeur dat ik zwanger ben! De vrouw van Zakariyyā zei: Voorwaar, ik vind dat wat in mijn buik is zich neerwerpt voor wat in jouw buik is! Dat is dus Zijn woord: "die bevestigt een woord van Allah".
6965 - Muḥammad ibn Sinān heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Ḥanafī heeft ons verteld, op gezag van ʿAbbād, op gezag van al-Ḥasan, over het woord van Allah: "dat Allah jou verheugende tijding brengt over Yaḥyā, die bevestigt een woord van Allah", hij zei: die ʿĪsā de zoon van Maryam bevestigt.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En sommigen van de mensen van kennis omtrent de talen van de Arabieren uit Basra beweerden dat de betekenis van Zijn woord "die bevestigt een woord van Allah" is: met een geschrift van Allah, ontleend aan de uitspraak van de Arabieren: "die-en-die reciteerde mij een kalima van zoveel", waarmee bedoeld wordt: een gedicht van zoveel = uit onwetendheid van hem omtrent de uitleg van "de kalima" (het woord), en uit vermetelheid om de Koran naar eigen mening te vertalen [uit te leggen].
* * *
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "en een heer (sayyid)"
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt met Zijn woord "en een sayyid": en een edele in kennis en aanbidding.
* * *
En de accusatief van "al-sayyid" is door koppeling aan Zijn woord "muṣaddiqan".
* * *
En de uitleg van de uitspraak is: dat Allah jou verheugende tijding brengt over Yaḥyā, die dit bevestigt, en als een heer.
* * *
"En al-sayyid" is de vorm "al-fayʿil" van de uitspraak van de spreker: "sāda yasūdu", zoals:
6966 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "en een heer" — ja bij Allah, voorzeker een heer in de aanbidding, de zachtmoedigheid, de kennis en de vroomheid.
6967 - Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Muslim heeft ons verteld, hij zei: Abū Hilāl heeft ons verteld, hij zei: Qatāda heeft ons verteld, over Zijn woord: "en een heer", hij zei: de heer — ik ken het slechts als: in de kennis en de aanbidding.
6968 - Mij is verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Qatāda, hij zei: de heer is de zachtmoedige.
6969 - Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Sharīk, op gezag van Sālim al-Afṭas, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr: "en een heer", hij zei: de zachtmoedige.
6970 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥimmānī heeft ons verteld, hij zei: Sharīk heeft ons verteld, op gezag van Sālim, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr: "en een heer", hij zei: de heer is de godvrezende.
6971 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over het woord van Allah, machtig en verheven: "en een heer", hij zei: de heer is de edele bij Allah.
6972 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, hij zei: al-Ruqāshī beweerde dat de heer de edele bij Allah is.
6973 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn ʿAwn heeft ons verteld, hij zei: Hushaym heeft ons bericht, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, over het woord van Allah, machtig en verheven: "en een heer", hij zei: de heer is de zachtmoedige godvrezende.
6974 - Mij is verteld op gezag van al-Ḥusayn, hij zei: Ik hoorde Abū Muʿādh zeggen: ʿUbayd ibn Sulaymān heeft ons bericht, hij zei: Ik hoorde al-Ḍaḥḥāk zeggen over Zijn woord: "en een heer", hij zei, hij zegt: godvrezend, zachtmoedig.
6975 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān ibn Mahdī heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, over Zijn woord: "en een heer", hij zei: zachtmoedig, godvrezend.
6976 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, op gezag van Ibn Zayd, over Zijn woord: "en een heer", hij zei: de heer: de edele.
6977 - Saʿīd ibn ʿAmr al-Sakūnī heeft mij verteld, hij zei: Baqiyya ibn al-Walīd heeft ons verteld, op gezag van ʿAbd al-Malik, op gezag van Yaḥyā ibn Saʿīd, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyib, over het woord van Allah, machtig en verheven: "en een heer", hij zei: de heer is de geleerde rechtsgeleerde (faqīh).
6978 - Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: "en een heer", hij zei, hij zegt: zachtmoedig, godvrezend.
6979 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Abū Bakr, op gezag van ʿIkrima: "en een heer", hij zei: de heer is degene die niet door de woede wordt overmeesterd.
* * *
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "en kuis (ḥaṣūr), en een profeet uit de rechtschapenen" (3:39)
Abū Jaʿfar zei: Hij bedoelt hiermee: zich onthoudend van geslachtsgemeenschap met vrouwen, ontleend aan de uitspraak van de spreker: "ḥaṣirtu min kadhā aḥṣar", wanneer men zich daarvan onthoudt. En daartoe behoort hun uitspraak: "ḥaṣira fulānun fī qirāʾatihi", wanneer hij zich van het reciteren onthoudt en het niet vermag. En zo is "ḥaṣr al-ʿaduww": hun [de vijanden] insluiten van de mensen en hun beletten van de vrije beweging. Daarom werd hij die met zijn drinkmakkers niets uitdeelt "ḥaṣūr" genoemd, zoals al-Akhṭal zei:
En menige winstgevende drinker bij de beker hield mij gezelschap, / niet de gierige (ḥaṣūr), en niet daarin een [die de rest in de beker laat] (bi-sawwār).
En men reciteert ook: "bi-saʾʾār". En men noemt ook degene die zijn geheim niet naar buiten brengt en het verbergt "ḥaṣūr", omdat hij zijn geheim belet zich te openbaren, zoals Jarīr zei:
En voorzeker beproefden de roddelaars mij door verleiding, maar zij troffen aan / iemand die jouw geheim, o Umayma, beheerst, vasthoudend.
En de oorsprong van dat alles is één, en dat is het beletten en het inhouden.
* * *
En overeenkomstig wat wij daarover hebben gezegd, spraken de uitleggers.
Vermelding van wie dat zei:
6980 - Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Ibn Khalaf heeft ons verteld, hij zei: Ḥammād ibn Shuʿayb heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Zirr, op gezag van ʿAbdallāh, over Zijn woord: "en een heer, en een ḥaṣūr", hij zei: de ḥaṣūr is degene die niet tot de vrouwen komt.
6981 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Yaḥyā ibn Saʿīd, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyib, dat hij zei: Ibn al-ʿĀṣ heeft mij verteld: dat hij de Boodschapper van Allah ﷺ hoorde zeggen: Elk kind van Ādam zal op de Dag der Opstanding komen terwijl het een zonde heeft, behalve wat Yaḥyā ibn Zakariyyā betreft. Hij zei: Daarop liet de Boodschapper van Allah ﷺ zijn hand naar de grond zakken, en nam een klein stukje hout, en zei vervolgens: Dat is omdat hij niet bezat wat de mannen [aan mannelijkheid] bezitten, behalve het gelijke van dit stukje hout, en daarmee noemde Allah hem "een heer en een ḥaṣūr".
6982 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Anas ibn ʿIyāḍ heeft ons bericht, op gezag van Yaḥyā ibn Saʿīd, hij zei: Ik hoorde Saʿīd ibn al-Musayyib zeggen: Er is niemand of hij ontmoet Allah op de Dag der Opstanding terwijl hij een zonde bezit, behalve Yaḥyā ibn Zakariyyā; hij was een ḥaṣūr, en bij hem was het gelijke van een franjedraadje.
6983 - Aḥmad ibn al-Walīd al-Qurashī heeft ons verteld, hij zei: ʿUmar ibn Jaʿfar heeft ons verteld, hij zei: Shuʿba heeft ons verteld, op gezag van Yaḥyā ibn Saʿīd, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyib, hij zei: Ibn al-ʿĀṣ zei — hetzij ʿAbdallāh, hetzij zijn vader —: Er is niemand die Allah ontmoet of hij heeft een zonde, behalve Yaḥyā ibn Zakariyyā. Hij zei: en Saʿīd ibn al-Musayyib zei: "en een heer en een ḥaṣūr", hij zei: de ḥaṣūr is degene die geen gemeenschap heeft met de vrouwen, en wat hij bij zich had was slechts het gelijke van de franje van het kleed.
6984 - Saʿīd ibn ʿAmr al-Sakūnī heeft mij verteld, hij zei: Baqiyya ibn al-Walīd heeft ons verteld, op gezag van ʿAbd al-Malik, op gezag van Yaḥyā ibn Saʿīd, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyib, over Zijn woord: "en een ḥaṣūr", hij zei: de ḥaṣūr is degene die geen begeerte heeft naar de vrouwen. Toen sloeg hij met zijn hand naar de grond en nam een dadelpit en zei: wat hij bij zich had was slechts het gelijke van deze.
6985 - Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿAṭāʾ ibn al-Sāʾib, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, hij zei: de ḥaṣūr is degene die niet tot de vrouwen komt.
6986 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van ʿAṭāʾ, op gezag van Saʿīd, hetzelfde.
6987 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Ḥakkām heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr, op gezag van ʿAṭāʾ, op gezag van Saʿīd, hetzelfde.
6988 - ʿAbd al-Raḥmān ibn al-Aswad heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn Rabīʿa heeft ons verteld, hij zei: al-Naḍr ibn ʿArabī heeft ons verteld, op gezag van Mujāhid: "en een ḥaṣūr", hij zei: degene die niet tot de vrouwen komt.
6989 - Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, hij zei: de ḥaṣūr: hij nadert de vrouwen niet.
6990 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, hij zei: al-Ruqāshī beweerde: "de ḥaṣūr" is degene die de vrouwen niet nadert.
6991 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn ʿAwn heeft ons verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk: "de ḥaṣūr", degene die geen nageslacht krijgt, en die geen zaad heeft.
6992 - Mij is verteld op gezag van al-Ḥusayn ibn al-Faraj, hij zei: Ik hoorde Abū Muʿādh zeggen: ʿUbayd ibn Sulaymān heeft ons bericht, hij zei: Ik hoorde al-Ḍaḥḥāk zeggen over Zijn woord: "en een ḥaṣūr", hij zei: het is degene die geen zaad heeft.
6993 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Suwayd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "en een ḥaṣūr", wij plachten te vertellen dat de ḥaṣūr degene is die de vrouwen niet nadert.
6994 - Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Sulaymān heeft ons verteld, hij zei: Abū Hilāl heeft ons verteld, hij zei: Qatāda heeft ons verteld, over Zijn woord: "en een heer en een ḥaṣūr", hij zei: de ḥaṣūr is degene die niet tot de vrouwen komt.
6995 - Mij is verteld op gezag van ʿAmmār ibn al-Ḥasan, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Qatāda, hetzelfde.
6996 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, hetzelfde.
6997 - Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Qābūs, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, hij zei: de ḥaṣūr is degene die geen zaad doet neerdalen.
6998 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, op gezag van Ibn Zayd: "en een ḥaṣūr", hij zei: de ḥaṣūr is degene die niet tot de vrouwen komt.
6999 - Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "en een ḥaṣūr", hij zei: de ḥaṣūr is degene die de vrouwen niet wil.
7000 - Muḥammad ibn Sinān heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Ḥanafī heeft ons verteld, op gezag van ʿAbbād, op gezag van al-Ḥasan: "en een ḥaṣūr", hij zei: hij nadert de vrouwen niet.
* * *
En wat Zijn woord "en een profeet uit de rechtschapenen" betreft: Hij bedoelt daarmee: een boodschapper van zijn Heer aan zijn volk, die hen namens Hem bericht over Zijn gebod en Zijn verbod, en Zijn toegestane en Zijn verbodene, en die hun namens Hem overbrengt waarmee Hij hem tot hen heeft gezonden.
* * *
En Hij bedoelt met Zijn woord "uit de rechtschapenen": uit Zijn rechtschapen profeten.
* * *
En wij hebben reeds in wat voorbij is gewezen op de betekenis van "het profeetschap (al-nubuwwa)" en wat zijn oorsprong is, met de getuigenissen daarvoor en de aanwijzingen die wijzen op het juiste van de uitspraak daarover, op een wijze die ons ontslaat van de herhaling ervan.
------------------------
De voetnoten:
(11) Dat wil zeggen de lezing van wie "fa-nādāhu" met imāla las, en het schriftbeeld ervan in de muṣḥaf is dan "fa-nādīh" met de yāʾ, en dat is de lezing van Ḥamza en al-Kisāʾī.
(12) Zie blz. 362.
(13) In het handschrift: "fa-nādāhu al-malāʾika".
(14) Zie wat eerder is, 1: 292, 293 / 4: 191.
(15) Zie Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1: 210.
(16) In de gedrukte editie: "wa-huwa min qiblihā" en het juiste is volgens het handschrift.
(17) In het handschrift en de gedrukte editie: "fa-lan yajūz...", en het meest waarschijnlijk juiste is wat ik heb vastgesteld.
(18) Hiervan is niets voorbijgegaan in het verhaal van Zakariyyā en Maryam, en ik vrees dat er in de handschriftelijke kopieën die wij in handen hebben een verkorting op deze plaats is.
(19) Zie wat zo-even voorbij is, blz. 357, 358.
(20) In de gedrukte editie: "dat ʿAbdallāh het zo placht te lezen, en dat is omdat ʿAbdallāh...", waarbij uit de tekst van het handschrift werd weggelaten wat ik heb vastgesteld "fa-qaraʾūhā kadhālika", en de zin daarna gebrekkig bleef; eruit was weggevallen het predicaat van "wa-laysat al-ʿilla...", zodat ik uit de samenhang van zijn woord heb opgemaakt dat de kopiist zijn woord "lahum bi-ʿilla" had laten wegvallen, en ik heb het tussen haakjes toegevoegd; en de samenhang is "wa-laysat al-ʿilla... lahum bi-ʿilla".
(21) In de gedrukte editie: "en reeds werd ingevoegd met yā Zakariyyā", en in het handschrift: "bi-hādhā Zakariyyā", en de juiste lezing ervan is wat ik heb vastgesteld. En in het handschrift staat ook "fa-nādāhu" in plaats van "fa-nādat-hu".
(22) In de gedrukte editie: "fa-innahu baṭala ʿan al-ʿamal", en ik heb vastgesteld wat in het handschrift staat, en dat is het juiste.
(23) Het "vallende werkwoord" (al-fiʿl al-wāqiʿ): dat is het transitieve werkwoord, zoals voorbij is; zie de index van de termen in wat voorbij is, en het "vallen" (al-wuqūʿ) is de transitiviteit.
(24) In het handschrift: "wa-ammā qirāʾatuhā", en het juiste is wat in de gedrukte editie staat.
(25) Het "vallende werkwoord": dat is het transitieve werkwoord, zoals voorbij is; zie de index van de termen in wat voorbij is, en het "vallen" is de transitiviteit.
(26) Zie de uitwerking van wat al-Ṭabarī beknopt heeft weergegeven in Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1: 210, 211.
(27) In het handschrift en de gedrukte editie: "al-bushrā" in plaats van "al-bushrāʾu" op beide plaatsen, en het juiste is wat ik heb vastgesteld; het is duidelijk dat de kopiist het zag als "al-bushrā" zonder hamza zoals in het oude schrift, zodat hij het aanzag voor "al-bushrā" en het zo schreef.
(28) Ik heb de zegger ervan niet kunnen achterhalen.
(29) Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ, en hij zei: "een van de Arabieren reciteerde mij dit".
(30) Het is ʿAbd Qays ibn Khufāf al-Burjumī.
(31) Al-Aṣmaʿiyyāt nr. 87, en al-Mufaḍḍaliyyāt nr. 116, en Lisān al-ʿArab (krb) (bshr) (ysr), en Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1: 212, en andere naslagwerken. Het is zijn raadgeving aan zijn zoon Jubayl, en het behoort tot de wijze poëzie. "Bahasha ilā al-shayʾ": hij verheugde zich erover en haastte zich ernaartoe; en hun overlevering luidt "ilā al-nadā", en dat is de vrijgevigheid. En "al-qāʿ": een vlakke, gelijkmatige bodem waar de bergen en heuvels van wijken, zonder steentjes daarin, noch stenen, en die geen bomen voortbrengt. En "al-mumḥil": de dorre. Hij zegt: Wanneer jij de edele vrijgevigen ziet, die de droogte en de schaarste en de dorheid hebben uitgeput totdat hun handen stoffig zijn geworden van het weinige wat zij vinden en het vele wat zij hebben uitgegeven ter ondersteuning van de mensen.. help hen dan.
(32) "Wa-bshar" is van "bashira" op de maat van (fariḥa), "yabshar" (met fatḥa op de shīn); men zegt: "atānī amrun bashirtu bihi", dat wil zeggen ik verheugde mij erover. Hij zegt: Deel met hen in hun opgewektheid en hun vreugde over de vrijgevigheid, ondanks wat zij ondervinden aan de uitputting van de droogte. En "al-ḍank": de benauwenis. Hij zegt: wees met de edelen waar zij ook zijn, en daal met hen af op elke verblijfplaats waar hun edelmoedigheid hen heeft doen afdalen, in benauwenis en behoefte.
(33) Zie de uitleg van "bushrā" en "bishr" in wat eerder behandeld is, 1: 383 / 2: 393 / 3: 221 / 6: 287.
(34) Zijn dīwān: 301, en Ṭabaqāt fuḥūl al-shuʿarāʾ: 378, en andere. Uit zijn gedicht dat hij zei tegen Bishr ibn Marwān, en met hem was naar Irak gekomen Surāqa al-Bāriqī, en Bishr placht tweedracht te zaaien tussen de dichters; hij hitste Surāqa op tegen Jarīr totdat deze hem smaadde. Toen liet Jarīr Bishr met rust, ja prees hem zelfs, en greep Surāqa bij de keel om hem te wurgen totdat hij hem te schande maakte. En hij berispte Bishr met de berisping van wie zich onwetend voordoet omtrent de zaak van Bishr, terwijl hij die kent. En dit vers wijst daarop. In de gedrukte editie stond: "ḥuqqa li-bishrika al-tabshīr", en dat is door de onachtzaamheid van de uitgever, zoals zijn eerdere onachtzaamheid; en het juiste staat in het handschrift en de overige naslagwerken.
(35) In de gedrukte editie: "Hij bedoelt met Zijn woord, verheven is Zijn lof", en het juiste is volgens het handschrift.
(36) Het "afsnijden" (al-qaṭʿ): de toestandsbepaling (al-ḥāl), zoals meermaals voorbij is, het laatst blz. 327 aantekening 2, en de naslagwerken aldaar.
(37) In de gedrukte editie: "muṣaddiq... wa-ʿalā sunanihi", en ik heb vastgesteld wat in het handschrift staat.
(38) De neerwerping (al-sujūd) hier: de onderwerping, de buiging en de ootmoed, niet de neerwerping van het gebed en de aanbidding. De neerwerping van het gebed is slechts een overdrachtelijk gebruik (majāz) afgeleid van deze oorsprong, en zie de uitleg daarvan in wat eerder is, 2: 104, 105.
(39) Het is Abū ʿUbayda Maʿmar ibn al-Muthannā in zijn boek Majāz al-Qurʾān 1: 91.
(40) Het "vertalen" van de Koran (tarjamat al-Qurʾān) is zijn uitleg en zijn verduidelijking, en zie wat eerder is, 1: 70, aantekening 1, en zie de index van de termen. En aangezien Abū Jaʿfar dit als vermetelheid tegen de uitleg van het Boek van Allah rekent, zou ik wel willen weten wat hij dan zou zeggen over degenen die zich uit ons tijdperk hebben opgeworpen om het Boek van Allah aan te vallen met datgene waarbij de uitspraak van Abū ʿUbayda slechts als lofprijzing, vergiffenisvragen en toewijding in de aanbidding wordt gerekend!!
(41) Zie wat eerder is, 3: 319.
(42) Zijn dīwān: 116, en Majāz al-Qurʾān 1: 92, en Ṭabaqāt fuḥūl al-shuʿarāʾ: 432, en al-Lisān (ḥṣr) (sʾr) (swr), uit zijn gedicht dat hij zei tegen Yazīd ibn Muʿāwiya, toen deze hem [iets] weigerde nadat hij de Anṣār had gesmaad in een welbekend verhaal. En in het handschrift "murjiḥ bi-l-kaʾs", en dat is een fout. En "al-murbiḥ": degene die de handelaar winst geeft, hij bedoelt dat hij overdrijft in de prijs van de wijn zonder zich te bekommeren om wat hij eraan uitgeeft. En "al-sawwār": degene in wiens hersenen de wijn stijgt, zodat hij tegen zijn broeders en drinkmakkers tekeergaat met een kwaadaardig tekeergaan; en de wijn onthult bij hen de naturen van wie haar drinken. En wat de overlevering "saʾʾār" betreft die hij zal vermelden: die is van "al-suʾr": en dat is het restant van de wijn in de beker. Hij bedoelt dat hij een verslaafde drinker is, die niet aflaat van de wijn, en in zijn beker geen restant laat uit gebrek aan geduld, of uit slechte verdraagzaamheid van haar hevigheid.
(43) Zijn dīwān: 578, en Majāz al-Qurʾān 1: 92, en al-Lisān (ḥṣr) (sqṭ), en de overlevering van deze boeken, en in de gedrukte editie: "tasaqqaṭanī", veranderden wat in het handschrift staat, zoals ik het heb vastgesteld. "Tasaqqaṭahu" en "istasqaṭahu": hij speurde naar zijn misstap en zijn val, opdat hem iets ontsnapt waarmee hij wordt aangevat. Van "al-saqaṭ" (met twee fatḥa's): en dat is de fout in de uitspraak, of van "al-saqṭa" (met fatḥa dan sukūn): en dat is de struikeling en de uitglijding. En wat in het handschrift voorkomt: "tasāqaṭanī", dat acht ik goed. Het is goed te zeggen "sāqaṭahu" in de betekenis van "tasaqqaṭahu en istasqaṭahu", en alsof "al-siqāṭ" in de betekenis van de struikeling en de uitglijding de maṣdar is van "sāqaṭahu", en reeds zei Suwayd ibn Abī Kāhil:
Hoe hopen zij op mijn struikeling, nadat / het hoofd door grijsheid en kaalheid is overdekt?
Alsof hij hem de uitspraak betwist, totdat hij valt en uitglijdt, en dat is dezelfde betekenis als in "tasaqqaṭahu en istasqaṭahu", en wanneer het in het zuivere Arabisch toelaatbaar is, dan is er geen reden het te verwerpen. En in het handschrift liet de kopiist "Umayma" uit het vers weg en liet op die plaats een leegte, waarin hij een rood puntje plaatste.
(44) De overlevering 6981 - zie de aantekening bij de overlevering 6983.
(45) De ḥadīth 6983 - al-Ṭabarī heeft hem daarvoor overgeleverd: 6981, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyib: "Ibn al-ʿĀṣ heeft mij verteld..." - en hij vermeldde hem uitvoerig in opgaande [marfūʿ] vorm. Vervolgens leverde hij hem hier over op gezag van Ibn al-Musayyib, op gezag van Ibn al-ʿĀṣ - met de twijfel of het "ʿAbdallāh ibn ʿAmr" is of "zijn vader" - in stilstaande [mawqūf] vorm. En Ibn Kathīr heeft hem vermeld 2: 135, uit de overlevering van Ibn Abī Ḥātim - met deze twijfel - maar het is bij hem marfūʿ. Vervolgens vermeldde hij hem blz. 135-136, eveneens uit de overlevering van Ibn Abī Ḥātim "op gezag van ʿAbdallāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ" - in mawqūf vorm. En hij omschreef de marfūʿ als "zeer vreemd (gharīb jiddan)". Vervolgens zei hij na de mawqūf: "Deze mawqūf is gezonder van isnād dan de marfūʿ". En zo vermeldde ook al-Suyūṭī 2: 22 de marfūʿ en de mawqūf, en hij zei: "en hij is sterker van isnād dan de marfūʿ".
(46) Zie de uitleg van "al-ṣāliḥ" (de rechtschapene) in wat eerder behandeld is, 3: 91.
(47) Zie de uitleg van "al-nabī" (de profeet) in wat eerder behandeld is, 2: 140-142.
Dit, en op deze plaats eindigde een deel van de oude indeling waaruit onze kopie is overgeschreven, en hier werd geschreven wat als tekst luidt:
"Hierop volgt, indien Allah het wil, de bespreking van de uitleg van Zijn woord:
Hij zei: Mijn Heer, hoe zal ik een jongen krijgen terwijl de ouderdom mij heeft bereikt en mijn vrouw onvruchtbaar is.
En alle lof komt Allah alleen toe voor Zijn weldadigheid, en Allah zegene Mohammed en zijn familie en zijn metgezellen en schenke vrede."
Vervolgens volgt hierop wat als tekst luidt:
"In de naam van Allah, de Erbarmer, de Genadevolle.
Mijn Heer, maak het gemakkelijk.
Abū Jaʿfar Muḥammad ibn Jarīr al-Ṭabarī zei."