Tabari
Terug naar surah 3, ayah 29

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:29

قُلْ إِن تُخْفُوا۟ مَا فِى صُدُورِكُمْ أَوْ تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ ٱللَّهُ ۗ وَيَعْلَمُ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ ۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌۭ

Zeg (O Moehammad): "Of jullie verbergen wat in jullie harten is, of jullie laten het zien: Allah weet ervan. Hij kent wat er in de hemelen is en wat er op de aarde is. En Allah is Almachtig over alle zaken."

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van Zijn woord: قُلْ إِنْ تُخْفُوا مَا فِي صُدُورِكُمْ أَوْ تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ اللَّهُ وَيَعْلَمُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الأَرْضِ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ (29) ("Zeg: of gij verbergt wat in uw harten is of het openbaar maakt, Allah weet het; en Hij weet wat in de hemelen en wat op de aarde is; en Allah heeft macht over alle dingen").

    Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven zij Zijn lof, bedoelt daarmee: "qul" ("zeg"), o Mohammed (de Profeet ﷺ), tot degenen die Gij hebt bevolen om de ongelovigen (kāfir) niet tot bondgenoten te nemen in plaats van de gelovigen = "in tukhfū mā fī ṣudūrikum" ("indien gij verbergt wat in uw harten is") aan vriendschappelijke loyaliteit jegens de ongelovigen, en gij het geheimhoudt, of gij dat uit uw zielen openbaart met uw tongen en uw daden en het zichtbaar maakt = "yaʿlamhu Allāh" ("Allah weet het"), het blijft Hem niet verborgen. Hij zegt: koestert dus geen genegenheid voor hen en toont hun geen loyaliteit, want dan zal u van de bestraffing van uw Heer treffen wat gij niet kunt verdragen, omdat Hij uw verborgenheid en uw openlijkheid kent, zodat niets daarvan Hem verborgen blijft, en Hij houdt het tegen u bij, totdat Hij u ervoor vergeldt: het goede met goeds, en het kwade met het gelijke daarvan, zoals:

    6839 — Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, hij zei: Hij berichtte hun dat Hij weet wat zij daarvan in het geheim deden en wat zij openlijk deden, en Hij zei: "in tukhfū mā fī ṣudūrikum aw tubdūh" ("indien gij verbergt wat in uw harten is of het openbaar maakt").

    * * *

    En wat Zijn woord betreft: "wa-yaʿlamu mā fī al-samāwāti wa-mā fī al-arḍ" ("en Hij weet wat in de hemelen en wat op de aarde is"), het betekent dat, aangezien Hem niets verborgen blijft dat in een hemel of op een aarde is, of waar het ook is — hoe zou dan voor Hem verborgen blijven, o gij volk dat de ongelovigen tot bondgenoten neemt in plaats van de gelovigen, wat in uw harten is aan neiging tot hen met genegenheid en liefde, of wat gij hun toont aan hulp in daad en woord.

    * * *

    En wat Zijn woord betreft: "wa-Llāhu ʿalā kulli shayʾin qadīr" ("en Allah heeft macht over alle dingen"), het betekent: en Allah heeft de macht om u snel te bestraffen voor uw loyaliteit aan hen en uw ondersteuning van hen tegen de gelovigen, en voor al wat Hij wil aan zaken; niets dat Hij beoogt is Hem onmogelijk, en niets dat Hij verlangt is Hem ontoegankelijk.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : قُلْ إِنْ تُخْفُوا مَا فِي صُدُورِكُمْ أَوْ تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ اللَّهُ وَيَعْلَمُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الأَرْضِ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ (29) قال أبو جعفر: يعني بذلك جل ثناؤه: " قل " يا محمد، للذين أمرتهم أن لا يتخذوا الكافرين أولياء من دون المؤمنين =" إن تخفوا ما في صدوركم " من موالاة الكفار فتُسِرُّوه، أو تبدوا ذلكم من نفوسكم بألسنتكم وأفعالكم فتظهروه =" يعلمه الله "، فلا يخفى عليه. يقول: فلا تُضمروا لهم مودّةً ولا تظهروا لهم موالاة، فينالكم من عقوبة ربكم ما لا طاقة لكم به، لأنه يعلم سرّكم وعلانيتكم، فلا يخفى عليه شيء منه، وهو مُحصيه عليكم حتى يجازيَكم عليه بالإحسان إحسانًا، وبالسيئة مثلها، كما:- 6839 - حدثني موسى قال، حدثنا عمرو قال، حدثنا أسباط، عن السدي قال: أخبرهم أنه يعلم ما أسرّوا من ذلك وما أعلنوا، فقال: " إن تخفوا ما في صدوركم أو تبدوه ". * * * وأما قوله: " ويعلم ما في السموات وما في الأرض "، فإنه يعني أنه إذ كان لا يخفى عليه شيء هو في سماء أو أرض أو حيث كان، فكيف يخفى عليه - أيها القوم الذين يتخذون الكافرين أولياء من دون المؤمنين - ما في صدوركم من الميْل إليهم بالمودة والمحبة، أو ما تبدونه لهم بالمعونة فعلا وقولا. * * * وأما قوله: " والله على كل شيء قدير "، فإنه يعني: والله قديرٌ على معاجلتكم بالعقوبة على مُوالاتكم إياهم ومظاهرتكموهم على المؤمنين، وعلى ما يشاء من الأمور كلها، لا يتعذَّر عليه شيء أراده، ولا يمتنع عليه شيء طلبه.