Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:178
Laat degenen die ongelovig zijn niet denken dat Ons uitstel geven beter voor hen is: Wij geven hun slechts uitstel opdat hun zonden zullen toenemen en voor hen is er een vernederende bestraffing.
De uitspraak over de uitleg van Zijn woord: wa-lā yaḥsabanna alladhīna kafarū annamā numlī lahum khayrun li-anfusihim innamā numlī lahum li-yazdādū ithman wa-lahum ʿadhābun muhīn (178)
(En laat hen die ongelovig zijn niet menen dat het uitstel dat Wij hun verlenen beter is voor henzelf; Wij verlenen hun slechts uitstel opdat zij in zonde zullen toenemen, en voor hen is er een vernederende bestraffing) (3:178).
Abū Jaʿfar zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven is Zijn vermelding: laten zij die ongelovig zijn aan Allah en aan Zijn Boodschapper en aan wat hij van bij Allah heeft gebracht, niet menen dat Ons uitstel aan hen beter is voor henzelf.
* * *
Met "al-imlāʾ" (het uitstel) wordt bedoeld: het verlengen van de levensduur en het uitstellen van het levenseinde (ajal). Daartoe behoort ook Zijn woord, verheven is Zijn lof: wa-hjurnī maliyyan [Surah Maryam: 46], dat wil zeggen: voor een lange tijd. Daarvan is ook de uitdrukking afgeleid: "Moge je lang leven en lang van een geliefde genieten." En "al-malā" zelf betekent de tijd, en "al-malawān" betekent de nacht en de dag. Daarvan is ook het woord van Tamīm ibn Muqbil:
"Ach, o woningen van de stam bij as-Sabuʿān, de twee tijden (de nacht en de dag) hebben er met verval op ingeprent."
Hij bedoelt met "al-malawān" de nacht en de dag.
* * *
De recitatoren (qurrāʾ) hebben verschild over de recitatie van Zijn woord: "wa-lā taḥsabanna alladhīna kafarū annamā numlī lahum khayrun li-anfusihim".
Een groep onder hen reciteerde dit als (wa-lā yaḥsabanna) met de yāʾ, en met een fatḥa op de "alif" van Zijn woord "annamā", overeenkomstig de betekenis die ik in de uitleg ervan heb beschreven.
* * *
Anderen reciteerden het als (wa-lā taḥsabanna) met de tāʾ, en "annamā" eveneens met een fatḥa op de "alif" van "annamā", in de betekenis: en meen jij niet, o Muḥammad, dat Ons uitstel aan hen die ongelovig zijn beter is voor henzelf.
* * *
Als nu iemand zou vragen: wat is de reden waarom de "alif" van Zijn woord "annamā" met een fatḥa wordt gelezen in de recitatie van hem die met de tāʾ leest, terwijl je weet dat, wanneer dit met de tāʾ wordt gelezen, "taḥsabanna" werkzaam is gemaakt op "alladhīna kafarū", en wanneer je het daarop werkzaam maakt, het niet toegestaan is dat het op "annamā" valt, omdat "annamā" slechts beheerst kan worden door een werkende factor (ʿāmil) die op twee zaken werkt in de naṣb (accusatief)?
Dan wordt gezegd: wat het juiste in het Arabisch betreft en de bekende wijze van spreken uit de taal van de Arabieren, dat is de kasr van "inna" wanneer "taḥsabanna" met de tāʾ wordt gelezen, want wanneer "taḥsabanna" met de tāʾ wordt gelezen, dan heeft het "alladhīna kafarū" reeds in de naṣb gezet, en het is niet toegestaan dat het werkzaam is terwijl het reeds een naamwoord in de naṣb heeft gezet, namelijk bij "anna". Maar ik vermoed dat hij die dit met de tāʾ leest in "taḥsabanna" en met een fatḥa op de alif van "annamā", slechts de herhaling van "taḥsabanna" over "annamā" beoogde, alsof hij bedoelde dat de betekenis van de woorden is: en meen jij niet, o Muḥammad, ten aanzien van hen die ongelovig zijn, meen niet dat Ons uitstel aan hen beter is voor henzelf, zoals Hij, verheven is Zijn lof, zei: fa-hal yanẓurūna illā al-sāʿata an taʾtiyahum baghtatan [Surah Muḥammad: 18], met de uitleg: verwachten zij iets anders dan het Uur? Verwachten zij iets anders dan dat het hun plotseling overkomt? En dat is, ofschoon het een toelaatbare wijze in het Arabisch is, niettemin geldt dat de wijze van spreken der Arabieren is zoals wij eerder hebben beschreven.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En het juiste in de recitatie hiervan is volgens ons de recitatie van hem die leest: (wa-lā yaḥsabanna alladhīna kafarū) met de yāʾ in "yaḥsabanna", en met een fatḥa op de alif van "annamā", in de betekenis dat het menen wordt toegeschreven aan hen die ongelovig zijn en aan niemand anders; vervolgens werkt "yaḥsabanna" op "annamā" in de naṣb, omdat "yaḥsabanna" dan niet door iets bezet is waarop het reeds gewerkt heeft, en het verlangt twee naamwoorden in de naṣb.
Wij hebben dit gekozen vanwege de overeenstemming (ijmāʿ) van de recitatoren over de fatḥa op de "alif" van de eerste "annamā", en dat wijst erop dat de juiste recitatie in "yaḥsabanna" met de yāʾ is, om de reden die wij hebben beschreven.
Wat de alif van de tweede "innamā" betreft: daar geldt de kasr op grond van de aanvang (ibtidāʾ), volgens de overeenstemming van de recitatoren daarover.
* * *
De uitleg van Zijn woord "innamā numlī lahum li-yazdādū ithman" (Wij verlenen hun slechts uitstel opdat zij in zonde zullen toenemen): Wij stellen slechts hun levenseinden uit en verlengen die, opdat zij in zonde zullen toenemen. Hij zegt: opdat zij ongehoorzaamheden verwerven, zodat hun zonden toenemen en talrijk worden. En "wa-lahum ʿadhābun muhīn" (en voor hen is er een vernederende bestraffing), Hij zegt: en voor dezen die ongelovig zijn aan Allah en aan Zijn Boodschapper is er in het Hiernamaals een vernederende, vernederend makende bestraffing.
* * *
En overeenkomstig hetgeen wij hierover hebben gezegd, is de overlevering (athar) gekomen.
8267 - Muḥammad ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van al-Aʿmash, op gezag van Khaythama, op gezag van al-Aswad, die zei: ʿAbdallāh (Ibn Masʿūd) zei: Er is geen ziel, vroom noch verdorven, of de dood is beter voor haar. En hij reciteerde: "wa-lā yaḥsabanna alladhīna kafarū annamā numlī lahum khayrun li-anfusihim innamā numlī lahum li-yazdādū ithman", en hij reciteerde: nuzulan min ʿindi Allāhi wa-mā ʿinda Allāhi khayrun li-l-abrār [Surah Āl ʿImrān: 198] (als onthaal van bij Allah, en wat bij Allah is, is beter voor de vromen).