Tabari
Terug naar surah 3, ayah 117

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:117

مَثَلُ مَا يُنفِقُونَ فِى هَٰذِهِ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا كَمَثَلِ رِيحٍۢ فِيهَا صِرٌّ أَصَابَتْ حَرْثَ قَوْمٍۢ ظَلَمُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ فَأَهْلَكَتْهُ ۚ وَمَا ظَلَمَهُمُ ٱللَّهُ وَلَٰكِنْ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ

De gelijkenis van wat zij tijdens dit wereldse leven uitgeven is als die van de wind, die een hevige kou meenam en de oogst trof van een volk dat zichzelf onrecht aandeed en die (oogst) vernielde. En het is niet Allah die hen onrecht aandeed, maar zij deden zichzelf onrecht aan.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak: إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَنْ تُغْنِيَ عَنْهُمْ أَمْوَالُهُمْ وَلا أَوْلادُهُمْ مِنَ اللَّهِ شَيْئًا وَأُولَئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ (116) (Voorwaar, zij die ongelovig zijn — hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun tegen Allah ook maar iets baten; en zij zijn de bewoners van het Vuur, daarin zullen zij eeuwig verblijven.) (116)

    Abū Jaʿfar zei: Dit is een dreigement van Allah, machtig en verheven, gericht aan de andere, verdorven groepering onder de Mensen van het Boek — degenen over wie Hij heeft bericht dat zij verdorvenen (fāsiqūn) zijn, en dat zij de toorn van Allah over zich hebben afgeroepen — alsook aan wie van hun gelijken behoorde tot de ongelovigen in Allah en Zijn Boodschapper en in datgene wat Mohammed ﷺ van bij Allah had gebracht.

    Hij — verheven zij Zijn gedachtenis — zegt: "Voorwaar, zij die ongelovig zijn", dat wil zeggen: zij die het profeetschap van Mohammed ﷺ loochenden en hem en datgene wat hij hun van bij Allah had gebracht voor leugen hielden = "hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun tegen Allah ook maar iets baten", dat wil zeggen: zijn bezittingen die hij in deze wereld verzamelde, en zijn kinderen die hij daarin grootbracht, zullen niets afwenden van de bestraffing van Allah op de Dag der Opstanding, indien Hij die voor hen uitstelt tot de Dag der Opstanding, noch in deze wereld, indien Hij die voor hen daarin vervroegt.

    * * *

    En Hij heeft zijn kinderen en zijn bezittingen alleen genoemd omdat de kinderen van een man zijn naaste verwanten zijn, en omdat hij meer macht heeft over zijn eigen bezit dan over het bezit van een ander, en zijn beschikking daarover meer geoorloofd is dan zijn beschikking over het bezit van een ander. Wanneer dan zijn eigen kind dat uit zijn lendenen voortkwam, en zijn bezit waarover zijn beschikking van kracht is, hem niet baten, dan zijn anderen van zijn naasten en de overige verwanten, en hun bezittingen, des te verder verwijderd van het hem tegen Allah ook maar iets te baten.

    * * *

    Vervolgens berichtte Hij — verheven zij Zijn lof — dat zij de bewoners van het Vuur (al-nār) zijn die er waarlijk in thuishoren, met Zijn uitspraak: "en zij zijn de bewoners van het Vuur". En Hij maakte hen alleen tot zijn bewoners omdat zij er thuishoren als degenen die er niet uit zullen treden en het niet zullen verlaten — zoals de metgezel van een man die hem niet verlaat, en zijn gezel die niet van hem wijkt. Vervolgens bevestigde Hij dat door over hen te berichten dat zij er "eeuwig in verblijven", namelijk dat hun gezelschap ervan een gezelschap zonder onderbreking is, aangezien er onder de dingen zijn die hun metgezel in sommige toestanden verlaten en in sommige tijden van hem wijken. Maar zo is het niet met het gezelschap dat de ongelovigen houden met het Vuur waarin zij verzengd worden; veeleer is het een blijvend gezelschap zonder einde en zonder onderbreking. Wij zoeken toevlucht bij Allah daartegen, en tegen elk woord en elke daad die ertoe nadert.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَنْ تُغْنِيَ عَنْهُمْ أَمْوَالُهُمْ وَلا أَوْلادُهُمْ مِنَ اللَّهِ شَيْئًا وَأُولَئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ (116) قال أبو جعفر: وهذا وعيدٌ من الله عز وجل للأمة الأخرى الفاسقة من أهل الكتاب، الذين أخبر عنهم بأنهم فاسقون، وأنهم قد باؤوا بغضب منه، ولمن كان من نظرائهم من أهل الكفر بالله ورسوله وما جاء به محمد صلى الله عليه وسلم من عند الله. يقول تعالى ذكره: " إن الذين كفروا "، يعني: الذين جحدوا نبوة محمد صلى الله عليه وسلم وكذبوا به وبما جاءهم به من عند الله =" لن تغني عنهم أموالهم ولا أولادهم من الله شيئًا "، يعني: لن تدفع أمواله التي جمعها في الدنيا، وأولاده الذين ربَّاهم فيها، شيئًا من عقوبة الله يوم القيامة إن أخرها لهم إلى يوم القيامة، ولا في الدنيا إنْ عجَّلها لهم فيها. * * * وإنما خصّ أولاده وأمواله، لأن أولاد الرجل أقربُ أنسبائه إليه، وهو على ماله أقدر منه على مال غيره، (1) وأمرُه فيه أجوز من أمره في مال غيره. فإذا لم يغن عنه ولده لصلبه، وماله الذي هو نافذ الأمر فيه، فغير ذلك من أقربائه وسائر أنسبائه وأموالهم، أبعد من أن تغني عنه من الله شيئا. * * * ثم أخبر جل ثناؤه أنهم هم أهل النار الذين هم أهلها بقوله: " وأولئك أصحاب النار ". وإنما جعلهم أصحابها، لأنهم أهلها الذين لا يخرجون منها ولا يفارقونها، &; 7-134 &; كصاحب الرجل الذي لا يفارقه، وقرينه الذي لا يزايله. (2) ثم وكد ذلك بإخباره عنهم إنهم " فيها خالدون "، أنّ صحبتهم إياها صحبة لا انقطاع لها، (3) إذْ كان من الأشياء ما يفارق صاحبه في بعض الأحوال، ويزايله في بعض الأوقات، وليس كذلك صحبة الذين كفروا النارَ التي أصْلوها، ولكنها صحبة دائمة لا نهاية لها ولا انقطاع. نعوذ بالله منها ومما قرَّب منها من قول وعمل. ---------------------- الهوامش : (1) في المطبوعة: "وهو على ماله أقرب ..." ، وهي في المخطوطة شبيهة بها ، إلا أنها سيئة الكتابة ، ولكن لا معنى لها ، والصواب ما أثبت ، فهو حق السياق. (2) انظر تفسير"أصحاب النار" فيما سلف 1: 286 ، 287 / 4 : 317 / 5 : 429 / 6: 14. (3) في المطبوعة أسقط"أن" من أول هذه العبارة ، وهي ثابتة في المخطوطة. وفيهما جميعًا بعد: "إذا كان من الأشياء" ، وصواب السياق"إذ" ، كما أثبتها.