Tabari
Terug naar surah 3, ayah 135

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:135

وَٱلَّذِينَ إِذَا فَعَلُوا۟ فَٰحِشَةً أَوْ ظَلَمُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ ذَكَرُوا۟ ٱللَّهَ فَٱسْتَغْفَرُوا۟ لِذُنُوبِهِمْ وَمَن يَغْفِرُ ٱلذُّنُوبَ إِلَّا ٱللَّهُ وَلَمْ يُصِرُّوا۟ عَلَىٰ مَا فَعَلُوا۟ وَهُمْ يَعْلَمُونَ

En degenen die, als zij een zedeloosheid begaan hebben, of zichzelf onrecht aangedaan hebben, daarna Allah gedenken en dan vergeving voor hun zonden vragen, en niemand vergeeft de zonden behalve Allah En zij volharden niet in wat zij deden, terwijl zij (het) weten.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Zijn lof: الَّذِينَ يُنْفِقُونَ فِي السَّرَّاءِ وَالضَّرَّاءِ وَالْكَاظِمِينَ الْغَيْظَ وَالْعَافِينَ عَنِ النَّاسِ وَاللَّهُ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ (134) (Zij die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed, en zij die hun woede inhouden, en zij die de mensen vergeven; en Allah houdt van hen die het goede doen.)

    Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt met Zijn uitspraak: "zij die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed": het paradijs (janna), waarvan de breedte de hemelen en de aarde omvat, is bereid voor de godvrezenden, en zij zijn degenen die hun bezittingen uitgeven op de weg van Allah — hetzij door het te besteden aan een behoeftige, hetzij door het versterken van iemand die te zwak is om op te staan voor zijn jihād op de weg van Allah.

    * * *

    Wat betreft Zijn uitspraak "in voorspoed" (fī al-sarrāʾ), daarmee bedoelt Hij: in een toestand van blijdschap, met overvloed aan bezit en gemak van levensonderhoud.

    * * *

    "al-sarrāʾ" (voorspoed) is een verbaal substantief, afgeleid van hun uitspraak "deze zaak verheugde mij (sarranī) met een verheuging (masarra) en blijdschap (surūr)".

    * * *

    "al-ḍarrāʾ" (tegenspoed) is een verbaal substantief, afgeleid van hun uitspraak "die-en-die is in nood gebracht (ḍurra), zodat hij benadeeld wordt (yuḍarr)", wanneer hem letsel (ḍurr) treft, en dat is wanneer hem benauwdheid en zwoegen in zijn levensonderhoud treft.

    * * *

    7838 — Muḥammad ibn Saʿd heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn uitspraak: "zij die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed", hij zegt: in moeilijkheid en in gemak.

    * * *

    Zo deelde Hij, verheven is Zijn lof, mee dat het paradijs waarvan Hij de kenmerken heeft beschreven, bestemd is voor wie Hem vreest en zijn bezit uitgeeft in een toestand van gemak en ruimte, en in een toestand van benauwdheid en ontbering, op Zijn weg.

    * * *

    En Zijn uitspraak: "en zij die hun woede inhouden" (wa-l-kāẓimīna al-ghayẓ), betekent: en zij die de woede inslikken wanneer hun zielen ervan vol zijn.

    * * *

    Men zegt daarvan: "die-en-die hield zijn woede in (kaẓama)", wanneer hij die inslikt, en zo zichzelf weerhoudt van het ten uitvoer brengen van wat zij in staat is ten uitvoer te brengen — door macht uit te oefenen over wie haar woedend maakte en zich te wreken op wie haar onrecht aandeed.

    De oorsprong daarvan komt van "het vullen van de waterzak" (kaẓm al-qirba). Men zegt daarvan: "ik vulde de waterzak (kaẓamtu al-qirba)", wanneer ik haar vol water maakte. En "die-en-die is kaẓīm en makẓūm" wanneer hij vol is van verdriet en droefenis. En daarvan komt de uitspraak van Allah, machtig en verheven: وَابْيَضَّتْ عَيْنَاهُ مِنَ الْحُزْنِ فَهُوَ كَظِيمٌ [Sūrat Yūsuf: 84] (en zijn ogen werden wit van verdriet, want hij was vervuld van smart), wat betekent: vol van verdriet. En daarvan worden de waterlopen "al-kaẓāʾim" genoemd, vanwege hun gevuld zijn met water. En daarvan komt de uitspraak: "ik greep hem bij zijn kaẓam", wat betekent: bij de luchtwegen van zijn adem.

    * * *

    En "al-ghayẓ" (woede) is een verbaal substantief van de uitspraak van de spreker: "die-en-die maakte mij woedend (ghāẓanī), zodat hij mij woedend maakt (yaghīẓunī) met een woede (ghayẓan)", en dat is wanneer hij hem boos en kwaad maakt.

    * * *

    Wat betreft Zijn uitspraak: "en zij die de mensen vergeven", daarmee bedoelt Hij: en zij die de mensen kwijtschelden de bestraffing van hun zonden tegen hen, terwijl zij in staat zijn zich op hen te wreken, en die [bestraffing] dus voor hen achterwege laten.

    * * *

    Wat betreft Zijn uitspraak: "en Allah houdt van hen die het goede doen", daarmee bedoelt Hij: voorwaar, Allah houdt van wie deze zaken verricht waarvan Hij heeft beschreven dat Hij voor wie ze verricht het paradijs heeft bereid waarvan de breedte de hemelen en de aarde omvat. En degenen die ze verrichten, zij zijn "zij die het goede doen" (al-muḥsinūn), en hun weldoen is hun verrichten daarvan. Zoals:

    7839 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq: "zij die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed", de vers: "en zij die de mensen vergeven; en Allah houdt van hen die het goede doen", dat wil zeggen: en dat is het weldoen, en Ik houd van wie dat verricht.

    7840 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak: "zij die uitgeven in voorspoed en in tegenspoed, en zij die hun woede inhouden, en zij die de mensen vergeven; en Allah houdt van hen die het goede doen": het zijn mensen die uitgaven in moeilijkheid en gemak, in ontbering en in welstand. Wie dus in staat is het kwaad met het goede te overwinnen, laat hij dat doen — en er is geen kracht behalve door Allah. Voorwaar, bij Allah, voortreffelijk is het, o zoon van Ādam, de slok die je inslikt uit geduld terwijl je woedend bent en terwijl je onrecht wordt aangedaan.

    7841 — Mūsā ibn ʿAbd al-Raḥmān heeft mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn Bishr heeft ons verteld, hij zei: Muḥriz Abū Rajāʾ heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan, hij zei: Op de Dag der Opstanding zal gezegd worden: "Laat opstaan wie bij Allah een beloning tegoed heeft." Dan staat niemand op behalve een mens die heeft vergeven. Vervolgens reciteerde hij deze vers: "en zij die de mensen vergeven; en Allah houdt van hen die het goede doen".

    7842 — al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Dāwūd ibn Qays heeft ons bericht, op gezag van Zayd ibn Aslam, op gezag van een man uit de mensen van Syrië die ʿAbd al-Jalīl genoemd werd, op gezag van een oom van hem, op gezag van Abū Hurayra, betreffende Zijn uitspraak: "en zij die hun woede inhouden": dat de Profeet ﷺ zei: "Wie zijn woede inhoudt terwijl hij in staat is die ten uitvoer te brengen, Allah zal hem vervullen met veiligheid en geloof (īmān)."

    7843 — Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn uitspraak: "en zij die hun woede inhouden" tot aan "en Allah houdt van hen die het goede doen": "zij die hun woede inhouden" is als Zijn uitspraak: وَإِذَا مَا غَضِبُوا هُمْ يَغْفِرُونَ [Sūrat al-Shūrā: 37] (en wanneer zij woedend worden, vergeven zij), zij worden boos over een zaak waarmee, als zij die zouden begaan, zij iets verbodens zouden begaan, maar zij vergeven en schelden kwijt, daarmee het aangezicht van Allah zoekend. En "zij die de mensen vergeven" is als Zijn uitspraak: وَلا يَأْتَلِ أُولُو الْفَضْلِ مِنْكُمْ وَالسَّعَةِ tot aan أَلا تُحِبُّونَ أَنْ يَغْفِرَ اللَّهُ لَكُمْ [Sūrat al-Nūr: 22] (en laat de mensen van voortreffelijkheid en ruimte onder jullie niet zweren ... houden jullie er niet van dat Allah jullie vergeeft?), Hij zegt: zweert niet dat jullie hun niets van het levensonderhoud zullen geven, maar vergeeft en scheldt kwijt.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله جل ثناؤه : الَّذِينَ يُنْفِقُونَ فِي السَّرَّاءِ وَالضَّرَّاءِ وَالْكَاظِمِينَ الْغَيْظَ وَالْعَافِينَ عَنِ النَّاسِ وَاللَّهُ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ (134) قال أبو جعفر: يعني جل ثناؤه بقوله: " الذين ينفقون في السراء والضراء "، أعدت الجنة التي عرضها السموات والأرض للمتقين، وهم المنفقون أموالهم في سبيل الله، إما في صرفه على محتاج، وإما في تقوية مُضعِف على النهوض لجهاده في سبيل الله. (12) * * * وأما قوله: " في السراء "، فإنه يعني: في حال السرور، بكثرة المال ورخاء العيش * * * " والسراء " مصدر من قولهم " سرني هذا الأمر مسرَّة وسرورًا " * * * " والضراء " مصدر من قولهم: " قد ضُرّ فلان فهو يُضَرّ"، إذا أصابه الضُّر، وذلك إذا أصابه الضيق، والجهد في عيشه. (13) * * * 7838- حدثنا محمد بن سعد قال، حدثني أبي قال، حدثني عمي قال، حدثني أبي، عن أبيه، عن ابن عباس قوله: " الذين ينفقون في السراء والضراء "، يقول: في العسر واليسر. * * * فأخبر جل ثناؤه أن الجنة التي وصف صفتها، لمن اتقاه وأنفق ماله في حال الرخاء والسعة، (14) وفي حال الضيق والشدة، في سبيله. * * * وقوله: " والكاظمين الغيظ "، يعني: والجارعين الغيظ عند امتلاء نفوسهم منه. * * * يقال منه: " كظم فلان غيظه "، إذا تجرَّعه، فحفظ نفسه من أن تمضي ما هي قادرةٌ على إمضائه، باستمكانها ممن غاظها، وانتصارها ممن ظلمها. وأصل ذلك من " كظم القربة "، يقال منه: " كظمتُ القربة "، إذا ملأتها ماء. و " فلان كظيمٌ ومكظومٌ"، إذا كان ممتلئًا غمٌّا وحزنًا. ومنه قول الله عز وجل، وَابْيَضَّتْ عَيْنَاهُ مِنَ الْحُزْنِ فَهُوَ كَظِيمٌ [سورة يوسف: 84] يعني: ممتلئ من الحزن. ومنه قيل لمجاري المياه: " الكظائم "، لامتلائها بالماء. ومنه قيل: " أخذت بكَظَمِه " يعني: بمجاري نفسه. * * * و " الغيظ " مصدر من قول القائل: " غاظني فلان فهو يغيظني غيظًا "، وذلك إذا أحفظه وأغضبهُ. * * * وأما قوله: " والعافين عن الناس "، فإنه يعني: والصافحين عن الناس عقوبَةَ ذنوبهم إليهم وهم على الانتقام منهم قادرون، فتاركوها لهم. * * * وأما قوله: " والله يحب المحسنين "، فإنه يعني: فإن الله يحب من عمل بهذه الأمور التي وصف أنه أعدَّ للعاملين بها الجنة التي عرضُها السموات والأرض، والعاملون بها هم " احسنون "، وإحسانهم، هو عملهم بها،. كما:- 7839- حدثنا ابن حميد قال، حدثنا سلمة، عن ابن إسحاق: " الذين ينفقون في السراء والضراء " الآية: " والعافين عن الناس والله يحب المحسنين "، أي: وذلك الإحسان، وأنا أحب من عمل به. (15) 7840- حدثنا بشر قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد، عن قتادة، قوله: " الذين ينفقون في السراء والضراء والكاظمين الغيظ والعافين عن الناس والله يحب المحسنين "، قوم أنفقوا في العسر واليسر، والجهد والرخاء، فمن استطاع أن يغلب الشر بالخير فليفعل، ولا قوة إلا بالله. فنِعْمت والله يا ابن آدم، الجرعة تجترعها من صبر وأنت مغيظ، وأنت مظلومٌ. 7841- حدثني موسى بن عبد الرحمن قال، حدثنا محمد بن بشر قال، حدثنا محرز أبو رجاء، عن الحسن قال: يقال يوم القيامة: ليقم من كان له على الله أجر. فما يقوم إلا إنسان عفا، ثم قرأ هذه الآية: " والعافين عن الناس والله يحب المحسنين ". (16) 7842- حدثنا الحسن بن يحيى قال، أخبرنا عبد الرزاق قال، أخبرنا داود بن قيس، عن زيد بن أسلم، عن رجل من أهل الشام يقال له عبد الجليل، عن عم له، عن أبي هريرة في قوله: " والكاظمين الغيظ ": أن النبي صلى الله عليه وسلم قال: من كظم غيظًا وهو يقدر على إنفاذه، ملأه الله أمنًا وإيمانًا. (17) 7843- حدثني محمد بن سعد قال، حدثني أبي قال، حدثني عمي قال، حدثني أبي، عن أبيه، عن ابن عباس قوله: " والكاظمين الغيظ " إلى " والله يحب المحسنين "، فـ" الكاظمين الغيظ " كقوله: وَإِذَا مَا غَضِبُوا هُمْ يَغْفِرُونَ &; 7-217 &; [سورة الشورى: 37]، يغضبون في الأمر لو وقعوا به كان حرامًا، فيغفرون ويعفون، يلتمسون بذلك وجه الله =" والعافين عن الناس " كقوله: وَلا يَأْتَلِ أُولُو الْفَضْلِ مِنْكُمْ وَالسَّعَةِ إلى أَلا تُحِبُّونَ أَنْ يَغْفِرَ اللَّهُ لَكُمْ [سورة النور: 22]، يقول: لا تقسموا على أن لا تعطوهم من النفقة شيئًا واعفوا واصفحوا. ------------------------- الهوامش : (12) في المطبوعة: "للجهاد" ، بلامين ، وأثبت ما في المخطوطة. والمضعف: الذي قد ضعفت دابته. (13) انظر تفسير"الضراء" فيما سلف 3: 350 - 352. (14) في المخطوطة: "في حال الرضا" ، وكأنها صواب أيضًا. (15) الأثر: 7839- سيرة ابن هشام 3: 115 وهو من تمام الآثار التي آخرها: 7837. (16) الأثر: 7841-"موسى بن عبد الرحمن المسروقي" سلفت ترجمته برقم: 3345. و"محمد بن بشر بن الفرافصة العبدي" مضت ترجمته أيضًا برقم: 4557. و"محرز""أبو رجاء" هو"محرز بن عبد الله الجزري" ، مولى هشام بن عبد الملك. ذكره ابن حبان في الثقات وقال: "كان يدلس عن مكحول". (17) الحديث 7842- داود بن قيس الفراء: سبق توثيقه في: 5398. زيد بن أسلم: تابعي ثقة معروف ، مضى في 5465. وأما عبد الجليل ، الذي ذكر غير منسوب ، إلا بأنه من أهل الشام -: فإنه مجهول. وعمه أشد جهالة منه. وقد ذكره الذهبي في الميزان ، والحافظ في اللسان ، في ترجمة"عبد الجليل" ، وقالا: "قال البخاري: لا يتابع عليه". وترجمه ابن أبي حاتم 3 / 1 / 33 ، وقال: "روى عنه داود بن قيس. وقال بعضهم: عن داود ابن قيس ، عن زيد بن أسلم". أي كمثل رواية الطبري هنا. وهذا الإسناد ضعيف ، لجهالة اثنين من رواته. وقد نقله ابن كثير 2: 244 ، عن عبد الرزاق ، به. ونقله السيوطي 2: 71 - 72 ، ونسبه لعبد الرزاق ، والطبري وابن المنذر. وذكره في الجامع الصغير: 8997 ، ونسبه لابن أبي الدنيا في ذم الغضب؛ ولم ينسبه لغيره ، فكان عجبًا!! وفي معناه حديثان ، رواهما أبو داود: 4777 ، عن سهل بن معاذ بن أنس ، عن أبيه. و: 4778 ، عن سويد بن وهب ، عن رجل من أبناء الصحابة ، عن أبيه. وقد روى أحمد في المسند: 6114 ، عن علي بن عاصم ، عن يونس بن عبيد ، أخبرنا الحسن ، عن ابن عمر ، قال: قال رسول الله صلى الله عليه وسلم: ما تجرع عبد جرعة أفضل عند الله من جرعة غيظ ، يكظمها ابتغاء وجه الله تعالى". وهذا إسناد صحيح. ونقله ابن كثير 2: 244 ، من تفسير ابن مردويه. من طريق علي بن عاصم ، عن يونس بن عبيد ، به. ثم قال: "رواه ابن جرير. وكذا رواه ابن ماجه ، عن بشر بن عمر ، عن حماد بن سلمة ، عن يونس بن عبيد ، به". فنسبه ابن كثير -في هذا الموضع- لرواية الطبري. ولم يقع إلينا فيه في هذا الموضع. فلا ندري: أرواه ابن جرير في موضع آخر ، أم سقط هنا سهوًا من الناسخين؟ فلذلك أثبتناه في الشرح احتياطًا.