Tabari
Terug naar surah 3, ayah 119

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:119

هَٰٓأَنتُمْ أُو۟لَآءِ تُحِبُّونَهُمْ وَلَا يُحِبُّونَكُمْ وَتُؤْمِنُونَ بِٱلْكِتَٰبِ كُلِّهِۦ وَإِذَا لَقُوكُمْ قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا وَإِذَا خَلَوْا۟ عَضُّوا۟ عَلَيْكُمُ ٱلْأَنَامِلَ مِنَ ٱلْغَيْظِ ۚ قُلْ مُوتُوا۟ بِغَيْظِكُمْ ۗ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ

Ah, jullie zijn degenen die van hen houden, maar zij houden niet van jullie en jullie geloven in het gehele Boek. En als zij jullie ontmoeten, zeggen zij 'Wij geloven,' maar wanneer zij alleen zijn bijten zij de toppen van hun vingers af van woede. Zegt: "Sterft in jullie woede, Allah is op de hoogte van het binnenste van de harten."

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van de uitspraak van de Verhevene: يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لا تَتَّخِذُوا بِطَانَةً مِنْ دُونِكُمْ لا يَأْلُونَكُمْ خَبَالا وَدُّوا مَا عَنِتُّمْ ("O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring; zij verzuimen niets om jullie te bederven, zij wensen wat jullie schade berokkent.")

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven zij Zijn vermelding: o jullie die Allah en Zijn boodschapper voor waar gehouden hebben en beleden hebben wat hun profeet hun van bij hun Heer gebracht heeft — "neemt geen vertrouwelingen (biṭāna) buiten jullie eigen kring", Hij zegt: neemt voor jezelf geen bondgenoten en vrienden — "buiten jullie eigen kring", Hij zegt: buiten de mensen van jullie godsdienst en jullie geloofsgemeenschap, dat wil zeggen: van anderen dan de gelovigen.

    * * *

    Hij heeft het woord "biṭāna" (vertrouweling, letterlijk: voering) als beeld gemaakt voor de boezemvriend van een mens, en heeft hem vergeleken met het kledingstuk dat dicht tegen zijn buik aanligt, vanwege zijn nabijheid tot hem — in zijn inzicht in zijn geheimen en in datgene wat hij verbergt voor wie ver van hem staan en voor velen van zijn naasten — gelijk de plaats van het kledingstuk dat dicht tegen zijn lichaam aanligt.

    * * *

    Allah verbood de gelovigen in Hem om uit de ongelovigen in Hem boezemvrienden en uitverkorenen te nemen, en deelde hun vervolgens mede wat dezen jegens hen in zich dragen aan bedrog en verraad, en hun nastreven van rampspoed voor hen. Zo waarschuwde Hij hen daarmee voor hen en voor het aanknopen van vriendschap met hen, (12) en zei, verheven zij Zijn vermelding: "Zij verzuimen niets om jullie te bederven (lā yaʾlūnakum khabālan)", dat wil zeggen: zij sparen geen moeite om jullie kwaad te doen. Dit is afgeleid van "alawtu, ālū, alwan"; men zegt: "mā alā fulānun kadhā", dat wil zeggen: hij liet het niet na / spaarde geen moeite, zoals de dichter zei: (13)

    Een halfblinde [ooi] die niet verzuimt, wanneer zij naar voren komt, mij van haar gezicht te bezien, noch mij van armoede vrijwaart (14)

    Dat wil zeggen: zij kan tegen de middag niet zien.

    * * *

    Met Zijn uitspraak, verheven zij Zijn vermelding, "Zij verzuimen niets om jullie te bederven", bedoelt Hij de vertrouwelingen die Hij de gelovigen verboden heeft buiten hun eigen kring te nemen. Hij zegt: deze vertrouwelingen sparen voor jullie hun kunnen tot bederf niet, dat wil zeggen: zij laten geen moeite na in datgene wat jullie bederf brengt. (15)

    * * *

    De grondbetekenis van "al-khabl" en "al-khabāl" is bederf; vervolgens wordt het in vele betekenissen gebruikt. Dat blijkt uit de overlevering van de Profeet ﷺ:

    7679 — "Wie getroffen wordt door khabl — of: door verwonding." (16)

    * * *

    Wat betreft Zijn uitspraak: "Zij wensen wat jullie schade berokkent (waddū mā ʿanittum)" — dit betekent: zij wensen jullie ondergang en kwelling. Hij zegt: zij wensen voor jullie ellende en kwaad in jullie godsdienst en datgene wat jullie deert en niet verblijdt. (17)

    * * *

    Er is vermeld dat deze aya werd geopenbaard betreffende een groep moslims die omgingen met hun bondgenoten onder de Joden en de hypocrieten onder hen, en hun genegenheid betoonden vanwege de banden die er in hun tijd van onwetendheid (jāhiliyya) vóór de islam tussen hen bestonden. Allah verbood hun dat, en verbood hun dezen in enige van hun aangelegenheden om raad te vragen.

    * Vermelding van wie dat zei:

    7680 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, hij zei: Muḥammad ibn Abī Muḥammad zei, op gezag van ʿIkrima of op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās, hij zei: Er waren mannen onder de moslims die banden onderhielden met mannen onder de Joden, vanwege het nabuurschap en het bondgenootschap dat in de jāhiliyya tussen hen bestond. Toen openbaarde Allah, machtig en verheven, betreffende hen, hen verbiedend om vertrouwelijk met hen om te gaan (18), uit vrees voor de verzoeking (fitna) die hun van hen kon komen: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring", tot aan Zijn uitspraak: وَتُؤْمِنُونَ بِالْكِتَابِ كُلِّهِ ("terwijl jullie in het hele Boek geloven"). (19)

    7681 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, betreffende de uitspraak van Allah, machtig en verheven: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring; zij verzuimen niets om jullie te bederven" — [dit gaat] over de hypocrieten onder de bewoners van Medina. Allah, machtig en verheven, verbood de gelovigen hen tot bondgenoten te nemen.

    7682 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring; zij verzuimen niets om jullie te bederven, zij wensen wat jullie schade berokkent" — Allah, machtig en verheven, verbood de gelovigen de hypocrieten binnen te halen (20), of hen tot broeders te nemen, of hen tot bondgenoten te nemen met uitsluiting van de gelovigen. (21)

    7683 — Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn uitspraak: "Neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring" — dat zijn de hypocrieten.

    7684 — Mij werd verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, betreffende Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring; zij verzuimen niets om jullie te bederven" — Hij zegt: haalt de hypocrieten niet binnen (22), terwijl jullie hen tot bondgenoten nemen met uitsluiting van de gelovigen.

    7685 — Abū Kurayb en Yaʿqūb ibn Ibrāhīm hebben ons verteld, beiden zeiden: Hushaym heeft ons verteld, hij zei: al-ʿAwwām ibn Ḥawshab heeft ons bericht, op gezag van al-Azhar ibn Rāshid, op gezag van Anas ibn Mālik, hij zei: De boodschapper van Allah ﷺ zei: "Verlicht jullie niet met het vuur van de mensen van shirk, en graveert in jullie zegelringen niet 'ʿarabī'." Hij zei: wij wisten niet wat dat betekende, totdat zij bij al-Ḥasan kwamen en het hem vroegen, waarop hij zei: ja. Wat betreft zijn uitspraak "graveert in jullie zegelringen niet 'ʿarabī'" — daarmee zegt hij: graveert in jullie zegelringen niet 'Muḥammad'. En wat betreft zijn uitspraak "verlicht jullie niet met het vuur van de mensen van shirk" — daarmee bedoelt hij de polytheïsten (mushrikīn); hij zegt: raadpleegt hen niet in enige van jullie aangelegenheden. Hij zei: al-Ḥasan zei: en de bevestiging daarvan staat in het Boek van Allah, en vervolgens reciteerde hij deze aya: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring." (23)

    7686 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring" — wat betreft de "biṭāna" (vertrouwelingen): dat zijn de hypocrieten.

    7687 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, betreffende Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring" — de [hele] aya: hij zei: de gelovige neemt de hypocriet niet als vertrouweling met uitsluiting van zijn broeder. (24)

    7688 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen buiten jullie eigen kring" — de [hele] aya: hij zei: dat zijn de hypocrieten. En hij reciteerde Zijn uitspraak: قَدْ بَدَتِ الْبَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ de [hele] aya ("Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken").

    * * *

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: En zij verschilden van mening over de uitleg van Zijn uitspraak: "Zij wensen wat jullie schade berokkent."

    Sommigen van hen zeiden, de betekenis daarvan is: zij wensen dat jullie afdwalen van jullie godsdienst. (25)

    * Vermelding van wie dat zei:

    7689 — Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "Zij wensen wat jullie schade berokkent" — hij zegt: [zij wensen] dat jullie afdwalen.

    * * *

    En anderen zeiden, zoals:

    7690 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: "Zij wensen wat jullie schade berokkent" — hij zegt: in jullie godsdienst, dat wil zeggen: zij wensen dat jullie in moeilijkheden geraken in jullie godsdienst.

    * * *

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Indien iemand tot ons zou zeggen: hoe komt het dat gezegd is "waddū mā ʿanittum" (zij wensten wat jullie schade berokkende), waarbij de mededeling over de "biṭāna" in de verleden tijd gegeven wordt op de plaats van een toestand (ḥāl), als bijstelling na de voltooiing van de mededeling, terwijl toestanden (ḥālāt) uitsluitend tot stand komen door de vormen van namen en van werkwoorden in de toekomende tijd, en niet door die in de verleden tijd? (26)

    — dan wordt geantwoord: het is daarmee niet zoals jij vermoedt, namelijk dat Zijn uitspraak "waddū mā ʿanittum" een toestand (ḥāl) is van de "biṭāna". Het is veeleer een tweede mededeling over hen, losgekoppeld van de eerste en niet daarmee verbonden. De uitleg van het betoog is namelijk: o jullie die geloven, neemt geen vertrouwelingen wier kenmerk zus is, wier kenmerk zo is. De mededeling over het tweede kenmerk is dus niet verbonden met het eerste kenmerk, ook al behoren zij beide tot de kenmerken van één en dezelfde persoon.

    * * *

    Sommige Arabisch-taalgeleerden hebben beweerd dat Zijn uitspraak "waddū mā ʿanittum" tot de bepaling (ṣila) van de "biṭāna" behoort, terwijl deze [reeds] van een bepaling voorzien is door Zijn uitspraak "lā yaʾlūnakum khabālan"; er is dan geen grond voor een tweede bepaling na de voltooiing van de "biṭāna" met haar bepaling. (27) Maar het juiste hierin is zoals wij eerder hebben uiteengezet, namelijk dat Zijn uitspraak "waddū mā ʿanittum" een nieuwe, op zichzelf staande mededeling is over de "biṭāna", anders dan de eerste mededeling, en geen toestand (ḥāl) van de "biṭāna" en geen bijstelling daarvan. (28)

    * * *

    Het woord over de uitleg van de uitspraak van de Verhevene: قَدْ بَدَتِ الْبَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ ("Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken.")

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven zij Zijn lof: reeds is de afkeer gebleken van dezen die ik jullie, o gelovigen, verboden heb tot vertrouwelingen voor jullie te nemen buiten jullie eigen kring — "uit hun monden", dat wil zeggen: met hun tongen. En datgene wat hun van hen [d.w.z. van die vertrouwelingen] door hun tongen openbaar werd (29), is hun volharden in hun ongeloof en hun vijandschap jegens wie afwijkt van de dwaling waarin zij volharden. Dat is een van de sterkste oorzaken van hun vijandschap jegens de mensen van het geloof, want dat is een vijandschap omwille van de godsdienst, en de vijandschap omwille van de godsdienst is de vijandschap die niet wijkt tenzij door de overgang van een van de beide vijanden naar de geloofsgemeenschap van de ander — en dat is een overgang van leiding [in het geval van de gelovige] naar een dwaling die voor degene naar wie hij overgaat reeds vóór dat moment een dwaling was. Zo lag er in hun openbaring daarvan aan de gelovigen, en in hun volharding daarin, de duidelijkste aanwijzing voor de mensen van het geloof omtrent de afkeer en vijandschap waarin zij verkeren.

    * * *

    Sommigen hebben gezegd: de betekenis van Zijn uitspraak "Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken" is: reeds is hun afkeer jegens de mensen van het geloof gebleken aan hun bondgenoten onder de hypocrieten en de mensen van ongeloof, doordat zij elkaar daarvan op de hoogte stelden. En de aanhangers van deze opvatting beweerden dat zij die met deze aya bedoeld worden de hypocrieten zijn, en niet wie openlijk ongeloof beleed onder de Joden en de mensen van shirk.

    * Vermelding van wie dat zei:

    7691 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak: "Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken" — hij zegt: reeds is de afkeer gebleken uit de monden van de hypocrieten jegens hun broeders onder de ongelovigen, in hun bedrog jegens de islam en zijn mensen, en hun afkeer van hen.

    7692 — Mij werd verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ: "Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken" — hij zegt: uit de monden van de hypocrieten.

    * * *

    Deze uitspraak die wij van Qatāda hebben overgeleverd is een uitspraak die geen grond heeft. Dat is omdat Allah, verheven zij Zijn vermelding, de gelovigen slechts verbood vertrouwelingen te nemen uit hen die zij reeds hadden leren kennen als bedriegers jegens de islam en zijn mensen en als vol afkeer — hetzij door duidelijke aanwijzingen die erop wijzen dat dit tot hun kenmerken behoort, hetzij doordat zij die hiermee gekenmerkt zijn vijandschap, haat en openlijke tegenstand jegens hen aan de dag legden. Wat betreft degenen die zij niet met zekerheid herkend hadden als degene voor wie Allah, machtig en verheven, hen verboden had vriendschap en vertrouwelijke omgang aan te gaan (30) — het is niet toelaatbaar dat zij verboden zouden zijn met hen vriendschap en omgang aan te gaan, behalve nadat zij hun bekendgemaakt waren, hetzij bij hun personen en hun namen, hetzij door kenmerken waaraan zij hen herkend hadden.

    En daar dit zo is — en daar het openbaar maken door de hypocrieten met hun tongen van wat in hun harten leeft aan afkeer jegens de gelovigen, [maar dan] aan hun broeders onder de ongelovigen, voor de gelovigen geen kennis verschaft van wat dezen jegens hen koesteren, te meer daar zij met hun tongen geloof jegens hen voorwenden en genegenheid jegens hen betuigen — zo was het duidelijk dat zij die Allah de gelovigen verboden heeft tot vertrouwelingen voor zichzelf te nemen buiten hun eigen kring, degenen zijn wier afkeer hun door hun tongen openbaar geworden is, overeenkomstig hetgeen waarmee Allah, machtig en verheven, hen gekenmerkt heeft, zodat de gelovigen hen herkenden aan het kenmerk waarmee Allah hen aangeduid heeft. En zij zijn degenen die de Verhevene, verheven zij Zijn vermelding, gekenmerkt heeft als de bewoners van het Vuur, die daarin eeuwig verblijven — van hen die een beschermovereenkomst (dhimma) en een verbond hadden van de boodschapper van Allah ﷺ en zijn metgezellen, onder de Mensen van het Boek. Want indien zij de hypocrieten waren, dan zou de zaak omtrent hen zijn zoals wij hebben uiteengezet. En indien zij de ongelovigen waren die de gelovigen in de strijd openlijk bevochten, dan zouden de gelovigen hen niet voor zichzelf tot vertrouwelingen genomen hebben met uitsluiting van de gelovigen, gezien het verschil in hun landen en de verspreiding van hun steden. Het zijn veeleer degenen die zich te midden van de gelovigen bevonden, onder de Mensen van het Boek, in de dagen van de boodschapper van Allah ﷺ — van hen die van de boodschapper van Allah ﷺ een verbond en een overeenkomst hadden, namelijk de Joden van de Banū Isrāʾīl.

    * * *

    En "al-baghḍāʾ" (de afkeer) is een verbaalsubstantief (maṣdar). Er is vermeld dat het in de lezing van ʿAbd Allāh ibn Masʿūd luidt: (قَدْ بَدَا الْبَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ) ("Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken"), in de mannelijke vorm [van het werkwoord badā]. Dit is in de mannelijke vorm toegestaan, hoewel het woord [baghḍāʾ] een vrouwelijke vorm heeft, omdat het vrouwelijke geslacht van de verbaalsubstantieven geen verplicht vrouwelijk geslacht is, zodat het toelaatbaar is om wat ervan in de vrouwelijke vorm verschijnt zowel mannelijk als vrouwelijk te behandelen, zoals Hij, machtig en verheven, zei: وَأَخَذَ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ [Surah Hūd: 67] ("En de Schreeuw greep hen die onrecht pleegden" — met mannelijk werkwoord), en zoals Hij zei: فَقَدْ جَاءَكُمْ بَيِّنَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ [Surah al-Anʿām: 157] ("Reeds is een duidelijk bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen" — met mannelijk werkwoord), terwijl Hij op een andere plaats zei: وَأَخَذَتِ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ [Surah Hūd: 94] (met vrouwelijk werkwoord) en قَدْ جَاءَتْكُمْ بَيِّنَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ [Surah al-Aʿrāf: 73, 85] (met vrouwelijk werkwoord). (31)

    * * *

    En Hij zei: "uit hun monden", terwijl datgene wat aan afkeer gebleken is, slechts door hun tongen gebleken is, omdat hiermee bedoeld wordt de spraak die voor de gelovigen uit hun monden openbaar werd. Daarom zei Hij: "Reeds is de afkeer uit hun monden gebleken", [dat wil zeggen] door hun tongen.

    * * *

    Het woord over de uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَمَا تُخْفِي صُدُورُهُمْ أَكْبَرُ ("En wat hun borsten verbergen is groter.")

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven zij Zijn vermelding: en datgene wat hun borsten verbergen — dat wil zeggen: de borsten van dezen die Hij hun verboden heeft tot vertrouwelingen te nemen — en het dus voor jullie verbergen, o gelovigen — "is groter", Hij zegt: groter en geweldiger dan wat hun reeds door hun tongen uit hun monden aan afkeer openbaar geworden is. Zoals:

    7693 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak: "En wat hun borsten verbergen is groter" — hij zegt: en wat hun borsten verbergen is groter dan wat zij met hun tongen openbaar gemaakt hebben.

    7694 — Mij werd verteld op gezag van ʿAmmār, op gezag van Ibn Abī Jaʿfar, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, betreffende Zijn uitspraak: "En wat hun borsten verbergen is groter" — hij zegt: wat hun borsten verborgen houden is groter dan wat zij met hun tongen openbaar gemaakt hebben.

    * * *

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: قَدْ بَيَّنَّا لَكُمُ الآيَاتِ إِنْ كُنْتُمْ تَعْقِلُونَ (118) ("Wij hebben jullie de tekenen reeds duidelijk gemaakt, indien jullie verstand hebben.") (3:118)

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven zij Zijn lof: "Wij hebben jullie reeds duidelijk gemaakt", o gelovigen — "de tekenen", met "de tekenen (āyāt)" bedoelt Hij de lessen (ʿibar). Wij hebben jullie omtrent de zaak van deze Joden, die wij jullie verboden hebben tot vertrouwelingen te nemen met uitsluiting van de gelovigen, dat reeds duidelijk gemaakt waarmee jullie lering en vermaning kunnen trekken uit hun zaak — "indien jullie verstand hebben", dat wil zeggen: indien jullie van Allah Zijn vermaningen en Zijn gebod en verbod begrijpen, en de plaatsen kennen waar het nut daarvan voor jullie ligt, en de mate van het profijt dat het jullie oplevert.

    ---------------------

    Voetnoten:

    (12) In de gedrukte uitgave staat "fa-ḥadhdharahum bi-dhālika minhum ʿan mukhāllatihim", met opheffing van de assimilatie van de lām en weglating van de wāw vóór "ʿan", en in het manuscript staat "wa-ʿan mukhālatihim". Het juiste in de lezing ervan is wat ik heb vastgesteld, tenzij er uit het betoog "nahāhum" is weggevallen, zodat het zou luiden "wa-nahāhum ʿan mukhālatihim".

    (13) Dit is Abū l-ʿIyāl al-Hudhalī.

    (14) Dīwān al-Hudhaliyyīn 2: 263, al-Ḥayawān 3: 535, al-Maʿānī al-kabīr: 690, al-Lisān (alā) (jahr). Het behoort tot fraaie poëzie in de dichterwedstrijden tussen hem en Badr ibn ʿĀmir al-Hudhalī. Badr ibn ʿĀmir dichtte enkele verzen toen hem ter ore kwam dat een neef van Abū l-ʿIyāl het met diens tegenstanders hield; hij verloochende dat en beweerde dat hij niet iemand was die zijn broeder Abū l-ʿIyāl kwaad zou doen, maar Abū l-ʿIyāl achtte hem leugenachtig, waarop Badr zich haastte hem te weerleggen. Het is alles goede poëzie naar haar betekenis. Abū l-ʿIyāl vergeleek de poëzie van Badr daarin en in de lof op hem met een ooi, en zei tot hem:

    Jij hebt gezworen de jeugd van een gedicht nooit te vergeten — nooit! Maar wat is dit dat mij doet vergeten? Voorwaar, jij zult haar vergeten en weten dat zij slechts volgeling is van een weerbarstige, weerspannige [ooi]. Jij schonk mij [een ooi] en ik nam genoegen met de tooi van mijn geschenk, maar zie, bij jouw vader, het was een waanbeeld van waanzin. Een halfblinde [ooi] die niet verzuimt... ....................................

    En "al-jahrāʾ" is degene die niet ziet in de zon, hetgeen een zwakte in het gezichtsvermogen is. En men zegt "ʿāla yaʿīlu ʿaylan wa-ʿaylatan": hij werd arm. Hij zegt: jij hebt mij poëzie, lof en woorden geschonken en ik nam er genoegen mee, maar zie, vervolgens is er niets dan woord en spraak; wanneer de zaak onthuld en duidelijk wordt, verblindt deze poëzie en dooft uit, en wanneer het er werkelijk op aankomt, baat jouw woord niets, maar ben jij zoals ik je zojuist gezegd heb:

    Voorwaar, ik heb je gadegeslagen in alle bijeenkomsten, en zie, terwijl jij wie mij begeert te kwetsen bijstaat...

    (15) Abū Jaʿfar is wel ver afgedwaald in zijn gekunsteldheid in de uitleg van "lā yaʾlūnakum", want de uiteenzetting van de taalgeleerden over de betekenis van dit woord in het Arabisch is juister en vollediger dan zijn uiteenzetting. Zij vermeldden de betekenis die hij vermeldde en zeiden vervolgens: "mā alawtu dhālika: dat wil zeggen, ik kon het niet; en mā alawtu an afʿalahu: dat wil zeggen, ik liet niet na het te doen", en zij zeiden: "het behoort tot de tegengestelden (aḍdād): alā: hij werd traag en zwak — en alā: hij spande zich in." Raadpleeg dat in de boeken over het Arabisch.

    (16) De overlevering 7679 — Abū Jaʿfar heeft haar zonder isnād overgeleverd. Aḥmad heeft haar in zijn Musnad 4: 31 overgeleverd, en al-Bayhaqī in al-Sunan 8: 53. De overlevering van Aḥmad loopt via zijn leermeester "Muḥammad ibn Salama al-Ḥarrānī, op gezag van Ibn Isḥāq" — en Yazīd ibn Hārūn zei: Muḥammad ibn Isḥāq heeft ons bericht — "op gezag van al-Ḥārith ibn Fuḍayl, op gezag van Fuḍayl, op gezag van Sufyān ibn Abī l-ʿAwjāʾ" — Yazīd zei: al-Sulamī — "op gezag van Abū Shurayḥ al-Khuzāʿī, hij zei: De boodschapper van Allah ﷺ zei" — en Yazīd zei: ik hoorde de boodschapper van Allah ﷺ zeggen —: "Wie getroffen wordt door [vergoten] bloed of door khabl — al-khabl betekent: de verwonding — die heeft de keus tussen een van drie: ofwel hij oefent vergelding uit (qiṣāṣ), ofwel hij neemt het bloedgeld (al-ʿaql), ofwel hij scheldt kwijt. En indien hij een vierde [optie] verlangt, grijpt dan zijn hand. En indien hij iets daarvan doet en daarna [opnieuw] zijn perken te buiten gaat en doodt, dan is voor hem het Vuur, waarin hij eeuwig en altijddurend verblijft." Met "al-dam" (bloed) bedoelt hij het doden van een mens, en met "al-khabl" of "al-jirāḥ": het afsnijden van een lichaamsdeel. Ik heb wat bij al-Ṭabarī staat in zijn oorspronkelijke staat gelaten: "aw jirāḥ" (of verwonding), en met de interpunctie aangegeven dat het als het ware een andere overlevering is in zijn uitspraak "khabl", als twijfel van de overleveraar. Maar de strekking van de overlevering doet mij vermoeden dat het "ay: jirāḥ" (dat wil zeggen: verwonding) is, want in de overlevering zelf is "al-khabl" met "al-jirāḥ" (verwonding) verklaard.

    (17) Zie de uitleg van "al-ʿanat" eerder, 4: 358-361.

    (18) In de gedrukte uitgave staat "fa-nahāhum" met de fāʾ aan het begin; het juiste is wat in het manuscript en bij Ibn Hishām staat.

    (19) De overlevering 7680 — Sīrat Ibn Hishām 2: 207. Zij volgt op de twee voorgaande overleveringen met de nummers 7644, 7645.

    (20) Zijn uitspraak "yastadkhilū" betekent: hen tot vertrouwelingen nemen. "Istadkhalahu": hij nam hem tot ingewijde (dakhīl), zoals men zegt "istaṣḥabahu": hij nam hem tot metgezel. En "al-dakhīl" en "al-mudākhil" is degene die de man in al zijn aangelegenheden binnendringt. Deze vorm "istadkhalahu" is iets wat de taalkundeboeken verwaarloosd hebben, terwijl het zuiver en stevig geworteld Arabisch is, zoals je ziet.

    (21) In de gedrukte uitgave staat "ay yatawallawhum"; in het manuscript staat "an yatawallawhum"; het juiste is wat ik heb vastgesteld.

    (22) Zie blz. 141, voetnoot 3.

    (23) De overlevering 7685 — al-Azhar ibn Rāshid al-Baṣrī: betrouwbaar (thiqa). Al-Bukhārī heeft hem in al-Kabīr 1/1/455 een biografie gegeven, en Ibn Abī Ḥātim 1/1/313 — zonder daarin enige kritiek (jarḥ) te vermelden. Er is een andere overleveraar genaamd "al-Azhar ibn Rāshid al-Kāhilī", die uit Kufa is en een ander is dan de Baṣrī, en later dan hij. Ook hem hebben al-Bukhārī en Ibn Abī Ḥātim een biografie gegeven. Want van de Baṣrī levert "al-ʿAwwām ibn Ḥawshab" over, die in het jaar 148 overleed, en van de Kufische al-Kāhilī levert "Marwān ibn Muʿāwiya al-Fazārī" over, die in het jaar 193 overleed. En Marwān ibn Muʿāwiya behoort tot de leermeesters van Aḥmad, terwijl al-ʿAwwām ibn Ḥawshab behoort tot de leermeesters van zijn leermeesters. Wat een verschil tussen deze en gene! En ondanks dit duidelijke verschil heeft de ḥāfiẓ al-Mizzī zich vergist en in al-Tahdhīb al-Kabīr vermeld dat Abū Ḥātim over de Baṣrī zei: "onbekend (majhūl)". En de ḥāfiẓ [Ibn Ḥajar] volgde hem daarin in Tahdhīb al-Tahdhīb, en al-Dhahabī in al-Mīzān. En het maakte de verwarring nog erger, want hij vermeldde dat Ibn Maʿīn hem zwak verklaarde. Maar Ibn Maʿīn en Abū Ḥātim zeiden dat slechts over de Kufische al-Kāhilī. Want Ibn Abī Ḥātim leverde over in de biografie van "al-Kāhilī" 1/1/313, nr. 1180, op gezag van Ibn Maʿīn, hij zei: "Azhar ibn Rāshid, van wie Marwān ibn Muʿāwiya overleverde: zwak (ḍaʿīf)." Vervolgens zei hij: "Ik vroeg mijn vader naar Azhar ibn Rāshid? Hij zei: hij is onbekend (majhūl)." En de ḥāfiẓ Ibn Ḥajar onderzocht het niet grondig en de uiteenzetting in de twee biografieën raakte voor hem dooreen, want hij zei in de biografie van "al-Kāhilī" — na de biografie van "al-Baṣrī" —: "ik vrees dat zij één en dezelfde zijn! Maar Ibn Maʿīn maakte onderscheid tussen hen." En het onderscheid tussen hen is als de zon. De overlevering heeft Aḥmad in de Musnad overgeleverd: 11978 (deel 3, blz. 99, Ḥalabī-editie), op gezag van Hushaym, met deze isnād — zonder de woorden van al-Ḥasan, namelijk al-Baṣrī. En al-Bukhārī heeft haar evenzo overgeleverd in al-Kabīr 1/1/455 — zonder de woorden van al-Ḥasan, op gezag van Musaddad, op gezag van Hushaym, ermee. Vervolgens verklaarde al-Bukhārī een deel ervan en zei: "Abū ʿAbd Allāh [dat is al-Bukhārī zelf] zei: 'ʿarabī' betekent 'Muḥammad rasūl Allāh'. Hij zegt: schrijft niet hetzelfde als de zegel van de Profeet: 'Muḥammad rasūl Allāh'." En Abū Yaʿlā heeft haar uitvoerig overgeleverd — als de overlevering van al-Ṭabarī of iets langer — met daarin de woorden van al-Ḥasan. Hij leverde haar over op gezag van Isḥāq ibn Isrāʾīl, op gezag van Hushaym, met deze isnād. Ibn Kathīr nam haar van hem over 2: 227 en zei vervolgens: "Aldus heeft de ḥāfiẓ Abū Yaʿlā, Allah's barmhartigheid zij met hem, haar overgeleverd. En al-Nasāʾī heeft haar overgeleverd op gezag van Mujāhid ibn Mūsā, op gezag van Hushaym, ermee. En de imam Aḥmad heeft haar overgeleverd op gezag van Hushaym, met zijn isnād als de zijne, zonder de uitleg van al-Ḥasan al-Baṣrī te vermelden. En deze uitleg is twijfelachtig" — tot het einde van wat hij zei. En ik heb haar niet aangetroffen in de Sunan van al-Nasāʾī; misschien staat zij in de Sunan al-Kubrā. En al-Suyūṭī vermeldde haar 2: 66 en schreef haar bovendien toe aan ʿAbd ibn Ḥumayd, Ibn al-Mundhir, Ibn Abī Ḥātim en al-Bayhaqī in al-Shuʿab. En hij schreef haar niet toe aan al-Nasāʾī, noch aan de Taʾrīkh van al-Bukhārī.

    (24) Zie: 141, voetnoot 3 / blz. 142, voetnoot 1.

    (25) Zie de uitleg van "al-ʿanat" eerder, blz. 4: 358-361.

    (26) Zie "al-qaṭʿ" eerder 6: 270, voetnoot 3, en de overige registers van de vakwoorden.

    (27) Zie de uitleg van "al-ṣila" eerder 5: 299, voetnoot 5; het is de bijvoeglijke bepaling bij het onbepaalde naamwoord.

    (28) Zie "al-qaṭʿ" eerder 6: 270, voetnoot 3, en de overige registers van de vakwoorden.

    (29) In het manuscript en de gedrukte uitgave staat "bi-afwāhihim"; het juiste, in overeenstemming met de tekst van deze aya, is wat ik heb vastgesteld.

    (30) In de gedrukte uitgave staat "fa-ammā man lam yataʾassūhu maʿrifatan", wat geen betekenis heeft, en in het manuscript staat "lam sawhu maʿrifatan" zonder diakritische punten; de juiste lezing ervan is wat ik heb vastgesteld. Men zegt "athbatahu maʿrifatan", dat wil zeggen: hij kende hem ten volle.

    (31) Zie Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1: 231.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لا تَتَّخِذُوا بِطَانَةً مِنْ دُونِكُمْ لا يَأْلُونَكُمْ خَبَالا وَدُّوا مَا عَنِتُّمْ قال أبو جعفر: يعني بذلك تعالى ذكره: يا أيها الذين صدقوا الله ورسوله، وأقروا بما جاءهم به نبيهم من عند ربهم =" لا تتخذوا بطانة من دونكم "، يقول: لا تتخذوا أولياء وأصدقاء لأنفسكم =" من دونكم " يقول: من دون أهل دينكم وملَّتكم، يعني من غير المؤمنين. * * * وإنما جعل " البطانة " مثلا لخليل الرجل، فشبهه بما ولي بطنه من ثيابه، لحلوله منه -في اطِّلاعه على أسراره وما يطويه عن أباعده وكثير من أقاربه- محلَّ ما وَلِيَ جَسده من ثيابه. * * * فنهى الله المؤمنين به أن يتخذوا من الكفار به أخلاء وأصفياء، ثم عرّفهم ما هم عليه لهم منطوون من الغش والخيانة، وبغيهم إياهم الغوائل، فحذرهم بذلك منهم ومن &; 7-139 &; مخالَّتهم، (12) فقال تعالى ذكره: " لا يألونكم خبالا " ، يعني لا يستطيعونكم شرًّا ، من " ألوت آلُو ألوًا " ، يقال: " ما ألا فلان كذا " ، أي: ما استطاع ، كما قال الشاعر: (13) جَـهْرَاءُ لا تَـأْلُو، إذَا هِـيَ أَظْهَـرَتْ، بَصَــرًا، وَلا مِــنْ عَيْلَـةٍ تُغْنِينـي (14) يعني: لا تستطيع عند الظهر إبصارًا. * * * وإنما يعني جل ذكره بقوله: " لا يألونكم خبالا "، البطانةَ التي نهى المؤمنين &; 7-140 &; عن اتخاذها من دونهم، فقال: إن هذه البطانة لا تترككم طاقتها خبالا أي لا تدع جهدها فيما أورثكم الخبال. (15) * * * وأصل " الخبْل " و " الخبال "، الفساد، ثم يستعمل في معان كثيرة، يدل على ذلك الخبرُ عن النبي صلى الله عليه وسلم: 7679-" من أصيب بخبْل = أو جرَاح ". (16) * * * وأما قوله: " ودوا ما عنِتُّم "، فإنه يعني: ودوا عنتكم، يقول: يتمنون لكم العنَت والشر في دينكم وما يسوءكم ولا يسرُّكم. (17) * * * وذكر أن هذه الآية نـزلت في قوم من المسلمين كانوا يخالطوهم حلفائهم من اليهود وأهل النفاق منهم، ويصافونهم المودَّة بالأسباب التي كانت بينهم في جاهليتهم قبل الإسلام، فنهاهم الله عن ذلك وأن يستنصحوهم في شيء من أمورهم. *ذكر من قال ذلك: 7680- حدثنا ابن حميد قال، حدثنا سلمة، عن محمد بن إسحاق، قال، قال محمد بن أبي محمد، عن عكرمة، أو عن سعيد بن جبير، عن ابن عباس قال: كان رجال من المسلمين يواصلون رجالا من اليهود، لما كان بينهم من الجوار والحِلْف في الجاهلية، فأنـزل الله عز وجل فيهم، ينهاهم عن مباطنتهم (18) تخوُّف الفتنة عليهم منهم: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم " إلى قوله: وَتُؤْمِنُونَ بِالْكِتَابِ كُلِّهِ . (19) 7681- حدثني محمد بن عمرو قال، حدثنا أبو عاصم قال، حدثنا عيسى، عن ابن أبي نجيح، عن مجاهد في قول الله عز وجل: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم لا يألونكم خبالا "، في المنافقين من أهل المدينة. نهى الله عز وجل المؤمنين أن يتولَّوهم. 7682- حدثنا بشر قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد، عن قتادة، قوله: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم لا يألونكم خبالا ودوا ما عنتم "، نهى الله عز وجل المؤمنين أن يستدخلوا المنافقين، (20) أو يؤاخوهم، أو يتولوهم من دون المؤمنين. (21) 7683- حدثني محمد بن سعد قال، حدثني أبي قال، حدثني عمي قال، حدثني أبي، عن أبيه، عن ابن عباس، قوله: " لا تتخذوا بطانة من دونكم "، هم المنافقون. 7684- حدثت عن عمار قال، حدثنا ابن أبي جعفر، عن أبيه، عن &; 7-142 &; الربيع، قوله: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم لا يألونكم خبالا "، يقول: لا تستدخلوا المنافقين، (22) تتولوهم دون المؤمنين. 7685- حدثنا أبو كريب ويعقوب بن إبراهيم قالا حدثنا هشيم قال، أخبرنا العوام بن حوشب، عن الأزهر بن راشد، عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله صلى الله عليه وسلم: لا تستضيئوا بنار أهل الشرك، ولا تنقشوا في خواتيمكم عربيا قال: فلم ندر ما ذلك، حتى أتوا الحسن فسألوه، فقال: نعم، أما قوله: " لا تنقشوا في خواتيمكم عربيًّا "، فإنه يقول: لا تنقشوا في خواتيمكم " محمد "، وأما قوله: " ولا تستضيئوا بنار أهل الشرك "، فإنه يعني به المشركين، يقول: لا تستشيروهم في شيء من أموركم. قال: قال الحسن: وتصديق ذلك في كتاب الله، ثم تلا هذه الآية: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم ". (23) . 7686- حدثنا محمد بن الحسين قال، حدثنا أحمد بن المفضل قال، حدثنا أسباط، عن السدي: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم "، أما " البطانة "، فهم المنافقون. 7687- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج، عن ابن جريج، قوله: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم " الآية، قال: لا يستدخل المؤمن المنافق دون أخيه. (24) 7688- حدثني يونس قال، أخبرنا ابن وهب قال، قال ابن زيد في قوله: " يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة من دونكم " الآية، قال: هؤلاء المنافقون. وقرأ قوله: قَدْ بَدَتِ الْبَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ الآية. * * * قال أبو جعفر: واختلفوا في تأويل قوله: " ودّوا ما عنِتُّم ". فقال بعضهم معناه: ودوا ما ضللتم عن دينكم. (25) *ذكر من قال ذلك: 7689- حدثنا محمد بن الحسين قال، حدثنا أحمد قال، حدثنا أسباط، عن السدي: " ودوا ما عنتم "، يقول: ما ضللتم. * * * وقال آخرون بما:- 7690- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج، عن ابن جريج: " ودوا ما عنتم "، يقول: في دينكم، يعني: أنهم يودون أن تعنتُوا في دينكم. * * * قال أبو جعفر: فإن قال لنا قائل: وكيف قيل: " ودوا ما عنتم "، فجاء بالخبر عن " البطانة "، بلفظ الماضي في محل الحال، والقطع بعد تمام الخبر، والحالات لا تكون إلا بصور الأسماء والأفعال المستقبلة دون الماضية منها؟ (26) . قيل: ليس الأمر في ذلك على ما ظننت من أنّ قوله: " ودوا ما عنتم " حال من " البطانة "، وإنما هو خبر عنهم ثان منقطعٌ عن الأول غير متصل به. وإنما تأويل الكلام: يا أيها الذين آمنوا لا تتخذوا بطانة صفتهم كذا، صفتهم كذا. فالخبر عن الصفة الثانية غير متصل بالصفة الأولى، وإن كانتا جميعًا من صفة شخص واحد. * * * وقد زعم بعض أهل العربية أن قوله: " ودوا ما عنتم "، من صلة البطانة، وقد وصلت بقوله: " لا يألونكم خبالا "، فلا وجه لصلة أخرى بعد تمام " البطانة " بصلته. (27) ولكن القول في ذلك كما بينا قبل، من أن قوله: " ودوا ما عنتم "، خبر مبتدأ عن " البطانة "، غير الخبر الأول، وغير حال من البطانة ولا قطع منها. (28) . * * * القول في تأويل قوله تعالى : قَدْ بَدَتِ الْبَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ قال أبو جعفر: يعني بذلك جل ثناؤه: قد بدت بغضاء هؤلاء الذين نهيتكم أيها المؤمنون، أن تتخذوهم بطانة من دونكم لكم =" من أفواههم "، يعني بألسنتهم. والذي بدا لهم منهم بألسنتهم، (29) إقامتهم على كفرهم، وعداوتهم من خالف ما هم عليه مقيمونَ من الضلالة. فذلك من أوكد الأسباب في معاداتهم أهل الإيمان، لأن ذلك عداوة على الدين، والعداوة على الدين العداوة التي لا زوال لها إلا بانتقال أحد المتعاديين إلى ملة الآخر منهما، وذلك انتقال من هدى إلا ضلالة كانت عند المنتقل إليها ضلالة قبل ذلك. فكان في إبدائهم ذلك للمؤمنين، ومقامهم عليه، أبينُ الدلالة لأهل الإيمان على ما هم عليه من البغضاء والعداوة. * * * وقد قال بعضهم: معنى قوله: " قد بدت البغضاء من أفواههم "، قد بدت بغضاؤهم لأهل الإيمان، إلى أوليائهم من المنافقين وأهل الكفر، بإطلاع بعضهم بعضًا على ذلك. وزعم قائلو هذه المقالة أنّ الذين عنوا بهذه الآية أهل النفاق، دون من كان مصرحًا بالكفر من اليهود وأهل الشرك. * ذكر من قال ذلك: 7691- حدثنا بشر قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد عن قتادة، قوله: " قد بدت البغضاء من أفواههم "، يقول: قد بدت البغضاء من أفواهُ المنافقين إلى إخوانهم من الكفار، من غشهم للإسلام وأهله، وبغضهم إياهم. 7692- حدثت عن عمار قال، حدثنا ابن أبي جعفر، عن أبيه، عن الربيع: " قد بدت البغضاء من أفواههم "، يقول: من أفواه المنافقين. * * * وهذا القول الذي ذكرناه عن قتادة، قول لا معنى له. وذلك أن الله تعالى &; 7-146 &; ذكره إنما نهى المؤمنين أن يتخذوا بطانة ممن قد عرفوه بالغش للإسلام وأهله والبغضاء، إما بأدلة ظاهرة دالة على أنّ ذلك من صفتهم، وإما بإظهار الموصوفين بذلك العداوة والشنآن والمناصبة لهم. فأما من لم يُثبِتوه معرفةً أنه الذي نهاهم الله عز وجل عن مخالَّته ومباطنته، (30) فغير جائز أن يكونوا نهوا عن مخالته ومصادقته، إلا بعد تعريفهم إياهم، إما بأعيانهم وأسمائهم، وإما بصفات قد عرفوهم بها. وإذْ كان ذلك كذلك = وكان إبداء المنافقين بألسنتهم ما في قلوبهم من بغضاء المؤمنين إلى إخوانهم من الكفار، غير مدرِك به المؤمنون معرفةَ ما هم عليه لهم، مع إظهارهم الإيمانَ بألسنتهم لهم والتودد إليهم = كان بيِّنًا أن الذي نهى الله المؤمنون عن اتخاذهم لأنفسهم بطانة دونهم، هم الذين قد ظهرت لهم بغضاؤهم بألسنتهم، على ما وصفهم الله عز وجل به، فعرَفهم المؤمنون بالصفة التي نعتهم الله بها، وأنهم هم الذين وصفهم تعالى ذكره بأنهم أصحاب النار هم فيها خالدون، ممن كان له ذمةٌ وعهدٌ من رسول الله صلى الله عليه وسلم وأصحابه من أهل الكتاب. لأنهم لو كانوا المنافقين، لكان الأمر فيهم على ما قد بينا. ولو كانوا الكفار ممن قد ناصب المؤمنين الحربَ، لم يكن المؤمنون متخذيهم لأنفسهم بطانة من دون المؤمنين، مع اختلاف بلادهم وافتراق أمصارهم، ولكنهم الذين كانوا بين أظهُر المؤمنين من أهل الكتاب أيامَ رسول الله صلى الله عليه وسلم ممن كان له من رسول الله صلى الله عليه وسلم عهد وعقدٌ من يهود بني إسرائيل. * * * و " البغضاء "، مصدر. وقد ذكر أنها في قراءة عبد الله بن مسعود: ( قَدْ بَدَا البَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ )، على وجه التذكير. وإنما جاز ذلك بالتذكير ولفظه لفظ المؤنث، لأن المصادر تأنيثها ليس بالتأنيث اللازم، فيجوز تذكيرُ ما خرج منها &; 7-147 &; على لفظ المؤنث وتأنيثه، كما قال عز وجل: وَأَخَذَ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ [سورة هود: 67]، وكما قال: فَقَدْ جَاءَكُمْ بَيِّنَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ [سورة الأنعام: 157]، وفي موضع آخر: وَأَخَذَتِ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ [سورة هود: 94] قَدْ جَاءَتْكُمْ بَيِّنَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ [سورة الأعراف: 73 ، 85 ] (31) * * * وقال: " من أفواههم "، وإنما بدا ما بدا من البغضاء بألسنتهم، لأن المعنيّ به الكلام الذي ظهر للمؤمنين منهم من أفواههم، فقال: " قد بدت البغضاء من أفواههم " بألسنتهم. * * * القول في تأويل قوله تعالى : وَمَا تُخْفِي صُدُورُهُمْ أَكْبَرُ قال أبو جعفر: يعني تعالى ذكره بذلك: والذي تخفي صدورهم = يعني: صدور هؤلاء الذين نهاهم عن اتخاذهم بطانة، فتخفيه عنكم، أيها المؤمنون =" أكبر "، يقول: أكبر مما قد بدا لكم بألسنتهم من أفواههم من البغضاء وأعظم. كما:- 7693- حدثنا بشر قال: حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد، عن قتادة قوله: " وما تخفي صدورهم أكبر "، يقول: وما تخفي صدورهم أكبر مما قد أبدوا بألسنتهم. 7694- حدثت عن عمار، عن ابن أبي جعفر، عن أبيه، عن الربيع، قوله: " وما تخفي صدورهم أكبر " يقول: ما تكن صدورهم أكبر مما قد أبدوا بألسنتهم. * * * القول في تأويل قوله : قَدْ بَيَّنَّا لَكُمُ الآيَاتِ إِنْ كُنْتُمْ تَعْقِلُونَ (118) قال أبو جعفر: يعني بذلك جل ثناؤه: " قد بينا لكم " أيها المؤمنون =" الآيات "، يعني بـ" الآيات " العبر. قد بينا لكم من أمر هؤلاء اليهود الذين نهيناكم أن تتخذوهم بطانة من دون المؤمنين، ما تعتبرون وتتعظون به من أمرهم =" إن كنتم تعقلون "، يعني: إن كنتم تعقلون عن الله مواعظه وأمره ونهيه، وتعرفون مواقع نفع ذلك منكم، ومبلغ عائدته عليكم. --------------------- الهوامش : (12) في المطبوعة: "فحذرهم بذلك منهم عن مخاللتهم" ، فك إدغام اللام وحذف الواو قبل"عن" ، وفي المخطوطة"وعن مخالتهم" ، والصواب في قراءتها ما أثبت ، إلا أن يكون سقط من الكلام"نهاهم" فيكون"ونهاهم عن مخالتهم". (13) هو أبو العيال الهذلي . (14) ديوان الهذليين 2: 263 ، الحيوان 3: 535، المعاني الكبير: 690، اللسان (ألا) (جهر). من شعر جيد في مقارضات بينه وبين بدر بن عامر الهذلي، قال بدر بن عامر أبياتًا، حين بلغه أن ابن أخ لأبي العيال، أنه ضلع مع خصمائه، فانتفى من ذلك وزعم أنه ليس ممن يأتي سوءًا إلى أخيه أبي العيال، فكذبه أبو العيال، فبادر بدر يرده. وكله شعر حسن في معناه. فشبه أبو العيال شعر بدر فيه وفي الثناء عليه بالشاة فقال له: أَقْسَــمْتَ لا تَنْسَـى شَـبابَ قَصِيـدَةٍ أبــدًا!! فَمَـا هـذا الَّـذِي يُنْسِـينِي? فَلَسَــوْفَ تَنْسَــاهَا وَتَعْلَــمُ أَنَّهـا تَبَــعٌ لآبِيَــةِ العِصَــابِ زَبُــونِ وَمَنَحْــتَني فَـرَضِيتُ زِىَّ مَنِيحَـتي فَــإِذَا بِهَـا، وَأَبِيـكَ، طَيْـفُ جُـنُونِ جَــهْرَاءَ لا تَـأْلُو................... .................................... والجهراء: هي التي لا تبصر في الشمس، وهو ضعف في البصر. ويقال:"عال يعيل عيلا وعيلة" افتقر. يقول: أهديت لي شعرًا وثناء وقولا فرضيته، ثم إذا لا شيء إلا قول وكلام، إذا انكشف الأمر وظهر، عمى هذا الشعر وانطفأ، وإذا جد الجد، لم يغن قولك شيئًا، بل كنت كما قلت لك آنفًا: فَلَقَـد رَمَْقُتـك فِـي المجَـالِسِ كلِّهَـا فَــإِذَا، وأنـتَ تُعِيـنُ مـن يَبْغِينـي" (15) لقد أبعد أبو جعفر المذهب في احتياله في تفسير"لا يألونكم" ، فإن بيان أهل اللغة عن معنى هذا الحرف من العربية ، أصدق وأكمل من بيانه ، فقد ذكروا المعنى الذي ذكره ثم قالوا: "ما ألوت ذلك: أي ما استطعته؛ وما ألوت أن أفعله: أي ما تركت" وقالوا: "هي من الأضداد؛ ألا: فتر وضعف = وألا: اجتهد" ، فراجع ذلك في كتب العربية. (16) الأثر: 7679- رواه أبو جعفر غير مسند؛ ورواه أحمد في مسنده 4: 31 ، والبيهقي في السنن 8: 53 ، ورواية أحمد من طريق شيخه"محمد بن سلمة الحراني ، عن ابن إسحاق = ويزيد بن هرون قال أنبأنا محمد بن إسحاق = عن الحارث بن فضيل ، عن فضيل ، عن سفيان بن أبي العوجاء -قال يزيد: السلمي- عن أبي شريح الخزاعي قال: قال رسول الله صلى الله عليه وسلم -وقال يزيد: سمعت رسول الله صلى الله عليه وسلم يقول-: من أصيب بدم أو خبل =الخبل: الجراح= فهو بالخيار بين إحدى ثلاث: إما أن يقتص ، أو يأخذ العقل ، أو يعفو ، فإن أراد رابعة فخذوا على يده ، فإن فعل شيئا من ذلك ثم عدا بعد فقتل ، فله النار خالدا فيها مخلدا". يعني بالدم: قتل النفس -وبالخبل أو الجراح: قطع العضو. وقد تركت ما في الطبري على حاله: "أو جراح" وبينت بالترقيم أنها كأنها رواية أخرى في قوله: "خبل" ، شك من الراوي. ولكن سياق الخبر يرجح عندي أنها: "أي: جراح" ، لأنه قد جاء في الحديث نفسه تفسير"الخبل" بالجراح. (17) انظر تفسير"العنت" فيما سلف 4: 358 - 361. (18) في المطبوعة: "فنهاهم" بالفاء في أوله ، والصواب من المخطوطة وابن هشام. (19) الأثر: 7680- سيرة ابن هشام 2: 207 ، وهو تابع الأثرين السالفين رقم: 7644 ، 7645. (20) قوله: "يستدخلوا" أي يتخذوهم أخلاء. استدخله: اتخذه دخيلا ، مثل قولهم استصحبه: اتخذه صاحبًا ، والدخيل والمداخل: الذي يداخل الرجل في أموره كلها. وهذا البناء"استدخله" مما أغفلته كتب اللغة ، وهو عربي معرق كما ترى. (21) في المطبوعة: "أي يتولوهم" ، وفي المخطوطة: "أن يتولوهم" ، والصواب ما أثبت. (22) انظر ص 141 ، تعليق: 3. (23) الحديث: 7685- الأزهر بن راشد البصري: ثقة. ترجمه البخاري في الكبير 1 / 1 / 455 ، وابن أبي حاتم 1 / 1 / 313 - فلم يذكر فيه جرحا. وهناك راو آخر ، اسمه"الأزهر بن راشد الكاهلي" ، وهو كوفي ، وهو غير البصري ، ومتأخر عنه. وترجمه البخاري وابن أبي حاتم أيضا. فإن البصري يروى عنه"العوام بن حوشب" المتوفي سنة 148 ، والكوفي الكاهلي يروى عنه"مروان بن معاوية الفزاري" المتوفي سنة 193. ومروان بن معاوية من شيوخ أحمد. والعوام بن حوشب من شيوخ شيوخه. فشتان هذا وهذا. ومع هذا الفرق الواضح أخطأ الحافظ المزي ، فذكر في التهذيب الكبير أن أبا حاتم قال في البصري: "مجهول". وتبعه الحافظ في تهذيب التهذيب ، والذهبي في الميزان. وزاد الأمر تخليطًا ، فذكر أنه ضعفه ابن معين . وابن معين وأبو حاتم إنما قالا ذلك في الكاهلي الكوفي. فروى ابن أبي حاتم في ترجمة"الكاهلي" 1 / 1 / 313 ، رقم: 1180 ، عن ابن معين ، قال: "أزهر بن راشد ، الذي روى عنه مروان بن معاوية: ضعيف". ثم قال: "سألت أبي عن أزهر بن راشد؟ فقال: هو مجهول". ولم يحقق الحافظ ابن حجر ، واشتبه عليه الكلام في الترجمتين ، فقال في ترجمة"الكاهلي" -بعد ترجمة"البصري"-: "أخشى أن يكونا واحدًا! لكن فرق بينهما ابن معين". والفرق بينهما كالشمس. والحديث رواه أحمد في المسند: 11978 (ج 3 ص 99 حلبى) ، عن هشيم ، بهذا الإسناد - دون كلام الحسن ، وهو البصري. ورواه البخاري كذلك في الكبير 1 / 1 / 455 - دون كلام الحسن ، عن مسدد ، عن هشيم ، به. ثم فسر البخاري بعضه ، فقال: "قال أبو عبد الله [هو البخاري نفسه]: عربيًا ، يعني"محمد رسول الله". يقول: لا تكتبوا مثل خاتم النبي: "محمد رسول الله". ورواه أبو يعلى مطولا -مثل رواية الطبري أو أطول قليلا- وفيه كلام الحسن. رواه عن إسحاق بن إسرائيل ، عن هشيم ، بهذا الإسناد. نقله عنه ابن كثير 2: 227 ، ثم قال: "هكذا رواه الحافظ أبو يعلى رحمه الله. وقد رواه النسائي ، عن مجاهد بن موسى ، عن هشيم ، به. ورواه الإمام أحمد ، عن هشيم ، بإسناده مثله ، من غير ذكر تفسير الحسن البصري. وهذا التفسير فيه نظر"- إلى آخر ما قال. ولم أجده في سنن النسائي ، فلعله في السنن الكبرى. وذكره السيوطي 2: 66 ، وزاد نسبته لعبد بن حميد ، وابن المنذر ، وابن أبي حاتم ، والبيهقي في الشعب. ولم ينسبه للنسائي ، ولا لتاريخ البخاري. (24) انظر: 141 ، تعليق: 3 / ص: 142 ، تعليق: 1. (25) انظر تفسير"العنت" فيما سلف ص4: 358 - 361. (26) انظر"القطع" فيما سلف 6: 270 ، تعليق: 3 ، وسائر فهارس المصطلحات. (27) انظر تفسير"الصلة" فيما سلف 5: 299 ، تعليق: 5 ، وهو نعت النكرة. (28) انظر"القطع" فيما سلف 6: 270 ، تعليق: 3 ، وسائر فهارس المصطلحات. (29) في المخطوطة والمطبوعة: "بأفواههم" ، والصواب المطابق لنص هذه الآية ، هو ما أثبت. (30) في المطبوعة: "فأما من لم يتئسوه معرفة" ، ولا معنى له ، وفي المخطوطة: "لم سوه معرفة" غير منقوطة ، وصواب قراءتها ما أثبت. يقال: "أثبته معرفة" أي: عرفه حق المعرفة. (31) انظر معاني القرآن للفراء 1: 231.