Tabari
Terug naar surah 3, ayah 182

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:182

ذَٰلِكَ بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيكُمْ وَأَنَّ ٱللَّهَ لَيْسَ بِظَلَّامٍۢ لِّلْعَبِيدِ

Dat is vanwege hetgeen jullie handen deden en voorwaar, Allah is niet onrechtvaardig tegenover de dienaren.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    En wat Zijn woord betreft: "Dat is vanwege wat jullie handen tevoren hebben verricht" — dat wil zeggen: ons woord tot hen op de Dag der Opstanding, "Proeft de bestraffing van het verbranden", vanwege wat jullie handen tevoren hebben verricht en verworven gedurende de dagen van jullie leven in deze wereld; en omdat Allah rechtvaardig is en geen onrecht doet, zodat Hij een dienaar van Hem niet zou bestraffen zonder dat deze die bestraffing verdiend heeft, maar Hij vergeldt iedere ziel naar wat zij heeft verworven, en geeft iedere handelende de volle vergelding van wat hij heeft gedaan. Zo vergold Hij degenen tot wie Hij [dat] zei op de Dag der Opstanding — van de joden van wie Hij de gesteldheid beschreef, en over wie Hij berichtte dat zij zeiden: إِنَّ اللَّهَ فَقِيرٌ وَنَحْنُ أَغْنِيَاءُ (Voorwaar, Allah is arm en wij zijn rijk), en die de profeten zonder recht doodden — met datgene waarmee Hij hen vergold, namelijk de bestraffing van het verbranden, vanwege de zonden die zij verworven hadden, de slechte daden die zij begingen, en de leugens die zij over Allah verzonnen nadat hun door de waarschuwing geen verontschuldiging meer restte. Zo was Hij — verheven zij Zijn vermelding — met datgene waarmee Hij hen bestrafte, namelijk dat Hij hen de bestraffing van het verbranden deed proeven, geen onrechtdoener, noch iemand die Zijn bestraffing legt op wie haar niet verdient. Zo is Hij — geweldig is Zijn lof — voor niemand van Zijn schepselen onrechtvaardig, maar Hij is de Rechtvaardige onder hen, en de Begenadiger van hen allen met wat Hij wil van Zijn gunsten en weldaden.

    Toon originele Arabische tekst
    وأما قوله: " ذلك بما قدمت أيديكم "، أي: قولنا لهم يوم القيامة،" ذوقوا عذاب الحريق "، بما أسلفت أيديكم واكتسبتها أيام حياتكم في الدنيا، (10) وبأن الله عَدْل لا يجورُ فيعاقب عبدًا له بغير استحقاق منه العقوبةَ، ولكنه يجازي كل نفس بما كسبت، ويوفّي كل عامل جزاء ما عمل، فجازى الذين قال لهم [ذلك] يوم القيامة (11) = من اليهود الذين وصف صفتهم، فأخبر عنهم أنهم قالوا: إِنَّ اللَّهَ فَقِيرٌ وَنَحْنُ أَغْنِيَاءُ ، وقتلوا الأنبياء بغير حق = بما جازاهم به من عذاب الحريق، بما اكتسبوا من الآثام، واجترحوا من السيئات، وكذبوا على الله بعد الإعذار إليهم بالإنذار. فلم يكن تعالى ذكره بما عاقبهم به من إذاقتهم عذاب الحريق ظالمًا، ولا واضعًا عقوبته في غير أهلها. وكذلك هو جل ثناؤه، غيرُ ظلام أحدًا من خلقه، ولكنه العادل بينهم، والمتفضل على جميعهم بما أحبّ من فَوَاضله ونِعمه. ---------------------- الهوامش: (10) انظر تفسير"بما قدمت أيديهم" فيما سلف 2: 367 ، 368. (11) الزيادة بين القوسين لا بد منها لاستقامة الكلام ، ويعني بقوله: "الذي قال لهم ذلك" ، أي قال لهم: "ذوقوا عذاب الحريق". وسياق العبارة: "فجازى الذين قال لهم ذلك يوم القيامة. . . بما جازاهم به من عذاب الحريق".